11 januari, 2021

312 - Uit de nalatenschap van Adri Offenberg (5): Koppermaandag

In deze vijfde en laatste aflevering van vondsten in de bibliotheek van Adri Offenberg richt ik de schijnwerper op weer een ander type uitgaven. Ik merk bij mijzelf hoe leuk het is om in de verschillende soorten uitgaven te duiken en met achtergrondinformatie te presenteren. Zo blijkt maar weer dat over elk boek een mooi verhaal te vertellen is, en dat dit losstaat van de waarde van het boek. Voor mij is de waarde van een boek niet wat het op een veiling of bij een antiquariaat opbrengt, maar vanuit welke achtergrond het ontstaan is en wat het ons leert. Natuurlijk is over een kostbaar boek ook veel te vertellen, maar ik hou er nu eenmaal van om op onverwachte plekken betaalbare boeken te vinden en die in de spotlights te zetten.

Koppermaandaguitgaven

Deze keer staat een handvol koppermaandaguitgaven centraal. Koppermaandag is de eerste maandag na driekoningen en van oudsher een feestdag voor gilden, waarop de drank rijkelijk vloeide. De naam stamt waarschijnlijk van kopperen dat "feestvieren" of "smullen" betekent, via kop dat staat voor "beker". De enige gilde bij wie koppermaandag als speciale dag intact is gebleven, is het drukkersgilde. En bij dit blog, want deze bijdrage verschijnt op Koppermaandag 2021. Koppermaandaguitgaven zijn dan ook uitgaven met een lange historie: drukkers produceerden al in de 18e eeuw dergelijke uitgaven. Wikipedia verwoordt het als volgt: 

De gezellen van de drukkers drukten als proeve van vakbekwaamheid een speciale prent met een heilwens erop, de Koppermaandagprent, die zij op Koppermaandag aan de meesterdrukkers en de eigenaar van de drukkerij overhandigden. In de 19e eeuw werden koppermaandagprenten aan relaties gestuurd, als geschenk. In de loop van de 20e eeuw ging het ritueel vrijwel verloren, doordat men in plaats van Koppermaandagprenten, Kerst- en Nieuwjaarskaarten ging versturen. Na de Tweede Wereldoorlog werd het gebruik deels weer in ere hersteld. In 1948 gebeurde dat in Haarlem, de stad van Laurens Janszoon Coster, en in 's-Hertogenbosch, Arnhem en Gouda, daarna vanaf 1949 in Drenthe [door Henk Prakke], en later ook in Noord-Brabant, Zeeland en in Groningen. Verscheidene contribuanten van de Stichting Drukwerk in de Marge vervaardigen Kopperuitgaven. 

Een mooie studie van Paul Abels over Goudse koppermaandaguitgaven sinds de 19e eeuw staat hier. Abels schrijft: 

Dergelijke prenten waren oorspronkelijk bedoeld om bij wijze van Nieuwjaarswens door drukkergezellen te laten afgeven bij voorname burgers in de stad, in ruil waarvoor zij een klein bedrag kregen ten behoeve van een te organiseren feest. Een dergelijk gebruik was eind achttiende eeuw populair in veel bredere kring. In Gouda liet de schutterij rond de jaarwisseling bijvoorbeeld ook voor een soortgelijk doel steevast een fraaie prent met gedicht drukken, die langs de deuren verkocht werd.

Een overzicht van 421 koppermaandagprenten uit de periode 1700-1989, voorzien van een historische inleiding, geeft de publicatie van J. de Zoete & M. Versteeg: Koppermaandagprenten. Verkenning van een Nederlandse grafische traditie (1991).

De vijf koppermaandaguitgaven

Ik vond een vijftal koppermaandaguitgaven, alle geproduceerd door Uitgeverij de Buitenkant. Deze kleine collectie laat direct al mooi de diversiteit zien van dergelijke uitgaven. In het verleden hadden koppermaandaguitgaven al uiteenlopende verschijningsvormen: prenten, wandkalenders, kleine boekjes. maar ook deze vijf recente koppermaandaguitgaven van Uitgeverij de Buitenkant zijn heel verschillend.

De uitgave uit januari 2017 is een klein boekje met de titel Nou al uitgecopperd? waarin de koppermaandaguitgaven het centrale thema vormen . Het is dan ook geschreven door Johan de Zoete, dezelfde als die ik hiervoor aanhaalde als auteur van het standaardwerk over koppermaandaguitgaven uit 1991. In dit werkje schrijft hij niet alleen over de geschiedenis van koppermaandaguitgaven, maar beschrijft hij ook zijn frustratie toen hij net na het verschijnen van zijn boek in de kelder van het Koninklijk Verbond van Grafische Ondernemingen (KVGO) een map vol onbekende koppermaandagprenten vond. De uitgave is voorzien van afbeeldingen van talloze koppermaandaguitgaven. De Zoete schrijft:

Het boek [de hiervoor genoemde uitgave uit 1991], met een opsomming van al die drukkerijen, was net uit, het KVGO zelf was medefinancier en -uitgever en nu kwamen deze prenten tevoorschijn! Voor een deel ook nog eens van andere drukkerijen dan we tijdens ons onderzoek hadden kunnen vinden. Het spreekt vanzelf dat ik 'not amused' was om het voorzichtig te zeggen. In het door mij aan het KVGO uitgebrachte rapport kon ik weinig anders dan voorstellen deze prenten onmiddellijk aan de UBA te schenken, maar dat vond men iets te kort door de bocht. Ze zouden ter veiling worden gebracht. Ik vond het een schande. (...) Het lukte de UBA gelukkig om op de veiling alle prenten die we nog niet hadden aan te kopen.

En even verder:

Maar ook het Drukkerijmuseum Meppel had nog een partijtje oude koppermaandagprenten liggen, zo bleek. Dat soort dingen blijkt altijd nadat er een boek over uitgekomen is, nooit daarvóór.

Al deze nieuwe vondsten werden toegevoegd aan de collectie in de UBA, dat daarmee de grootste collectie koppermaandaguitgaven in Nederland bezit. Met enige zelfspot haalt de auteur tot slot naar aanleiding van deze ervaringen zijn eigen standaardwerk aan:

En antiquaren: pas op! U kunt wel zeggen 'not in De Zoete/Versteeg', maar dat wil nog niet zeggen dat die ene prent niet toch al in de collectie van de UBA aanwezig is..

Ik heb deze aanduiding opgezocht en deze wordt inderdaad letterlijk een keer gebruikt door Bubb Kuyper, bij kavel 57 van de najaarsveiling 2018. En de waarschuwing van Johan de Zoete blijkt terecht, want de uitgave waar het over gaat (Hulde aan Laurens Jansz. Koster. Opgedragen aan de instellers van dit Eeuwfeest uit 1823) staat kennelijk niet in het boek van De Zoete, maar is wel aanwezig in de UBA en wellicht door De Zoete opgevist uit de kelder van het KVGO of bij het Drukkerijmuseum.

De tweede koppermaandaguitgave is uit 2003 en heeft een hele andere vorm: het is de herdruk van het diploma van Lion Cachet uit 1892 op ware grootte. De achtergrond hiervan is de volgende. In 1892 was er een tentoonstelling voor het boekenvak in Amsterdam en aan Lion Cachet, Gerrit Dijsselhoff en Theo Nieuwenhuis was gevraagd een diploma in hout te snijden. De opdrachtgevers waren niet blij met het resultaat. "Alle nieuwe kunst wordt eerst niet begrepen", werd toen gezegd en dat is dan ook de titel van het boek dat Ernst Braches over deze diploma's schreef en dat in 2003 bij Uitgeverij de Buitenkant is verschenen. De titel verwijst naar de Nieuwe Kunst, oftewel de Nederlandse Art Nouveau, waarvan deze diploma's zo ongeveer aan de basis stonden. Deze koppermaanaguitgave schetst de achtergrond van het verschijnen van het boek van Braches op een vouwblad, en voegt daarbij dus de facsimile van het diploma van Cachet.

De derde uitgave is uit 2016 en is weer heel ander. Het is een hommage aan de typograaf en letterontwerper Bram de Does, die eind 2015 overleed. Op bijna transparant papier is een fraai ontwerp van Bram de Does gedrukt, vergezeld van een aanbiedingskaartje. Over Bram de Does is veel meer te vertellen dan ik in een paar terloopse zinnen zou kunnen doen. Belangrijk om te vermelden is dat hij de ontwerper is van de bekende letters Trinité (1982) en Lexicon (1992) die veelvuldig worden gebruikt in boeken, tijdschriften en kranten en geroemd worden om de gedetailleerde uitvoering. De Lexicon is bijvoorbeeld gebruikt als letter voor Van Dale's Groot woordenboek uit 1992.

Ook de vierde uitgave is gerelateerd aan Bram de Does. De uitgave Kaba-ornament uit 2005 is wederom een voorproefje van een later te verschijnen werk over het Kaba-ornament, waar De Does drie decennia mee had geëxperimenteerd. Deze uitgave bestaat grotendeels uit reproducties van de schetsen van experimenten van Bram de Does met één asymmetrisch ornament en zijn spiegelbeeld. De tekst in het boekje is uiteraard gezet in de door De Does ontwerpen letter Trinité.
De vijfde koppermaandaguitgave heeft ook typografie als onderwerp en bevat wederom een tekst van Johan de Zoete, net zoals de eerste uitgave die ik noemde. Deze tekst, uit 2014, is de inleiding op een herdruk van een aantal pagina's uit een letterproef van Frederic Nelson Phillips uit 1929. Dit boek (dat hier integraal door te bladeren is), toont niet alleen verschillende lettertypen van de drukkerij van Phillips maar ook de toepassing ervan in diverse teksten, advertenties, etc., kwam in 2013 in het bezit van De Zoete. Het enthousiasme voor de kwaliteit van de uitgave leidde tot deze koppermaandaguitgave, waarbij vervolgens de lezer werd uitgedaagd om een eigen letterproef te maken van een favoriete letter. De Zoet schrijft:
Van de tien mooiste inzendingen maken wij de Koppermaandaguitgave 2015. Sluiting voor de inzending is 1 december 2014. De mooiste inzending komt in aanmerking voor de eerste Nelson Phillips Bokaal, die uiteraard uitgereikt zal worden op Koppermaandag 2015.
Het is mij niet bekend of deze bokaal ooit is uitgereikt. Naast deze vijf koppermaandaguitgaven vond ik geen andere bij Adri Offenberg dus helaas mis ik de uitgave van 2015. Ook online is hier geen vermelding van te vinden. 

Ik vind het mooi om te zien hoe de verschillende koppermaandaguitgaven van De Buitenkant het drukkersvak en typografie centraal zetten. Helemaal volgens de traditie van dergelijke uitgaven. 

Tot slot

Het was leuk om door het stapeltje boeken heen te graven dat ik mocht meenemen uit de nalatenschap van Adri Offenberg en de achtergrond ervan uit te lichten. Het is daarmee een kleine hommage geworden aan iemand die ik nooit persoonlijk heb gekend, maar van grote betekenis is geweest voor het boekenvak en een boekenverzameling achterliet die de oogst was van een leven lang verzamelen. Natuurlijk zijn deze uitgaven die ik in de afgelopen vijf blogs heb uitgelicht in het geheel niet representatief voor de bibliotheek zoals die oorspronkelijk was of voor de kwaliteit van boeken die er in stonden. Maar deze kleine selectie maakt wel duidelijk dat het een veelzijdige bibliotheek was. En voor mij vormen deze boeken hoe dan ook een waardevolle aanwinst van mijn bibliotheek. En ik hoop te hebben laten zien dat over werkelijk elk boek een verhaal te vertellen is omdat even graven tal van interessante feiten blootlegt over herkomst, context of betekenis van de boeken. En dat is wat verzamelen van boeken zo boeiend maakt.

 

27 december, 2020

311 - Uit de nalatenschap van Adri Offenberg (4) - oorlogspublicaties

In het vierde deel over de boeken die ik vond in de bibliotheek van Adri Offenberg kijk ik naar weer een nieuwe categorie: boeken die clandestien werden gedrukt tijdens de Tweede Wereldoorlog. 

Over clandestiene uitgaven

In de oorlogsjaren waren de mogelijkheden voor het publiceren van boeken door schaarste aan grondstoffen en bepaling van de bezetter steeds meer beperkt: uitgevers staakten hun uitgaven of gingen over tot het produceren van clandestien drukwerk. Er verschenen tijdens de oorlog dus zowel legale, als clandestiene als illegale drukwerken. En er is een verschil tussen clandestien en illegaal drukwerk. Illegaal drukwerk richt zich rechtstreeks tegen de bezetter. Clandestien drukwerk kon ook een heel onschuldige inhoud hebben, maar onttrekt zich aan het toezicht en de toestemming door de bezetter. Tijdens de oorlog verschenen circa 1000 clandestiene uitgaven. Sommige uitgevers waren hier heel actief in (zoals De Blauwe Schuit met circa 40 uitgaven, De Bezige Bij met circa 70 en Stols met 54) en er waren ook auteurs van wie veel uitgaven verschenen, zoals Bertus Aafjes. De Blauwe Schuit, met als drukker Hendrik Werkman, was  feitelijkde eerste clandestiene uitgeverij van Nederland (de naam Werkman leeft trouwens nog voort). Op de site van de KB lees ik:

Illustratie van De Blauwe Schuit
De Blauwe Schuit, Stols en andere collega-uitgevers verspreidden niet of nauwelijks illegale uitgaven. Hoewel ook van de uitgaven van de Mansarde Pers beweerd werd dat met de opbrengst een aantal onderduikers in leven werd gehouden, hebben vermoedelijk toch alleen de uitgaven van De Bezige Bij een illegaal karakter, doordat de opbrengst ten goede kwam aan het verzet. Van de 54 clandestiene uitgaven van Stols zijn er bijvoorbeeld slechts vijf als illegaal aan te merken, gericht tegen de bezetter, de overige hadden een min of meer onschuldig karakter.
De opbrengst van de uitgaven van De Bezige Bij werd nog gebruikt om het verzet te financieren, bij andere uitgeverijen was er dus vooral sprake van commerciële belangen. De prijzen van clandestiene uitgaven waren hoog als gevolg van de schaarste in de oorlogsjaren (aan papier, aan inkt, aan drukkers, aan alles). De journalist en schrijver H.M. van Randwijk deed tijdens de oorlog in het verzetsblad Vrij Nederland het merendeel van de clandestien uitgegeven bundeltjes die niet expliciet tot verzet opriepen overigens af als 'esthetische ijdeltuiterij'. 

Op de eerder genoemde pagina van de KB waarin wordt ingegaan op het bijzondere boek tijdens de Tweede Wereldoorlog. Ook wordt uitgebreid beschreven hoe uitgevers werkten en tegen welke problemen ze opliepen. Interessante overzichten geven verder ook de boeken van Lisette Lewin - Het clandestiene boek 1940-1945 (hier integraal te lezen), Piet Calis - Het ondergronds verwachten. Schrijvers en tijdschriften tussen 1941 en 1945 (hier integraal te lezen) en natuurlijk het standaardwerk van Dirk de Jong - Het vrije boek in onvrije tijd (hier integraal te lezen). Naar de lijst die Dirk de Jong in zijn boek hanteert wordt in catalogi regelmatig verwezen. Ook ik zal dat in dit stukje doen. Overigens waren er op het overzicht van De Jong genoeg aanmerkingen. Zo is er het verwijt dat hij te weinig aandacht gaf aan uitgaven van Joodse oorsprong. Echter, veel Joodse uitgaven verschenen bijzonder genoeg legaal. Lisette Lewin schrijft in de catalogus bij de tentoonstelling Op de rand van de afgrond met uitgaven in de Bibliotheca Rosenthaliana die tijdens de bezetting verschenen (waar Adri Offenberg curator was, en hij was tevens co-auteur van deze catalogus):
Dat verwijt is niet helemaal terecht. Het is waar dat er clandestien joodse boekjes en geschriftjes zijn gedrukt, maar de meeste van de 58 titels die in deze catalogus staan zijn legaal uitgegeven. Ze hebben een K-nummer, dat wil zeggen dat ze zijn gedrukt met toestemming van het Departement van Volksvoorlichting en Kunsten. Want de Duitsers die eind mei 1940 direct begonnen met het straffen van boekhandelaars die werk van Heine of andere joden in de etalage lieten liggen, waren zo cynisch dat ze het uitgeven van judaïca niet alleen toestonden maar zelfs aanmoedigden. (...) Achterin de catalogus staat een chronologisch jaaroverzicht. Een schokkende cijferreeks: 14 titels in 1940, 33 in 1941, drie in 1942, drie in 1943, één in 1944, drie in 1945 (twee zonder jaar). Er was aan het eind bijna niemand meer over. Veel namen in de lijst van biografische notities over degenen die aan de uitgaven hebben meegewerkt hebben de toevoegingen: omgekomen, gedeporteerd, gefusilleerd, vrijwillige dood tijdens W.O. II. 
Behalve de uitgaven van De Blauwe Schuit (de complete originele uitgaven van Chassidische Legenden I en II van Werkman brengt makkelijk zo’n 30.000 euro op) en enkele andere uitgaven, zijn ondanks de kleine oplagen clandestiene publicaties niet per se zeldzaam en kostbaar. Terwijl ik dit stukje maak, loopt de najaarsveiling 2020 van Bubb Kuyper. In de catalogus van die veiling staan 7 lots met clandestiene uitgaven. Eén lot is onverkocht gebleven, een ander lot bevat circa 200 clandestiene uitgaven en dit lot bracht 850 euro op - net iets meer dan 4 euro per stuk. De andere 5 lots brachten wisselende bedragen op, omgerekend een tientje tot een paar tientjes per stuk.

Zes gevonden clandestiene uitgaven

Bij Adri Offenberg vond ik verschillende publicaties die ofwel clandestien zijn, ofwel op de grens van de bevrijding zijn gepubliceerd. Interessant zijn een zestal clandestiene uitgaven:
Illustratie uit "Zomerdag"

1. Aldert Witte - Voor- en tusschenspel (De Jong 941). Dit is een genummerd (33 van 125) en gesigneerde uitgave. Volgens het titelblad uitgegeven door Uitgeverij Spaanders in 1940, maar in feite in 1944 geproduceerd.  Van 1943-1945 leidde Aldert Witte de clandestiene en bibliofiele uitgeverij d'Uylen-spieghelpers. Daar verschenen 9 clandestiene uitgaven, waaronder deze. De bundel is hier integraal te lezen.
2. Aldert Witte - Zomerdag (De Jong 952). Eén gedicht met illustratie in een kartonnen omslag. Ook dit is een genummerd (42) en gesigneerd exemplaar, waarbij zowel Aldert Witte als illustrator Nico Berkhout signeerden en verschenen bij de uitgeverij van De Witte. Hier is het te lezen.
3. Theo van Baaren - Versteend zeewier (De Jong 61). Van de oplage van 270 werden 120 exemplaren gesigneerd, dit is een genummerd (62) en gesigneerd exemplaar, met de ingekleurde illustraties. Theo van Baaren was samen met Gertrude Pape tijdens de oorlogsjaren betrokken bij het clandestiene tijdschrift "De schone zakdoek". Deze bundel is hier integraal te lezen.
Colofon uit de uitgave
"De legende van het spookschip
De vliegende Hollander" (1944)
4. A. Nonymus - Het lied der minne van vroeger en nu (De Jong 511). In het colofon blijkt iets van de omstandigheden waarin boeken tot stand kwamen. Er staat: "In December van het jaar O.H. negentienhonderd vierenveertig, toen de oorlog woedde binnen onze grenzen en overstroomingen, honger en koude ons volk in bittere nood brachten en bovendien gas en electriciteit niet meer beschikbaar waren, toen heeft de U.M. "In den Bloemhof" te Wassenaar deze bundel minnedichten uitgegeven met het doel, den lezer enkele oogenblikken van vergetelheid te schenken." In andere uitgaven van A. Nonymus staan vergelijkbare teksten (zie afbeelding). Het boekje is hier te lezen. Achter de naam A. Nonymus ging de illustrator Johan van Eikeren schuil, die voor de oorlog onder meer verantwoordelijk was voor de Corvey-uitgave Het model voor de uitgever. Lisette Lewin schrijft in haar boek:
Twee maanden voor de bevrijding begon Van Eikeren een boekje te schrijven dat in een kleine, genummerde oplage verscheen in juli 1945. Het heet Perijkelen bij de verzorging van het boek in de oorlogsjaren of het relaas van hollandse onversaagdheid in tijden van nood uit de ervaring opgetekend en is gedrukt op hetzelfde harige paardedeken-achtige papier als veel van die oorlogsboekjes. De schrijver heeft het motief voor het kaftje zelf in linoleum gesneden. Hij is al jaren dood. Voor dat boekje mogen we hem dankbaar zijn. Als geen ander heeft hij het uitgeversleven in bezet Nederland beschreven.
5. De uitgave met misschien wel de langste titel is De Zes Vlyghen - synde eene Versaemelingh van Lofsanghen, Heekelvaersen ende Rymen waerin besonghen wort, de Minne, 't Schoone Vrouwmens, de Waerelt, de Seevaert, de Krygh ende eenighe andere Saecken/oftewel cleyne Strontjens van Lastighe Vlyghen op de craecksindelycke Vensterdoecken van Hollands Burgherdeugt alle tesaemen geschreeven van onder andere Jan G. Elburg en Aldert Witte (hier te lezen). Ook dit werk is uitgegeven door de Uylen-Spieghel-Pers van Aldert Witte, in een oplage van 200 exemplaren.
6. Garmt Stuiveling - Wordend kristal. Verschenen in maart 1945 in een beperkte oplage, waarvan 70 exemplaren genummerd. Dit is een ongenummerd exemplaar en helaas is de voorzijde van het omslag losgescheurd. Maar ook deze is online te lezen.
 
Bijzondere vondst is nog dat ik de uitgave Zehn kleine Meckerlein vond. Deze uitgave van de Carlinapers uit 1974 is een facsimile uitgave van de clandestiene uitgave die in 1943 door A.A. Balkema werd uitgegeven. Het is de tekst van een uit een concentratiekamp gesmokkeld liedje. Helaas ontbreekt één van de 10 losse vellen en dit is daarmee een incompleet exemplaar. Het origineel verscheen in een oplage van 40 en is een voorbeeld van een nu kostbare clandestiene uitgave. Medio 2020 werd een exemplaar uit 1943 voor 900 euro geveild bij Zwiggelaar.

Ik vond ook nog twee uitgaven door de graficus Henri Friedländer die op de grens van de bevrijding verschenen. De eerste is De overweldiger. Hoofdstuk I en II van het boek Habakuk, als een van de weinig Joodse auteurs opgenomen in De Jong onder nummer 637 (en trouwens ook in de catalogus Op de rand van de afgrond onder nummer 40). Blijkens het colofon weliswaar vertaald en gezet in de oorlogswinter 1944-1945 maar gedrukt in de zomer van 1945. De tweede is Zijn einde. Jesaja XIV:3-21 dat kort na de oorlog verscheen in een oplage van 500, waarvan 100 genummerd (dit is nummer 40). 

Mijn andere clandestiene uitgaven

In mijn eigen bibliotheek had ik al een aantal uitgaven staan die tijdens de oorlog zijn verschenen. Een deel ervan zijn legaal verschenen uitgaven, zoals de Stols-uitgave van Petrarca's Madonna Laura waar ik eerder over schreef en de bij Nijgh & Van Ditmar in 1941 verschenen titels Vluchtige begroetingen en De kleine Rudolf van Aart van der Leeuw en Apollyon van Bordewijk.

Van Bordewijk heb ik daarnaast de door hem onder het pseudoniem "Emile Mandeau" geschreven werkje Verbrande erven (De Jong 532) dat in 1944 bij de Bezige Bij verscheen in 525 genummerde exemplaren (ik heb nummer 63). Daarnaast heb ik één van de gelegenheidsuitgaven die Chris Leeflang produceerde voor vrienden en bekenden, het bij de jaarwisseling 1944-1945 verschenen Jaarlied van Bredero (De Jong 117).

Een uitgave uit mijn bibliotheek die niet clandestien was, maar het wel werd, is het boekenweekgeschenk 1941. Citerend van de website Neerlandistiek.nl: Ter gelegenheid van de boekenweek 1941 verscheen de bloemlezing Novellen en gedichten, samengesteld door Victor E. van Vriesland en Emmy van Lokhorst. Het kwam uit in een oplage van 67.000 exemplaren, en was bestemd voor iedereen die van 1 tot 8 maart 1941 voor fl. 2,50 aan boeken kocht. Op 27 februari publiceerde de NSB-krant Het Nationale Dagblad een artikel waarin schande wordt gesproken over de aanwezigheid van verzen van ‘den Jood Maurits Mok‘. Van Vriesland, een van de samenstellers, was ook van joodse komaf. Een nationaal-socialistisch boekhandelaar doet op 28 februari zijn beklag bij de uitgever, de Vereeniging ter bevordering van de belangen des boekhandels: “Een mooi gebonden werkje […] om een aantal Jodendichters […] naar voren te kunnen brengen.” Uiteindelijk werd de uitgave door de Duitsers teruggeroepen en vernietigd, behalve 20.000 exemplaren die al bij lezers waren. Ook deze is daarom niet echt zeldzaam, en wordt ook nu nog tweedehands ruimschoots aangeboden.

Een collectie clandestiene uitgaven?

Het lijkt erop dat zich nu een kleine collectie clandestiene uitgaven in mijn bibliotheek vormt. Een doel zou kunnen zijn om alle 1019 uitgaven in de lijst van De Jong te verzamelen (+ de 58 in de catalogus van de UBA). Dat is niet mijn plan. Als ik het genoemde kavel met 200 exemplaren bij Bubb had gekocht, had ik daar nog een behoorlijke stap in kunnen zetten. Maar voor nu is het mooi om deze kleine vertegenwoordiging in mijn bibliotheek te hebben en zo iets meer zicht te krijgen op de moeilijke omstandigheden waaronder ze tot stand kwamen.  

11 december, 2020

310 - Uit de nalatenschap van Adri Offenberg (3) - de bibliotheek van Johan Polak

Bibliofielen zijn altijd nieuwsgierig naar het boekenbezit van andere bibliofielen. Vandaar mijn fascinatie voor de bibliotheek van Adri Offenberg waar ik nu al het derde blog over schrijf, maar ik heb bijvoorbeeld in het verleden ook de veilingcatalogi van de bibliotheken van Boudewijn Buch en Gerrit Komrij gekocht om een beeld te krijgen van hun boekenbezit. In de bibliotheek van Adri Offenberg vond ik een mooie verrassing: de tweedelige veilingcatalogus van de veiling van het boekenbezit van Johan Polak.

De veiling werd in 1993 verzorgd door het helaas niet meer bestaande veilinghuis Beijers in Utrecht. Het is enkele jaren geleden opgegaan in het Venduhuis Utrecht, maar ook dat heeft de activiteiten intussen gestaakt.

Johan Polak en zijn bibliotheek

Johan Polak (1928-1992), de legendarische uitgever met een prachtig fonds aan klassieke uitgaven, boekenliefhebber, verzamelaar, oprichter van Athenaeum Boekhandel en nog veel meer. Er is veel over hem geschreven en vaak geprobeerd om ook de verborgen kanten van zijn leven aan het licht te brengen. Toch raakt onvermijdelijk iemands naam langzamerhand vergeten. In 1998 schrijft Toon Möller dat na zijn dood en de veiling van de boeken "een zachte motregen van vergetelheid over Johan Polak [begon] te vallen." Toch blijft Polak de verbeelding prikkelen. In 2017 verscheen de biografie over het leven van Johan Polak van de hand van Koen Hilberdink, die eerder in 2012 ter gelegenheid van het 50-jarig bestaan van uitgeverij Athenaeum, Polak & Van Gennep het boekje Boekenmanie schreef, over de geboorte van Johan Polak als uitgever. In een artikel in Vrij Nederland uit 2008 over "het raadsel Johan Polak" wordt een fraai beeld van zijn leven gegeven.

Duidelijk was dat de bibliotheek van Polak bij zijn leven verboden gebied was voor iedereen behalve Polak zelf. In het artikel in Vrij Nederland staat een mooie anekdote van Jan Siebelink, die Polak als zijn leermeester beschouwde:

(een deel van) de Polak-bibliotheek
Omdat Polak een hypochonder was en omdat hij graag overdreef, geloofde niemand hem als hij weer eens zei dat hij op het punt stond dood te gaan. Maar hij was wel degelijk ziekelijk, ondervond Siebelink. ‘Ik at eens bij hem in zijn villa in Muiderberg en toen ik tegen een uur of tien weg wilde gaan, zei hij: ik wil dat je blijft. Hij had pijn doordat hij niet kon plassen, hij bleef een halfuur weg en dan had hij er weer een druppel uitgeperst. Ik heb ’s nachts bij hem gewaakt. Toen hij was ingedommeld, ben ik zijn bibliotheek binnengegaan, die grensde aan de slaapkamer. Verboden gebied, al helemaal zonder witte handschoenen. Ik heb de kostbaarste boeken bekeken, onder andere een plaquette van Mallarmé, gedichten geïllustreerd door Édouard Manet. Er waren nog maar twee gave exemplaren van op de wereld: één in de bibliotheek van het Vaticaan, en één bij Johan Polak. De volgende dag belde hij me, niet om me te bedanken voor mijn goede zorgen, maar om me streng te berispen. Ik had de boeken kennelijk niet helemaal tot op de millimeter ingeschoven. Hij wist precies waar ik met mijn vingers aan gezeten had.’

In De parelduiker schreef antiquair Steven Bakker in 1998 ook over de "mythische bibliotheek" van Polak, waar hij één keer mocht binnenkomen. Hij leverde regelmatig boeken aan Polak. Over de collectie Polak zegt hij: "Polak was een hartstochtelijk liefhebber geweest, hij verzamelde niet op compleetheid, hij kocht wat hij mooi vond, to please himself."

De veiling bij Beijers

Het lijkt erop dat het door Siebelink stiekem aangeraakte boek nummer 382 van de veiling was, de uitgave L'après-mide d'un faune uit 1876. Edouard Manet wordt hierbij genoemd. Geschat op 5.000 tot 6.000 gulden bracht het uiteindelijk 11.000 gulden op, het dubbele dus. Verder stonder er 2.056 andere nummers in de catalous, in twee delen gepubliceerd. In de door mij gevonden exemplaren vond ik nog wat extra's: een losse index van de kavels (met sorteringen op soort (klassieken, series vertalingen), auteurs, uitgevers, drukkers, binders, etc., een opbrengstenlijst van de veiling en een verdrietig kaartje van het veilinghuis met de mededeling dat alle biedingen van Adri Offenberg bij deze veiling helaas zijn overboden.Welke biedingen dat waren is niet meer te achterhalen, in de catalogi stonden in elk geval geen aangekruiste nummers of andere vermeldingen die een indicatie geven van titels waar Adri Offenberg (of de bibliotheek die hij vertegenwoordigde) belangstelling voor had.

In het eerder aangehaalde artikel in De parelduiker is Steven Bakker vrij duidelijk (en dodelijk) over de opzet van de veiling én de catalogus. Steven Bakker zegt: 

Het zal wel altijd een raadsel blijven waarom de Stichting Johan Polak heeft besloten de ‘volledige’ bibliotheek, op de collectie literaire autografen na, in haar geheel te laten veilen bij het Utrechtse veilinghuis Beijers. (...) De totale opbrengst, meer dan twee miljoen gulden, had dus hoger kunnen uitkomen als de stichting zich terdege had voorbereid, als zij zich uitvoeriger had laten adviseren, als zij de tijd had genomen. Slechts vijfentwintig boeken werden afgehamerd op tienduizend gulden of meer. (...) Beide veilingcatalogi blonken niet bepaald uit in kwaliteit. Ze waren verlucht met slechts 21 kleurenfoto's en 18 zwartwit-opnamen; de indeling was rommelig, de lengte van de beschrijvingen liet te wensen over, de richtprijzen waren bijzonder laag en niemand had zich er om bekommerd een inleiding op de bibliotheek of een fotoportret van de eredoctor zelf op te nemen. Uit niets bleek dat er ook maar enige extra zorg was besteed aan beide bijzondere veilingcatalogi, waarvan de oplage maar liefst 4300 exemplaren bedroeg. Alles duidde op een haastklus, die bovendien natuurlijk weer niets had mogen kosten. Johan Polak, de uitgever van bijzonder fraai vormgegeven boeken, moest eens weten welk een ‘eerbetoon’ hem ten deel was gevallen! Zowel de Stichting Johan Polak als het veilinghuis Beijers heeft een unieke kans voorbij laten gaan om deze omvangrijke boekenschat - ‘the bibliophile life-work of the collector’, zo staat op de titelpagina van de eerste catalogus te lezen - volledig tot zijn recht te laten komen, om hem voor de allerlaatste maal te laten schitteren.

Kort verslag in Trouw, 14-5-1993
Als ik de opbrengstenlijst naast de veilingcatalogus leg, kan ik mijn ogen toch nauwelijks geloven. Ik wist al dat de veiling van de boeken een recordopbrengst opleverde, het tienvoudige van wat was beoogd (en dus waren de richtprijzen inderdaad veel te laag). Maar het ging in een aantal gevallen echt heel hard. Geen wonder dat er voor Adri Offenberg niets te halen was. Het eerste nummer op de veiling, een humanistisch handschrift met een tekst van Cicero, was geschat op 3.000 tot 4.000 gulden. Het werd afgehamerd voor 35.000 gulden, inderdaad tien keer zoveel. Nou, dan is de toon voor de veiling wel gezet. Nummer 2, een handschrift met een tekst van Juvenalis ging bijna net zo hard: geschat op 5.000 tot 6.000 gulden, werd het afgehamerd op 48.000. Ik kan mij zo voorstellen dat er binnen een paar minuten na de start van de veiling een tevreden veilingmeester, een opgewonden zaal en heel veel teleurgestelde boekenliefhebbers waren die hadden gehoopt een boek uit de bibliotheek van Johan Polak te bemachtigen. Ook ik zou dat graag gewild hebben, net zoals ik blij ben met boeken uit de bibliotheek van Boudewijn Büch en die van Gerrit Komrij. De veiling van de bibliotheek van Büch (in 2005) brachten trouwens ook veel meer op dan vooraf gedacht, die van Komrij in 2012 daarentegen minder dan gedacht. Het bezit van een boek uit het bezit van Büch, Polak, Komrij of Offenberg (of uit die van de Nijhoffs) voelt als een eerbetoon aan een bijzondere boekenliefhebber en geeft extra betekenis aan het boek als je weet dat het ooit in zo'n bibliotheek heeft gestaan. In het geval van de veiling van de boeken van Polak zou dat blijkbaar een kansloze missie zijn geweest. Hoewel: niet alles is verkocht, er van uitgaande dat alle ontbrekende nummers op de opbrengstenlijst niet verkocht zijn: ik had nog nummer 42 kunnen kopen, een postincubel gedrukt door Aldus in 1523, geschat op 300-400 gulden. Of nummer 1382, het verzameld werk van Marsman in 3 delen, voor 200-250 gulden. Van de 12 nummers van Albert Verwey bleven er trouwens 7 onverkocht, voor deze dichter was in 1993 al weinig belangstelling meer. De gedachte dat ik voor zo'n 300 gulden een Aldus-uitgave had kunnen hebben is trouwens wel onverdraaglijk...

Gerrit Komrij mijmert trouwens zelf ook over de veiling van de boeken van Polak. In Halfgod verzamelaar staat een stukje uit 1992. Komrij zegt:

Moet, na mijn dood, een collectie die met noeste vlijt is verzameld, die het unieke stempel draagt van mijn persoonlijkheid en die, op die manier, nooit meer bij elkaar komt, op de wind verwaaien? Moet die niet ondergebracht worden in een bibliotheek, op een instituut, in een stichting, zodat er niet nóg eens iemand zo veel energie in hoeft te investeren en ze voor iedereen beschikbaar blijft? (...) Maar er zijn ook gevaren. (...) Dat de ijdelheid van de collectioneur, na diens dood, groter blijkt dan de waarde van zijn verzameling. Moet ik, zeggen de aanhangers van de andere richting, jonge en nieuwe verzamelaars niet juist hetzelfde recht en dezelfde kans gunnen op de verwerving van zeldzame erken als ik tijdens mijn leven heb gehad? Dezelfde momenten van spanning en angst in de veilingzaal? Draag ik daarmee de gezegende fakkel van het bibliofiele jachtinstinct niet verder? Wordt door een eeuwigdurende hergroepering niet het gehalte van alle verzamelingen vergroot? (...) Ik weet niet wat ik er op mijn sterfbed van zal denken, maar zolang ik nog verzamel, is het duidelijk dat ik naar de laatste zienswijze neig. Uit eigenbelang.

Komrij voegde de daad bij het woord en maakte al afspraken over de veiling van zijn boeken voor zijn overlijden. En ook de boeken van Büch en Polak zijn onderdeel geworden van de "eeuwige hergroepering". Een bijzonder geval uit de veiling van Polak's boeken is nog een auteursexemplaar van Elsschot's Villa des Roses uit 1913, met een opdracht aan Anna van der Tak. Door Beijers in de catalogus gezet voor 400 tot 600 gulden werd het afgehamerd op 21.000 gulden (!!). Zo ongeveer het veertigvoudige dus. Zestien jaar later werd hetzelfde boek geveild bij Bubb Kuyper. Het stond daar in de catalogus voor 20.000 - 25.000 euro (ruim het dubbele, als je de overgang van guldens naar euro's er in verwerkt). Het werd geveild voor € 18.500,-. Overigens vertelt het Belgische Knack dat dit exemplaar nu in bezit is van Thijs Wierema. Zij slaan de veiling bij Bubb over als het gaat om de route van de veiling van Polak naar de bibliotheek van Wierema. Was het dan toch een ander boek bij Bubb?

De veilingcatalogi weerspiegelen verder het beeld dat al bestond van het boekenbezit van Johan Polak. Veel klassieke auteurs, luxe uitgaven, zeldzame uitgaven en een breed spectrum aan literaire werken van over de hele wereld. Met per land ook nog deelcollecties van auteurs (zoals bij de Duitstalige literatuur Hugo van Hoffmansthal en Franz Kafka, bij Nederlandstalige literatuur voor 1880 Joost van den Vondel en literatuur na 1880  Louis Couperus (waarvan een in perkament gebonden eerste druk van De boeken der kleine zielen, in vier delen werd afgehamerd op 3.000 gulden bij een richtprijs van 700-800 gulden. Een vergelijkbaar exemplaar bracht in 2009 bij De Eland/Van Gendt 7350 euro op).

Nog meer catalogi

Naast dit inkijkje in het boekenbezit van Johan Polak heb ik recent nog wat andere boekencatalogi aan mijn collectie boeken over boeken toegevoegd. Bij de boeken van Adri Offenberg stond ook nog de Catalogus van boeken uit de nalatenschap van Jan van Krimpen. Dit werkje is in 1966 uitgegeven door de Universiteitsbibliotheek Amsterdam (UBA), en dan is het maar een kleine stap naar de boekenkast van Adri Offenberg als voormalig conservator van de Bibliotheca Rosenthaliana, die is ondergebracht bij de Amsterdamse Universiteitsbibliotheek. Het is een vrij droge opsomming van de boeken die nu in de UBA zijn opgenomen, zonder verdere toelichting of commentaar. Dit boekje stond naast een verwante uitgave: Jan van Krimpen 1892-1958. Een keuze uit de collectie. Samengesteld door Mathieu Lommen en uitgegeven door de Universiteitsbibliotheek in 1992. De beroemde typograaf en grafisch ontwerper Jan van Krimpen had na zijn plotselingen overlijden in 1958 zijn archief, correspondentie en handschriften aan de UBA nagelaten, en bovendien kreeg de UBA de mogelijkheid als eerste te kiezen uit zijn boekerij. In de inleiding bij de uitgave van 1992 staat:

De overige boeken - ca. 300 uit typografisch oogpunt of anderszins opmerkelijke en zeldzame werken - werden door de Vereniging van Vrienden van de UBA aangekocht en op de jaarvergadering van 25 februari 1962 door de toenmalige voorzitter, Mr. A.J. d'Ailly, als geschenk no. 37 aan de UB overgedragen. Van dit geschenk verscheen in 1966 een door mevr. E.W. Theissen samengestelde catalogus.

Mij lijkt dat de genoemde uitgave van E.W. Theissen de catalogus is die ik heb gevonden, want die is uit 1966, zo blijkt uit de titelpagina. Er wordt echter nergens vermeld wie de opsteller is, maar het lijkt mij sterk dat er meer dan één catalogus in dat jaar vanuit de UBA is verschenen over de boeken van Jan van Krimpen. In de uitgave uit 1992 wordt een breder beeld gegeven van de collectie Van Krimpen: niet alleen boeken uit zijn bibliotheek, maar ook andere uitgaven van en over Van Krimpen die aanwezig zijn in de UBA. Terzijde: Mathieu Lommen, de samensteller van de uitgave uit 1992, kennen we natuurlijk ook als samensteller van het jubileumboek over Stichting de Roos waarvan ik twee exemplaren in de kast heb staan: de handelseditie en de gelimiteerde uitgave voor leden van Stichting de Roos.

Tot slot kocht ik zelf onlangs via Marktplaats het boekje Een gedenksteen voor Plantijn en Van Raphelingen te Leiden (1965) van E. van Gulik en H.D.L. Vervliet. In dit boekje wordt ingegaan op de pioniersrol van Christoffel Plantijn en zijn schoonzoon Franciscus van Raphelingen voor het ontstaan van een drukkers- en boekhandelscultuur in Leiden. Het verscheen bij de onthulling van de plaquette in de Vrouwensteeg in Leiden, waar nu sociëteit Minerva is gevestigd. In dit boekje - uitgegeven door uitgeverij E.J. Brill, waarvan de oprichter was getrouwd met een achterkleindochter van Plantijn - is opgenomen de Catalogvs Librorvm residvorvm Tabernae Raphelengianae, oftewel de veilingcatalogus uit 1619 van de boeken na opheffing van de uitgeverij/boekhandel die na de dood van Franciscus van Raphelingen nog door zijn kinderen was voortgezet. Interessant is dat de boeken in de catalogus zijn gesorteerd op thema en daarbinnen op formaat. Zo is bijvoorbeeld de eerste categorie bij Theologie "In folio", het grootste formaat. En dan gaat het via quarto en octavo naar duodecimo/decimosexto. Vervolgens bij de juridische boeken hetzelfde. Het gevolg is bijvoorbeeld dat de theologische boeken van Franciscus Haraeus niet bij elkaar staan, maar deels bij folio en deels bij duodecimo. Voor catalogi uit die tijd trouwens geen ongebruikelijke manier van werken, maar ik heb liever een catalogus die is ingericht op thema en op auteur. Zelfs al is het zo’n lelijke uitvoering als de veilingcatalogus van de veiling van de boeken van Johan Polak.

27 november, 2020

309 - Uit de nalatenschap van Adri Offenberg (2) - Niet in de KB

Dit is het tweede blog in de serie over de boeken die ik vond in de bibliotheek van Adri Offenberg. Dit keer ga ik in op twee werken die niet staan opgenomen in de catalogus van de Koninklijke Bibliotheek, oftewel de KB. En die mij in no-time in een 18e-eeuws dispuut over Spinoza brachten.

De boeken in de Koninklijke Bibliotheek

Maar eerst iets over de titel van dit stukje. De KB verzamelt en bewaart alle boeken, kranten en tijdschriften die in Nederland zijn verschenen en alles wat er in het buitenland over Nederland is gepubliceerd. Dat doet de KB al heel lang, maar dat wil niet zeggen dat de KB compleet is. De algemene collectie van de KB is de Nederlandcollectie. De KB zegt op de website: 

De Nederlandcollectie is de kerncollectie van de KB en omvat alles uit en over Nederland. Daaronder vallen uiteenlopende materialen, van Middeleeuwse handschriften tot hedendaagse uitgaven, en zowel digitale bestanden als fysieke objecten. De Nederland-Collectie is een erfgoedcollectie; alles wat daarin wordt opgenomen, wordt ook ‘voor eeuwig’ duurzaam bewaard en toegankelijk gemaakt. Binnen deze collectie streeft de KB naar volledigheid.

Er is altijd de mogelijkheid om boeken aan de KB te schenken. Er is een aparte pagina die uitlegt hoe dat in zijn werk gaat en wat de KB wel en niet wil hebben. Via social media laat de KB zelf af en toe een vraag los of iemand een boek kan vinden dat de KB nog zoekt, meestal op basis van vroeg-20e eeuwse krantenadvertenties waarin boeken worden aangekondigd, die nooit de KB hebben gehaald. Daarnaast zie ik collega-boekenliefhebbers ook zelf nog wel eens twitteren bij een nieuwe aanwinst dat deze "niet in de KB" te vinden is. Kennelijk zijn veel mensen zich er van bewust hoe belangrijk het is dat het KB als ons nationaal geheugen zo compleet mogelijk is.

In mijn collectie heb ik verschillende boeken die - volgens de online catalogus - niet in de KB staan. Ik hou dat eenvoudig bij omdat ik al mijn boeken catalogiseer via LibraryThing. Deze site geeft mij de gelegenheid om alle mogelijke details van mijn boeken vast te leggen (bijvoorbeeld ook gewicht en afmetingen, zodat ik tot op de gram weet hoeveel mijn bibliotheek weegt). Bij het registreren van boeken haalt LibraryThing de details uit de catalogus van de KB (dit is mijn standaardinstelling), zodat ik direct weet dat een boek niet geregistreerd is bij de KB als ik ze probeer in te voeren. 

Intussen bevat mijn bibliotheek 48 titels die niet bij de KB bekend zijn, maar wel in de Nederlandcollectie thuishoren. Veelal zijn het nieuwjaargeschenken van uitgeverijen of werken in de categorie marginaal drukwerk. Maar groot of klein: uiteindelijk horen álle titels van of over Nederland natuurlijk in de Haagse kelders te staan. Het is mijn vaste voornemen om bij mijn overlijden in elk geval alle niet bij de KB geregistreerde boeken aan de KB te schenken. Mijn nabestaanden kunnen ze eenvoudig vinden via het digitale labeltje. En dat wordt dan mijn bescheiden bijdrage aan het nationale boekenbezit.

Als het goed is komen er tegen die tijd ook twee titels naar de KB die oorspronkelijk in het bezit waren van Adri Offenberg. Beide kunnen gerekend worden tot de judaïca. Volgens de Nederlandstalig Art & Architecture Thesaurus zijn judaïca "objecten met betrekking tot Joods leven, religie en cultuur, vooral maar niet uitsluitend objecten van literaire, historische of culturele aard of in verband met riten." Beide werken zijn gelegenheidsuitgaven die niet in Nederland zijn gedrukt, maar wel een duidelijke connectie met Nederland hebben en om die reden, conform de beschrijving van de Nederland-collectie, in de KB horen.

Facsimile of a Haggadah, printed in Amsterdam in 1845

Het eerste boekje is een miniatuuruitgave (10,3 bij 7,2 cm) en is een facsimile van een haggadah. Een haggadah wordt door Joden gebruikt tijdens de sederavond en bevat het Bijbelse verhaal van de uittocht uit Egypte, aangevuld met een beschrijving van de gebruiken tijdens de sederavond en een beschrijving van de gerechten. Eén van die gerechten is trouwens maror, of mierik, dit is het bittere kruid waarnaar de gelijknamige roman van Marga Minco is genoemd.  

Deze facsimile is gedrukt in Vermont, in de Verenigde Staten in 1989. De gelegenheid was feestelijk: het boekje is speciaal gemaakt bij de 65e trouwdag van Anna en Benjamin Lifton en aangeboden door hun kinderen. Het origineel van deze haggadah is afkomstig uit de bibliotheek van The Jewish theological seminary of America

Met het boekje is iets bijzonders aan de hand: op het omslag staat dat het oorspronkelijke werk is gedrukt in Amsterdam in 1845, maar dit jaartal is doorgestreept en vervangen door 1840. Mijn interpretatie is dat Adri Offenberg als erkend deskundige op het gebied van Judaïca en oude drukken het beter weet dan de makers van deze facsimile en de conservator in Amerika en dat deze haggadah dus inderdaad in 1840 in Amsterdam is gedrukt. Het boek is in elk geval gedrukt door boekdrukkerij

Belinfante & de Vita. Over deze drukkerij heb ik verder weinig kunnen vinden. Op basis van de catalogus van de KB is zichtbaar dat deze drukkerij in de eerste helft van de 19e eeuw actief is geweest. Verschillende Joodse uitgaven (Bijbelboeken, gebedenboeken maar ook grammaticaboeken) zijn in de collectie opgenomen. Verder blijkt uit verschillende krantenadvertenties uit de 19e eeuw dat de boekhandel en uitgeverij was gevestigd aan de Weesperstraat 9 in Amsterdam. Zoals zoveel boekhandels beschikte deze ook over een leesbibliotheek (in de blog van Aad van Maanen is aan de hand van boekhandelsetiketjes veel te lezen over leesbibliotheken). Uit het bevolkingsregister van Amsterdam blijkt dat Sadok Cohen Belinante (1787-1839) in die tijd op het adres woonde. Maar wie De Vita was weet ik niet. De Weesperstraat was in die tijd een smalle straat, vergelijkbaar met bijvoorbeeld de Utrechtsestraat in Amsterdam. Nadat de Joodse bevolking was gedeporteerd en vermoord in de oorlog, werd in de hongerwinter al het hout uit de huizen gesloopt. Het resultaat was een verwoeste straat in 1945 en aansluitend werd besloten een verkeersader van de Weesperstraat te maken, later kwam daar nog de metrolijn bij. Alle oorspronkelijke bebouwing is verdwenen.

Ik kan mij voorstellen dat de KB niet deze facsimile bezit maar ik was benieuwd of de KB dan wel het origineel zou hebben. Ik heb het niet in de catalogus aangetroffen, niet als uitgave 1845 en ook niet in 1840.Van Belinfante & de Vita vond ik wel een haggadah uit 1837 bij de KB, zij hebben er dus meer gedrukt. Maar kennelijk is het exemplaar uit 1840 dus echt een missende uitgave in de KB. Stel nu dat de KB het origineel of de facsimile zou willen aanschaffen, zijn ze dan beschikbaar? Bij Abebooks vond ik één vermelding van het origineel, aangeboden door Meir Turner in New York. Voor het luttele bedrag van $18.000 is het boekje te koop. Meir Turner noemt trouwens ook als jaartal 1840, hij sluit daarbij aan bij Adri Offenberg. Gelet op het hoge bedrag voor deze haggadah is het werk op een bepaalde manier zeldzaam. Op Abebooks worden verschillende haggadah's uit dezelfde periode aangeboden voor veel lagere bedragen. Wellicht is dat ook de reden dat het uitgekozen is om een facsimile van te maken. Dat hadden de kinderen van Anna en Benjamin Lifton dan beter van het exemplaar van Meir Turner kunnen maken, want op de foto is zichtbaar dat dit een veel frisser exemplaar is dan die ik nu heb. Zo is de titelpagina van mijn facsimile gevlekt, waar deze titelpagina erg fris is. Een exemplaar van de facsimile heb ik verder trouwens nergens te koop gezien. 


Rechtfertigung des Rabbi David Nieto gegen den Vorwurf in seiner Predigt Spinozas Lehre zu verbreiten 

Het tweede werkje dat in de KB ontbreekt is ook een heruitgave, alleen geen facsimile. Het gaat om een dunne gelegenheidsuitgave dat volgens de titel betrekking heeft op een 18e-eeuws debat over de invloed van de leer van Spinoza in de Joodse gemeenschap. Het werkje is nog onafgesneden en werd in 1930 in Leipzig uitgegeven in een oplage van 200 exemplaren. Het werk is via deze site integraal te lezen. Als auteur staat Chacham Zwi Hirsch Ashkenasi vermeld. Deze in 1658 in Tsjechië geboren rabbijn was vanaf 1710 rabbijn in Amsterdam. Deze rabbi was bekend in heel Europa en had grote invloed op de de ontwikkeling van de  Joodse gemeenschap in die tijd. Eén van de kwesties waar hij mee te maken had was de aanwezigheid van volgelingen van de valse messias Shabbetai Zvi (1626-1676), die zich uiteindelijk zou bekeren tot de islam. Chacham Zwi was ook na het overlijden van deze valse messias druk met het weren van allerlei opvattingen over deze kwestie in de Joodse gemeenschappen. Maar hij had niet alleen te stellen met de volgelingen van Shabbetai Zvi, maar ook met een dispuut rond de in Londen werkzame rabbi David Nieto.

David Nieto (1654-1728) werd geboren in Venetië en was vanaf 1701 rabbi in Londen. De Londense Spaans-Portugese Joodse gemeenschap was een dochtergemeenschap van de Amsterdamse. Nieto werd op basis van een prediking, en later een uitwerking daarvan in één van zijn boeken, beschuldigd een aanhanger van de leer van Spinoza te zijn, oftewel het goddelijke te ontkennen, uit te gaan van de rede en daarmee elke vorm van openbaring of profetie te ontkennen. Voor een rabbi is dat een nogal ernstige beschuldiging en het is te begrijpen dat de gemoederen hoog opliepen in de Joodse gemeenschap. Niet alleen in Londen, maar al snel in een groot deel van West-Europa. Achteraf lijkt het erop dat een aantal van de belangrijkste beschuldigingen tegen David Nieto afkomstig waren uit de kringen van - daar gaan we weer - volgelingen van Shabbetai Zvi.

Alle reden dus om raad te vragen bij een invloedrijke en gerespecteerde rabbi, te weten Chacham Zwi. Hij nam het op voor David Nieto (misschien ook wel omdat hij een verklaard tegenstander was van zijn aanklagers) en pleitte Nieto vrij van het zijn van een volgeling van Spinoza. Volgens Zwi hadden de leden van de Londense gemeenschap Nieto niet goed begrepen: hij had weliswaar in dezelfde woorden als Spinoza verklaard dat God en de natuur één zijn, maar wilde daarmee precies het tegenovergestelde punt maken: niet dat er geen openbaring is, maar juist dat die er wél is. Een levendige beschrijving van het dispuut vind je hier. Na deze interventie bleef David Nieto rabbijn in Londen, waar hij later werd opgevolgd door zijn zoon Isaac Nieto.

Het is een ingrijpende en impactvolle situatie geweest voor de Joodse gemeenschap in die tijd. Dit is de reden dat de conclusie van Chacham Zwi zo van belang is, en waarschijnlijk ook de achtergrond van deze herdruk in 1930. Deze uitgave was bedoeld voor de leden van het Soncino Gesellschaft (Engelstalige link en nog een Engelstalige link), een gezelschap Joodse bibliofielen (het eerste en enige Joodse bibliofiele genootschap, aldus verschillende bronnen) met uiteindelijk zo'n 600 leden. Opgericht in 1924, werd het gezelschap door de nazi's ontbonden in 1937, nadat het ruim 100 publicaties had uitgegeven. Ondanks de verwoesting door de nazi's van Joods cultuurgoed zijn alle publicaties van het genootschap bewaard gebleven. Ze worden digitaal beschikbaar gemaakt door de bibliotheek van het Joods museum in Berlijn. Het Soncino Gesellschaft werd onder meer door Hermann Meyer (1901-1972) opgericht en hij is dan ook, met Curt Munter, de initiatiefnemer van dit werkje.

Het is niet onlogisch dat dergelijke uitgaven bij Adri Offenberg terecht zijn gekomen. Ze sluiten prima aan bij zijn aandachtsgebied. Maar hoe zij er gekomen zijn weet ik niet en kan ik niet meer achterhalen. 

13 november, 2020

308 - Uit de nalatenschap van een bibliofiel (1)

Het nalopen van advertenties op Marktplaats biedt vaak onverwachte kansen. Ik begin er inmiddels ook redelijk ervaren in te worden - het uitvissen van advertenties met veel potentie. Zo zag ik onlangs een advertentie waar een aantal boeken in werd aangeboden die typisch zijn voor een echte boekenverzamelaar en ook nog eens voor een zeer sympathieke prijs. Uiteraard wilde ik de boeken hebben, maar ik vroeg de verkoper of er misschien nog meer interessante boeken waren, want het type boeken in de advertentie staat meestal niet op zichzelf. Dat bleek inderdaad het geval en ik werd uitgenodigd om te komen kijken en te zien of er nog wat van mijn gading bij was.

Razend benieuwd naar wat ik zou aantreffen stapte ik dat weekend in de auto, op weg naar het aangegeven adres. Ik bleek te zijn uitgenodigd in de woning van de onlangs overleden Adri Offenberg. Deze woning moest worden ontruimd en dat betekende dat ook een groot deel van de boekenverzameling weg moest.

Dr. Adri K. Offenberg is een zeer bekende naam in de wereld van het oude en bijzondere boek. Hij was oud-conservator van de Bibliotheca Rosenthaliana. Hij kwam al in 1965 in dienst van de Universiteitsbibliotheek in Amsterdam en is daar uitgegroeid tot een gezaghebbend expert op het gebied van Joodse cultuur, Joodse boeken en boekwetenschap in het algemeen. Hij heeft verschillende publicaties op zijn naam staan over zijn specialismen. Naar aanleiding van de verschijning van het door Offenberg geschreven deel 13 van de Catalogue of Books Printed in the Xvth Century Now in the British Library in 2004 werd een gesprek met hem gepubliceerd in het tijdschrift De Boekenwereld (jaargang 22 nr. 4, hier na te lezen). Hij was toen al aan het einde van zijn carrière bij de UB. In het artikel staat: 

En, dr. Offenberg, klaar? ‘Eerlijk gezegd’, vertelt hij, ‘heb ik het nu drukker dan ooit en moet ik interessante aanbiedingen afslaan. Ik rond nu dan wel mijn werkzaamheden aan de Bibliotheca Rosenthaliana af (...). Ik ga geloof ik nog even door, maar ik zal wel proberen de uiterlijke rust die ik schijn uit te stralen wat meer te verinnerlijken.’ 

Adri Offenberg bewoog zich in kringen van het genootschap van bibliofielen en diverese andere verenigingen op het gebied van boekgeschiedenis en boekwetenschap. Ik ontdekte dat hij een keer geïnterviewd is door Boudewijn Büch en hij gaf regelmatig lezingen over zijn werk. Kortom, hij bleef steeds bezig met zijn passie en deelde zijn kennis graag uit. Een mooi artikel over zijn leven en de betekenis van zijn werk is verschenen onder de titel Adri K. Offenberg. The quintessential bibliophile (pdf), inclusief een bibliografie van zijn werk van 13 (!!) pagina's. Zelfs Perkamentus heeft weleens over hem geschreven.

En nu is hij dan overleden. Een vermaard boekenman is niet meer. Het is bijna niet voor te stellen hoeveel kennis hierdoor verloren is gegaan, maar hij laat gelukkig veel van die kennis achter in zijn publicaties. 

Onvermijdelijk is er dan natuurlijk ook nog een praktische kant aan dit alles: wat gebeurt er met de bibliotheek? Bij die vraag komt mijn betrokkenheid bij de nalatenschap van Adri Offenberg in beeld. Toen ik aankwam in de voormalige woning bleek dat er veel tegelijk gebeurde: veel van de inboedel was verkocht en werd opgehaald op die dag en ik werd gewezen op de kasten met boeken. Mensen sjouwden met stoelen en bloempotten terwijl ik alleen maar oog had voor de kasten met bandjes. Gelukkig bleek dat dit niet de volledige bibliotheek van Offenberg was - dat zou ik tamelijk schokkend hebben gevonden. De belangrijkste en kostbaarste werken waren er al uit geselecteerd en blijven bewaard door de nabestaanden. Een ander deel zal worden verkocht bij Bubb Kuyper zodat deze beschikbaar komen aan andere verzamelaars én ze bij verkoop op waarde worden geschat. Maar onvermijdelijk blijven er dan nog een heleboel boeken in huis over en wat doe je daar dan mee? En al helemaal als de nabestaanden veel minder passie voor boeken hebben dan de overledene zelf. Het deed mij denken aan het jubileumboek van het Genootschap van Bibliofielen, het door Paul van de Capelleveen geschreven boek "De complete verzameling. Notities over het einde van boekencollecties". Daarin worden verschillende aspecten uit het verzamelaarsleven besproken, waaronder het eindigen van een verzameling door overlijden (en de last die dan ontstaat voor nabestaanden). Adri Offenberg wordt in dit boek trouwens nog aangehaald (p. 105).

Zoals ik eerder al schreef weet ik niet alles, maar wel veel van boeken. Ik ben daarom alle kasten met overgebleven boeken langsgegaan en het minitieus gekeken of zich daar nog kostbare titels bevonden. Die waren er niet meer, dus zowel de eigen selectie door de nabestaanden als de selectie door Bubb Kuyper waren zorgvuldig geweest. Dat wil niet zeggen dat de overgebleven boeken waardeloos waren. Misschien was hun monetaire waarde niet hoog, maar voor een bibliofiel als ik zaten er talloze interessante werken tussen waarvan zich al snel een stapeltje naast mijn voeten vormde. Offenberg bleek naast een voorliefde voor incunabelen en judaica namelijk ook belangstelling te hebben voor kleiner, marginaal, bibliofiel drukwerk. Daarnaast waren er verschillende 'boeken over boeken' te vinden. Allemaal zaken die mij erg aanspreken.

Ik mocht mijn stapeltje extra boeken voor een hele vriendelijke prijs meenemen. In volgende blogs vertel ik wat ik zoal aantrof. Op het moment van meenemen had ik niet de tijd alles nauwkeurig te bekijken, dus thuis waren er nog een paar mooie verrassingen bij. Een hele grappige vondst was de Ledenlijst van de Nederlandse Boekhistorische Vereniging uit 2005, duidelijk uit de tijd dat de AVG er nog niet was en persoonlijke informatie gewoon vrijelijk kon worden verspreid. In deze ledenlijst vond ik de namen, adressen én persoonlijke mailadressen van alle leden van de NBV. De meesten ken ik niet, maar de namen Gerrit Komrij, Frans A. Janssen, Jos Biemans en J.A. Brongers doen wel een belletje rinkelen. Ik zal de lijst op gepaste wijze vernietigen, maar ik vond het bijzonder om al deze namen bij elkaar te zien.

Na mijn vertrek hebben de nabestaanden en ik contact gehouden over wat er met het restant van de boeken moest gebeuren. Omwille van tijdsdruk is er voor gekozen om een antiquariaat te vragen om de resterende boeken over te nemen. Een andere optie was om de boeken in kleine kavels te verkopen via bijvoorbeeld Catawiki of op Marktplaats. Maar dat zou een kwestie van een lange adem zijn geweest. En waar laat je de boeken in de tussentijd? Dus dan is een antiquariaat een efficiënte keuze: het levert relatief weinig op maar je bent het dan wel kwijt. En ook op die manier komen de boeken weer beschikbaar voor andere boekenliefhebbers. 

Ik ben blij dat ik de kans heb gekregen een aantal mooie dingen mee te nemen uit de boekenverzameling van Adri Offenberg. Ik heb de nabestaanden er van kunnen verzekeren dat zijn verzameling boeken - zelfs het beetje dat ik er van gezien heb - er toe deed, fraai was en uiting gaf van grote boekenliefde. In mijn eigen catalogus geef ik altijd aan waar ik mijn boeken vandaan heb. Ik heb nu een kleine maar betekenisvolle deelverzameling met de vermelding 'uit de nalatenschap van Adri Offenberg'. Ik beschouw het als een eer dat ik een aantal boeken uit de bibliotheek van zo'n gezaghebbend, deskundig en naar verluid buitengewoon vriendelijk mens in bezit mag hebben. Waar een advertentie op Marktplaats al niet toe kan leiden! Zoals gezegd: in de komende afleveringen van dit blog zal ik stilstaan bij een paar van de boeken die op deze manier heb verkregen, want met deze herkomst is over elk boek wel een interessant verhaal te vertellen. 

30 oktober, 2020

307 - De boeken op reis en op de nieuwe bestemming

Al eerder schreef ik over een aanstaande verhuizing van mijn bibliotheek, en de rest van de inboedel. Dat was in het voorjaar van 2019. Om tijd te winnen had ik de bibliotheek alvast ingepakt. Het aankopen van een geschikt huis bleek echter nog lastiger dan het aankopen van een geschikt boek, en met het laatste ben ik beduidend succesvoller dan met het eerste. Een gekocht huis ketste af en toen we ons er eigenlijk al bij hadden neergelegd dat we niet gingen verhuizen, was daar toch ineens een geschikte woning.

Inmiddels stond de bibliotheek al maandenlang ingepakt. Ik bleek in de tussentijd steeds boeken nodig te hebben die in een van de dozen zaten. En hoewel ik de boeken goed gesorteerd had ingepakt en de dozen duidelijk had gelabeld, heb ik regelmatig gefrustreerd vergeefs dozen opengescheurd op zoek naar een boek dat ik uiteindelijk niet vond. Het werd tijd om ze uit te pakken en opnieuw te ordenen.

Het aardige van het verhuizen van een bibliotheek is dat als je de verhuizers waarschuwt dat het 'best veel' boeken zijn, zij een ander begrip hebben van 'best veel' dan ik. In de ogen van een verhuisbedrijf is 'best veel' boeken maximaal een doos of 10. Als zij dan een kamer zien met ruim 100 boekendozen, moet zelfs de meest ervaren verhuizer toch even slikken. Zeker omdat ik er argwanend bij sta te kijken als de dozen worden verplaatst: het is niet de bedoeling dat mijn boeken beschadigd aankomen op de nieuwe plek. Het valt ook niet mee voor de verhuizers dat de dozen allemaal in de verste zolderkamer staan, zodat ze allemaal al flink wat spierkracht vragen voordat ze überhaupt in de verhuiswagen staan.

Maar uiteindelijk verliep de verhuizing vlekkeloos. In mijn gedachten was de beoogde werkkamer/bibliotheek in die periode steeds kleiner geworden en ik was bang dat ik het overschot aan boeken op allerlei onduidelijke plekken in huis zou moeten opbergen. Na de verhuizing was de helft van de kamer gevuld met opgestapelde boekendozen - plus alle andere spullen waarvan we op dat moment even niet wisten waar we het moesten laten. Het zou nog een hele uitdaging worden om daar een mooie bibliotheek van te maken.

Wat niet hielp was dat we ondertussen in de coronacrisis terechtkwamen. Mijn werk piekte en de noodzakelijke vrije tijd om de boeken te laten wennen aan hun nieuwe woonplaats ontbrak. Het zou uiteindelijk tot de zomer duren - ruim een jaar na het inpakken van de boeken - dat ze allemaal op hun plek in de bibliotheek stonden.

Maar wat een fijne plek is het geworden! De beoogde kamer bleek in werkelijkheid toch veel ruimer dan ik vreesde. De 10 billy's (mét opzetkasten) kunnen er ruim in. Daarnaast zijn er nog wat losse, kleinere kastjes met boeken, een werkplek en dan is er zelfs nog genoeg loopruimte. Sterker nog: met wat handig verplaatsen kan er tzt nog wel een kast bij, dus voorlopig heb ik ruimte genoeg.

Het betekent dat ik mijn boeken ook weer eens goed heb kunnen ordenen, zodat de deelverzamelingen tot hun recht komen. En het allermooiste: er is ruimte voor een klein vitrinekastje, waar ik de boeken die het meeste voor mij betekenen c.q. de hoogtepunten van mijn favoriete schrijvers in kwijt kan.

Dit is de vitrinekast. Op de bovenste etage staat onder meer mijn incunabel (lees er hier meer over en hier ook), het boekje van Van Westreenen dat ik in de boedel van mijn overleden oom vond (zie hier) en het cadeau van Adriaan van Dis (lees hier). De plank daaronder o.a. de eerste druk van Nescio (hier beschreven), de luxe uitgave van Tommy Wieringa (zie hier) en een uitgave van Jan van Herreweghe (het houten boekobject). Op de plank daaronder boeken zoals de bibliofiele Bordewijk (zie hier), de multigesigneerde uitgave van Het Nationale Toneel (mooie marktplaatsvondst), de roman van Marcel Möring waar ik aan mocht meewerken en natuurlijk de gesigneerde Holbrook Jackson (veilingkoop). De onderste plank lijkt leeg, maar is het niet: mijn onzichtbare boek (lees er hier over) past daar precies in, het lijkt wel alsof het vitrinekastje er voor is gemaakt. 

Wat er in zo'n vitrinekastje komt is altijd een arbitraire keuze. Het biedt mij in elk geval gelegenheid om bezoekers van de bibliotheek in kort bestek mee te nemen in mijn passie: waarom verzamel ik boeken en welke boeken verzamel ik wel en niet. Ondanks corona komt er natuurlijk best veel aanloop in het nieuwe huis en krijgen veel mensen ook een rondleiding. Dus enig toelichting is wel nodig. De meeste bezoekers komen niet verder dan het vitrinekastje en het werpen van een blik in de rest van de kamer onder het uitroepen "wat veel boeken!". Meestal gevolgd door: "heb je die allemaal gelezen?". Het antwoord dat ik geef ontleen ik meestal aan de column van Umberto Eco die hierover schrijft (in "Hoe rechtvaardig je een persoonlijke bibliotheek", opgenomen in Op reis met een zalm). Het is immers - hoe oprecht ook gesteld - toch een onzinnige vraag die een onzinnig antwoord rechtvaardigt. In navolging van Eco zeg ik dingen als "Ik heb er nog geeneen van gelezen, waarom zou ik ze anders hier hebben staan?" of "Nee, dit zijn de boeken die ik deze maand nog moet lezen, de andere staan elders". Dat is meestal genoeg om de bezoeker in verwarring achter te laten.

En dan de rest van de bibliotheek. Ik heb de boeken als volgt geordend:

Allereerst de kast met bibliofiele uitgaven. Hierin staan al mijn uitgaven van Stichting de Roos (de complete serie, behalve de Escher) en daarnaast een hele serie 'overige uitgaven' van De Roos zoals nieuwjaarsuitgave of speciale uitgaven voor leden. Daarnaast bevat deze kast de complete serie bibliofiele nieuwjaarsuitgaven van Zetcentrale Meppel die ik zo'n 13 jaar geleden op Marktplaats vond. Mijn recente aankoop van de Crawford-deuren reeks staat er ook in, hoewel dit niet per se een bibliofiele uitgave is - maar waar laat ik ze anders? Naast dit alles staan er nog wat losse bibliofiele uitgaven en op de onderste plank verschillende delen uit de Gouden Reeks van Atheneauem Polak & Van Gennep. Ik hoop die reeks binnenkort uit te breiden, mede aan de hand van het fantastische overzicht van Danny Habets, en dan moet ik een andere plek zoeken want de kast is vol. Bovendien is ook de Gouden Reeks niet echt bibliofiel, dus sowieso moet hij ergens anders.

De volgende kasten worden gedomineerd door de boeken over boeken: de bovenste vijf planken van elke kast bevatten deze deelcollectie, in totaal dus circa 7 meter. Daaronder staan dan  onder meer de poëzieuitgaven, theaterteksten en de klassieke auteurs. Die laatste zijn voornamelijk boeken uit de Ambo Klassiek-reeks en van Athenaem Polak & Van Gennep. 
De overige boeken - Nederlandse fictie en fictie van buitenlandse auteurs - staan in 5 kasten die in de vorm van een gangetje zijn neergezet, zodat je echt tussen de boeken kan staan. Ik moet daar alleen nog iets aan de verlichting doen, want het is een beetje donker, maar het is een mooi plekje waar alle boeken kunnen staan. Tussen de standaardplanken van de billy's heb ik extra planken gevoegd, zodat een standaard billy niet zes, maar acht planken heeft. Weliswaar kunnen niet alle boeken nu rechtop staan, maar ik heb wel 10 planken extra en zo kan ik alles goed kwijt. Ruim 34 meter fictie staat tot mijn beschikking. Een laatste kast bevat verschillende series: alle literaire juweeltjes, de uitgaven van de slibreeks en verschillende reeksen van CPNB-uitgaven (zoals van de Maand van de geschiedenis of de Maand van het spannende boek). 
Het is een mooie uitstalling van boeken. In de hoek van de kamer staat mijn bureau en dat is mijn thuiswerkplak. Vanaf mijn stoel kan ik de meeste boeken zien. Als ik tijdens het werk even een moment pauze neem ben ik omringd door mijn vrienden die naar mij terugkijken vanaf hun comfortabele plek in de nieuwe bibliotheek, waar ze ruim kunnen ademen en hopelijk veel nieuwe vrienden kunnen verwerlkomen.