30 september, 2022

336 - Bibliofiele Bordewijk-uitgaven

Ferdinand Bordewijk (1884-1965) is een schrijver van een breed oeuvre waarbinnen zich niet bijster veel bibliofiele uitgaven bevinden die tijdens zijn leven zijn verschenen. Hij beschouwde zijn schrijverschap  als zijn secundaire beroep: “Ik ben eerst advocaat, dan schrijver”. Wellicht dat dit effect had op het beperkte aantal bijzondere uitgaven van zijn werk. Toch is er in de loop van de jaren - postuum - genoeg verschenen om er een aanzienlijke stapel van te maken. Recent heb ik weer een mooi bibliofiel exemplaar gekocht en dat is een goede gelegenheid om een aantal van deze uitgaven op een rijtje te zetten. Ik doe dat overigens niet chronologisch, maar in een willekeurige, maar wel geordende, volgorde die geen diepere betekenis heeft dan dat ik ze op deze manier uit de kast heb gehaald.

Allereerst is natuurlijk de vraag: wat is eigenlijk een bibliofiele uitgave en wanneer mag je een uitgave als bibliofiel beschouwen? Niet elk schaars werkje is meteen bibliofiel (al wordt dat wel vaak gezegd) en niet elk bibliofiel werk is schaars. Er zijn verschillende definities van bibliofiele werken, maar ik leen van Perkamentus een citaat uit een werk van Aat Vervoorn, met de toepasselijke titel Een bibliofiel boekje. Aat hanteert de volgende definitie:

een uitgave die op grond van typografische verzorging en/of boekband bijzondere waarde heeft voor boekenverzamelaars; vaak in beperkte oplage, al dan niet genummerd

In dit overzicht probeer ik zo dicht mogelijk bij die definitie van bibliofiele uitgaven te blijven. Een werk dat hier wat mij betreft dus buitenvalt, is Paarlen avond, een facsimile uitgave van een manuscript van Bordewijk, uitgegeven door de Haagse Kunstkring in 1978. In een oplage van 1000 verschenen en niet in de handel, dus je zou het bibliofiel kunnen noemen. Maar het is niet een uitgave waar heel veel bijzondere zorg aan is gegeven qua typografie of band: het is een gewone paperback op A4-formaat, maar niet meer dan dat. Desondanks blijft deze uitgave tot op de dag van vandaag inspireren. Ik focus hieronder echter vooral op de bijzondere uitgaven in mijn bibliotheek die duidelijk als bibliofiel mogen worden gekenmerkt.

Naast de verspreide bibliofiele uitgaven van verschillende drukkers en uitgevers, bestaan er ook nog de uitgaven die de laatste jaren zijn verschenen bij het Bordewijk-genootschap. Dit genootschap ijvert voor het vergroten van de belangstelling voor het werk van Bordewijk (en zijn vrouw, de componiste Johanna Bordewijk-Roepman). Voor de leden van het genootschap verschijnen geregeld publicaties die als bibliofiel mogen worden beschouwd gelet op de beperkte oplage, de zorgvuldige productie en de exclusieve verspreiding. Maar aangezien ik geen lid ben van het genootschap bezit ik die uitgaven niet. Wel bezit ik enkele aan het genootschap gerelateerde uitgaven, zoals hieronder blijkt. Waarschijnlijk zal ik de genootschap-uitgaven in de toekomst wel bezitten, want ze verschijnen vast een keer op een veiling en dan sla ik toe. Ik zal in deze blog tegen die tijd een aanvulling opnemen om van dit heugelijke feit verslag te doen. Maar in onderstaand overzicht ontbreken deze uitgaven nu nog.

Nieuwste aankoop: Bloesemtak (1991)

Laat ik beginnen met het voorstellen van mijn jongste aanschaf, de bibliofiele uitgave van Bloesemtak uit 2002. Dit exemplaar werd uitgegeven door De Distelkamp & Arethusa Pers, als 162e uitgave van deze pers. De oplage bedraagt 125 exemplaren, waarvan 115 Arabisch genummerd (ik heb nummer 79). Het boek is gebonden in half marokijnleer met batikpapier voor de platten, en voorzien van zijden kapitalen. Het boek bevat vijf etsen, vervaardigd en gedrukt door Wim van der Meij. Het zetwerk (lood), het drukwerk en het bindwerk is vervaardigd door Geert van Daal in zijn Atelier De Distelkamp.

Naast dat ik Bloesemtak een van de mooiste romans van Bordewijk vind, is dit in alle opzichten een prachtige uitgave. Een robuust boek, met veel liefde gemaakt en met schitterende details. Het stond al een hele tijd op mijn verlanglijstje en toen het recent bij Catawiki werd aangeboden sloeg ik toe. Vervolgens bleek ik het rechtstreeks van Geert van Daal te hebben gekocht, wat deze aankoop alleen nog maar meer bijzonder maakt.


Verschenen tijdens het leven van Bordewijk

Zoals ik hierboven al aangaf is het aantal bibliofiele uitgaven van Bordewijk niet heel groot, en de meeste daarvan zijn na zijn dood verschenen. Maar enkele bijzondere uitgaven verschenen nog tijdens zijn leven, veelal als luxe uitgaven die naast handelsedities verschenen. Er is echter een uitzondering, en dit is direct misschien wel een van de meest zeldzame Bordewijk-uitgaven. Het is de aparte uitgave van het verhaal Mijnheer Pem heeft een droom uit de bundel Tien verhalen.

Mijnheer Pem heeft een droom

Ik leerde voor het eerste over het bestaan van dit boek via Reinder Storm, tijdens een Bordewijk-symposium in de Koninklijke Bibliotheek. Hij vertelde hoe hij als een detective het spoor volgde van deze uitgave om deze uiteindelijk bij de maker zelf te vinden en uiteindelijk toe te voegen aan de KB-collectie. Ik schreef er destijds een blog over, waarbij ik hetzelfde spoor als Storm volgde naar de oorspronkelijke maker van het boekje, Harry Tuinhof in Wormerveer. Voor mij een makkie, omdat Storm de wegwijzers al had neergezet. De conclusie van toen was echter dat het boekje veel te duur voor mij was en ik heb het daarom niet gekocht. Maar tot mijn grote vreugde werd een exemplaar binnen een jaar aangeboden op Marktplaats, en van daar af was het nog maar één stap naar mijn bibliotheek. Sindsdien heb ik trouwens nooit meer een exemplaar ergens aangeboden gezien.

Mijnheer Pem heeft een droom is door Harry Tuinhof gemaakt bij wijze van proef voor zijn grafische opleiding. Het boekje is nooit bedoeld geweest voor publicatie en onbekend is hoeveel exemplaren er van zijn, maar het zullen er niet veel zijn.

 

Het is trouwens niet zo dat
Mijnheer Pem heeft een droom de heilige graal van een Bordewijk-collectie is. Dat is zonder twijfel de bundel Paddestoelen uit 1916, het debuut van Bordewijk dat verscheen onder het pseudoniem Ton Ven. Ik ken één particulier die dit bundeltje heeft, en dat is Robert Gaarlandt - de meest bekende Bordewijkverzamelaar en tevens oprichter van het Bordewijk-genootschap. Hij heeft zijn collectie zelf beschreven in een mooie catalogus ter gelegenheid van een tentoonstelling van Bordewijk-uitgaven in 2007 in de Pieterskerk in Leiden. Ik heb het dichtbundeltje in zijn collectie mogen zien en het is een bijzondere ervaring om dat mee te maken. Overigens heb ik al eerder geschreven dat de collectie van Gaarlandt elke aspirant Bordewijk-verzamelaar wanhopig maakt: de man heeft alles, van alles het mooiste en ook nog verschillende unica die per definitie onverkrijgbaar zijn (zoals het auteursexemplaar van Karakter). Maar voor wie over de schok van de Gaarlandt-collectie heen is, zoals ik, is er nog heel wat aardigs te verzamelen. Als je maar niet de illusie hebt dat je ooit compleet bent, of in de buurt komt van wat Gaarlandt bezit.

Een uitgave van Bordewijk die uiteindelijk misschien nog wel zeldzamer is dan Paddestoelen (d.w.z. de uitgave uit 1916, want in 1961 verscheen Paddestoelen opnieuw, alleen met een andere inhoud) is de uitgave Marion Quinn uit 1924. Na lezing van een eerste versie van dit blog merkte Reinder Storm op dat ik deze titel was vergeten te noemen. Dat had ik in eerste instantie bewust gedaan, vanwege het volstrekt unieke karakter (en daarmee de onbereikbaarheid) van dit werk. Dit is uiteindelijk toch een blog die over mijn boekencollectie gaat en ik schat in dat het al moeilijk wordt om ooit aan een exemplaar van Paddestoelen (1916) te komen. Maar een exemplaar van een boek waar er maar één van bestaat wordt wel heel lastig… Maar de suggestie van Storm is terecht: dit boek hoort toch in dit overzicht thuis.
Tijdens de bijeenkomst waar ik hoorde over het bestaan van Meneer Pem heeft een droom hoorde ik dus ook over de merkwaardige uitgave Marion Quinn. Het verhaal hierover verscheen ook in De Parelduiker. Deze uitgave werd in 1984 geschonken door een particulier aan het Letterkundig Museum en kwam later bij de KB terecht. Maar de titel werd in geen catalogus, fondsoverzicht, literatuurlijst of wat dan ook genoemd. Wat was dit voor uitgave? Naspeuringen wezen uit dat dit verhaal het eerste was in Bordewijk’s derde bundel Fantastische vertellingen uit 1924 en dat hier waarschijnlijk een “titeluitgave” van was gemaakt: losgesneden uit de bundel, titelpagina ervoor, bandje erom en klaar is de nieuwe uitgave. Dat kon met dit verhaal omdat het vooraan de bundel stond, dan begint de paginanummering ook logisch bij 1. Met het tweede verhaal gaat het niet meer, omdat je dan een boekje maakt met een paginanummering die begint ergens bij 138. Desondanks resteren nog genoeg vragen. Waarom is dit gedaan? Welke rol speelde Bordewijk zelf hierbij? Hoeveel exemplaren van Marion Quinn zijn er gemaakt en hebben de tijd overleefd? Titeluitgaven worden namelijk meestal van restanten van de oplage gemaakt, de oplage van deze derde bundel was 600. Hoeveel daarvan bleven onverkocht en werden versneden?  In welk jaar is dat eigenlijk gebeurd (ook omdat bekend is dat in 1941 de onverkochte exemplaren van de tweede en derde bundel Fantastische Vertellingen in 1941 naar Nijgh en Van Ditmar gingen).Wat is er met de andere twee verhalen gebeurd? Zwerft ergens in een tweedehandsboekwinkel in Nederland in een duister hoekje nog een exemplaar van Marion Quinn rond? Bestaat de kans dat een tweede exemplaar ooit de weg vindt naar mijn bibliotheek?

Twee Bezige Bij-uitgaven

In en net na de oorlog verschenen twee uitgaven bij De Bezige Bij, waarover ik twijfelde of ik ze bibliofiel kan noemen, maar die ik toch in dit rijtje opneem: ik kan afvinken dat ze in beperkte oplage en genummerd verschenen en een verzamelwaarde hebben. De uitgaven zijn ook bijzonder qua boekband, dus ze komen door de selectie. Bovendien waren de series waar ze in verschenen door De Bezige Bij bedoeld als bibliofiele reeks.

In 1944 verscheen de uitgave Verbrande erven in beperkte oplage illegaal onder het pseudoniem Emile Mandeau in de serie Quosque Tandem (ik heb nummer 69 van 525 exemplaren). Dit verhaal werd later opgenomen in de bundel Bij gaslicht. De Bezige Bij startte in 1943 met de reeks Quousque Tandem, met als logo de letters QT. De boekverzorging was in handen van binderij Danner uit Utrecht. Papier werd geleverd door Van Gelder papiergroothandel. De QT-reeks bepaalde het gezicht van de Bezige Bij tijdens de oorlog. De serie bestond uit vijftien mooie, kostbare boekjes waar de mensen nogal wat geld voor over hadden omdat ze anders toch weinig met hun geld konden doen. Op initiatief van het Bordewijk-genootschap is van deze publicatie in 2016 een fotografische herdruk verschenen bij het Fonds Historische Publicaties in Schiedam (het verhaal speelt immers volledig in Schiedam). Ook deze heruitgave verscheen in een oplage van 525.

Na de oorlog startte De Bezige Bij met tweede bibliofiele serie, dit keer onder de naam Tandem Aliquando. In de aanbiedingsfolder van De Bezige Bij van eind 1945 staat: 

Quousque Tandem, Hoe lang nog, in oorlogstijd door ons uitgegeven, thans gevolgd door Tandem Aliquando, Eindelijk dan toch, in vrijheid. De reeks staat onder redactie van Anton van Duinkerken en Halbo C. Kool. In deze serie zal werk verschijnen van bekende Nederlandsche auteurs.


Wim Schouten beschrijft in zijn herinneringen in Een vak vol boeken hoe deze tweede serie geen succes werd, daarvoor was het teveel een allegaartje van verschillende uitgaven. Uiteindelijk verschenen slechts enkele uitgaven in de reeks, waaronder in 1946 Veuve Vesuvius. Deze uitgave werd geïllustreerd door Fiep Westendorp. Ook dit keer bestond de oplage uit 525 exemplaren (waarvan nummer 323 bij mij staat). Veuve Vesuvius werd later nog een keer heruitgegeven als kleine pocket. 

Luxe uitgaven

Van verschillende reguliere Bordewijk-uitgaven zijn bij het verschijnen tegelijkertijd luxe-opgaven verschenen. Gelet op de bijzondere zorg die er aan deze uitgaven is besteed en de beperkte oplage beschouw ik ze als bibliofiel. Hiervan bezit ik er drie:

Haagse mijmeringen - dit bundeltje is sowieso al een enigszins speciale uitgave. Het verscheen namelijk in 1954 ter gelegenheid van het 100-jarig bestaan van de ‘s-Gravenhaagsche Boekhandelaren Vereniging. De oplage was echter vrij groot: 12.500 exemplaren volgens het colofon. Dit boekje is dan ook verre van zeldzaam en wordt tot op de dag van vandaag in menige uitverkoopbak van antiquariaten neergezet. Het is een eenvoudige paperback op klein formaat. Maar naast de handelsuitgave verschenen er ook nog 150 luxe exemplaren, gebonden met stofomslag en op beter papier. Ik heb een van die 150 exemplaren, die ook nog eens gesigneerd is door Bordewijk - iets wat sowieso niet zo vaak gebeurt. Ik kocht mijn exemplaar in 2012 bij Bubb Kuyper.

Tien verhalen - Ook voor de bundel Tien verhalen geldt dat het in de basis al een niet-reguliere uitgave was, maar ook verre van zeldzaam. Deze bundel werd in 1956 uitgegeven door Elseviers Weekblad in een onbekende oplage, als vrij goedkope paperback. Je kunt geen kringloopwinkel voorbijlopen of er staat een exemplaar (of van een van de andere door Elseviers Weekblad goedkoop uitgegeven boeken zoals Schuim en asch van Slauerhoff of Voorbijgangers van Top Naeff). Maar naast de reguliere uitgave verscheen ook hiervan een  luxe uitgave, in steviger omslag en genummerd. Van de honderd exemplaren heb ik nummer 55.

Vertellingen van generzijds - De laatste luxe uitgave die ik heb, verscheen in 1950. De bundel Vertellingen van generzijds is weliswaar een luxe editie, maar niet eentje die tegelijkertijd met een handelseditie verscheen. De uitgave van 1950 is zeker bibliofiel te noemen: gedrukt op fraai papier, voorzien van een papieren omslag en met een kartonnen foedraal (die meestal ontbreekt vanwege de kwetsbaarheid), in een oplage van 350 genummerde exemplaren (waarvan ik nummer 29 heb). De handelseditie van deze bundel verscheen 11 jaar later, in 1961. Het is mij niet duidelijk waarom de verschijning van de bundel in 1950 is beperkt tot 350 exemplaren. Het colofon geeft er geen uitsluitsel over en wat speurwerk in de bibliografie van Bordewijk bracht mij ook niet dichter bij het antwoord. Ik zie in Delpher wel verschillende recensies van de bundel alsof het een regulier verschenen werk is, dus niet bij bijzondere gelegenheid. Waarom zou Bordewijk deze toch redelijk exclusieve uitgave zo hebben laten verschijnen?

(‘t Ongure) Huissens

Er zijn literaire werken die vaker dan andere worden uitgegeven. Dit geldt voor meer schrijvers: er zijn verhalen die steeds in allerlei verschillende uitgaven terugkomen. Voor Bordewijk geldt dit voor het verhaal Huissens. Dit verhaal verscheen voor het eerst in september 1935 als novelle in de reeks van De Vrije Bladen, toen nog met de titel ‘T Ongure Huissens. Vervolgens werd het opgenomen in de verhalenbundel De wingerdrank uit 1937. In die bundel staat trouwens ook het verhaal IJzeren Agaven, dat eveneens in de reeks De Vrije Bladen werd uitgegeven, en het verhaal Keizerrijk dat ook al later apart is uitgeven. De wingerdrank is echt een bundel met ‘greatest hits’, zou je kunnen zeggen. Maar Huissens spant de kroon qua aparte uitgaven.

In 1965 verscheen Huissens als aparte uitgave bij Stichting de Roos. Het werd een bijna vierkant boek, in linnen gebonden. Deze uitgave werd geïllustreerd door Mart Kempers en de typografie was van H.P. Doebele. Zoals altijd verscheen deze in een oplage van 175 genummerde exemplaren. Uit de catalogus van Fokas Holthuis leen ik de opmerking dat Bordewijk zelf uiterst tevreden was over deze uitgave, blijkens een knipsel uit het Nieuwsblad voor de Boekhandel van 25 maart 1965: “Voor de illustraties door Mart Kempers weet ik maar één kwalificatie: geniaal”.

In 1982 verscheen postuum wederom een bibliofiele uitgave van het verhaal, ditmaal bij Nijgh en Van Ditmar. Tegelijkertijd met een handelseditie van 3000 exemplaren verscheen een bibliofiele editie in een oplage van 200. Deze was genummerd (ik heb nummer XX) en gesigneerd door illustrator Kurt Löb. 

De Roos-uitgaven

Verschillende bibliofiele uitgaven van Bordewijk verschenen bij Stichting de Roos. Ik noemde hierboven al Huissens, maar dat is niet de enige aan Bordewijk gerelateerde uitgave. In 1981 verscheen De Joodse cel, eerder verschenen in de tweede bundel Fantastische vertellingen in 1923. Bij Stichting de Roos verscheen het verhaal separaat, geïllustreerd door Karin Bouthoorn. Ook dit keer was de typografie in handen van H.P. Doebele. De “cel” in de titel staat overigens niet voor een gevangenis, maar voor een muziekinstrument.

Naast de twee aparte Bordewijk-uitgaven van de Roos speelde Bordewijk eerst nog een rol bij de uitgave Gaspard la nuit, van Aloysius Bertrand. Deze verscheen in 1956 bij De Roos, 9 jaar voordat Huissens een Roos-uitgave werd. Bordewijk schreef voor Gaspard la nuit een (Franstalige) inleiding. Het is niet zo vreemd dat Bordewijk hiervoor was gevraagd, want de bundel van Bertrand was ook voor hem een belangrijke inspiratiebron. In Bordewijk's uitgave De korenharp, nieuwe reeks uit 1951 had hij al vertalingen van 15 gedichten uit de bundel van Bertrand opgenomen. Hoewel dit wel degelijk een bibliofiele uitgave is, is het wat mij geen bibliofiele Bordewijk-uitgave. Daarvoor speelt Bordewijk hier een te secundaire rol. Desondanks mag het boek in geen enkele Bordewijk-collectie ontbreken.

Wat wel als bibliofiele Bordewijk-uitgave mag gelden is De Roos & Ferdinand Bordewijk, een jaarwisselingsgeschenk voor leden van De Roos voor 2017. Dit is de bewerkte tekst die Rickey Tax, hoofd collecties van het museum Meermanno Westreenianum, uitsprak tijdens een Literaire Brunch in de Koninklijke Schouwburg in december 2015. In vogelvlucht wordt de relatie tussen Bordewijk en Stichting de Roos / Chris Leeflang beschreven, in het bijzonder als het gaat om de drie uitgaven die ik hiervoor noemde. Tax citeert volop uit de briefwisseling tussen Leeflang en Bordewijk, maar ook met de betrokken uitgevers (waaruit blijkt dat over de publicatie van De Joodse cel nog een behoorlijk gedoe ontstond met De Bezige Bij en de erven Bordewijk).

Een laatste verbinding tussen De Roos en Bordewijk vinden we in De Roos-uitgave De drempelschroom verdrijven - Literaire activiteiten in de jaren 1932-1973 bij boekhandel Broese onder Chris Leeflang. Hierin is aandacht voor onder meer lezingen die auteurs als Bordewijk, Hella Haasse, Godfried Bomans en anderen gaven in de Utrechtse boekhandel. Maar wederom: dit is weliswaar een bibliofiele uitgave, maar geen bibliofiele Bordewijk-uitgave. Overigens bezit ik een handtekening van Bordewijk in de bundel Kristal 1935, die gezet is tijdens één van de bijeenkomsten in Broese die in deze uitgave wordt beschreven. Om precies te zijn ging het om de bijeenkomst op 2 november 1935. Ik schreef er 14 jaar geleden een blog over.

De Bosbespers

Niet alleen bij Stichting de Roos verschenen verschillende bibliofiele Bordewijk-uitgaven, ook de Bosbespers uit Oosterbeek heeft ijverig Bordewijk-uitgaven gepubliceerd. De Bosbespers is een initiatief van Rody Chamuleau. In 1982 verscheen over deze uitgeverij een artikel in Trouw, waaruit blijkt dat de uitgever zijn pers zelf als hobbyproject beschouwt, maar desondanks in hoog tempo mooie boekjes maakt. Hij heeft daarbij oog voor het bijzondere, bij voorkeur 19e-eeuws, en maakt er werk van deze ‘literaire curiosa’ te ontsluiten.  Zelf heb ik acht uitgaven van de Bosbespers, waarvan de meeste Bordewijk-gerelateerd.

De oudste titels kunnen wij mij betreft niet echt de kwalificatie bibliofiel dragen. In 1983 verscheen Vijf kleine verhalen, met een voorwoord van J.A. Dautzenberg. Op zichzelf een mooi boekje, maar wat mij betreft niet bibliofiel. Dat geldt ook voor De hoogten van Doyle, de trog van Bordewijk, een uitgave uit 1988 waarin Mieke Tillema ingaat op plagiaat in het werk van Bordewijk, aan de hand van vergelijking van de twee genoemde verhalen in de titel. Ik vind de scheidslijn tussen bibliofiel en niet-bibliofiel in dit geval lastig, omdat ook in deze uitgaven op zich bloed, zweet en tranen van een margedrukker zitten. Maar ik mis in dit geval de bijzondere typografie of band of de expliciete beperkte oplage. 

Anders wordt het met de uitgave Schaduw, Stemming en Stil Water van Elly Beukenhorst-Kamp uit 1989, over de door Bordewijk bedachte Haagse straatnamen. De auteur schrijft een uitvoerige inleiding over de achtergrond van het initiatief van Bordewijk om in 1955 in een brief aan het Haagse college van B&W een lange lijst met namen voor te stellen. Ook geeft zij de volledige lijst met de door Bordewijk voorgestelde namen weer. Ik heb dit boekje, verschenen in een oplage van 150, tijdens het Bordewijk symposium waar ik hoorde over het bestaan van Meneer Pem heeft een droom door Elly Kamp laten signeren. Een aantal voorstellen van Bordewijk is uiteindelijk overgenomen, in de Haagse wijk Mariahoeve ligt een aantal straten met Bordewijkiaanse namen, zoals Hongarenburg en Ursulaland. In Mariahoeve ligt overigens ook de Bordewijklaan.

In 2005 verscheen bij de Bosbespers Vrouwenhaar, een uitgave t.g.v. de Beurs voor Kleine Uitgevers in het Amsterdamse Paradiso op 11 december 2005. In deze bundel staan drie niet eerder gepubliceerde verhalen van Bordewijk afkomstig uit zijn nalatenschap, voorafgegaan door een inleiding van Rody Chamuleau. Ik schreef er eerder deze blogpost over. 

Twee jaar later verscheen de uitgave Dames, een nieuwjaarsgeschenk in beperkte oplage van de Bosbespers en de Ravenberg Pers. Het bijzondere van het verhaal Dames is dat het beschouwd kan worden als het debuut van Bordewijk. Dit verhaal verscheen in 1907 in het Studenten Weekblad Minerva, met als auteur ene “F.B.”. In het colofon van dit boekje staat dat “gezien de spel- en interpunctie eigenaardigheden is hier met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid sprake van het schrijfdebuut van F. Bordewijk”. Het zou nog tot 1916 duren voordat het bundeltje Paddestoelen uiteindelijk zou verschijnen.

Tot slot is hier nog Tijding van Fer te noemen, eveneens uit 2007. Het is de Bordewijk-uitgave met de kleinste oplage die ik heb, namelijk 24 genummerde exemplaren (ik heb nummer 15, helaas een paperback en niet de gebonden versie). Ook deze uitgave bevat materiaal uit de nalatenschap van Bordewijk. Ook over deze uitgave is meer te lezen in een eerder blog.

Overige bibliofiele uitgaven

Er zijn naast dit alles nog een paar noemenswaardige bibliofiele Bordewijk-uitgaven. Twee ervan zijn afkomstig van de Avalon Pers, beide uit 1984.

De eerste is Straatnamen. Net als de eerder genoemde uitgave van Elly Beukenhorst-Kamp staan ook hierin de door Bordewijk voorgestelde straatnamen voor de gemeente Den Haag centraal. In de Avalon-uitgave wordt de inleiding van Bordewijk weergegeven zoals verschenen in de rubriek "Vrij spel" in Het Vrije Volk in 1956 (te lezen via Delpher). Deze uitgave verscheen in een oplage van 100, waarvan ik nummer 6 heb. Ik zoek desondanks nog één van de 28 Romeins genummerde exemplaren.

De tweede is De publieke fotolach, een jaarwisselingsgeschenk verschenen in een oplage van 125. Dit verhaal verscheen eveneens eerder in de rubriek "Vrij spel" van Het Vrije Volk in 1956 en was nog niet eerder uitgegeven. Ook deze tekst is via Delpher te lezen. Graag zou ik van deze uitgave nog één van de 25 gebonden exemplaren bezitten.

In 1980 verscheen een geïllustreerde herdruk van het verhaal Blokken, dat eerst was verschenen in 1931. Deze uitgave verscheen in een oplage van 350 en werd ontworpen en geïllustreerd door Frans de Jong. Alle exemplaren werden door hem gesigneerd en genummerd (ik heb nummer 10). Opvallend bij deze uitgave is het glimmende paarse omslag, ook een van de kwetsbaarste onderdelen. Het omslag is gevoelig voor krasjes en vlekken dus het valt niet mee om een goed exemplaar te vinden. Een andere herdruk van Blokken is de facsimile uitgave van de eerste druk die in 1986 bij Nijgh en Van Ditmar verscheen. Enkele jaren eerder verscheen trouwens ook al een facsimile van Bint, ter gelegenheid van de 100e geboortedag van Bordewijk. Deze laatste verscheen in een oplage van 2000 exemplaren. 

Bij De Galgpers verscheen in 2011 op initiatief van - wie anders dan - Robert Gaarlandt in een oplage van 40 exemplaren het werkje Zeer geachte heer. Drie brieven. Vermoedelijk is dit de enige uitgave die ooit bij de Galgpers verscheen. Deze uitgave behelst drie brieven van Bordewijk ‘in facsimile’, gericht aan C.W. Freriks, Karel Reijnders en Ch.J. Enschedé en toegelicht in het boekje. De bijlagen bestaan uit drie met de hand uit de Schrijfmachineletter gezette brieven van Bordewijk, met behulp van scanner en printer voorzien van de oorspronkelijke briefhoofden en Bordewijks handtekening.  

De laatste bibliofiele uitgave in mijn bezit in dit blog verscheen in 2015 bij De Korenmaat in Haarlem: Oog in oog met Bordewijk van L.H. Wiener. In 2015 was het vijftig jaar geleden dat F. Bordewijk overleed. Het Bordewijkgenootschap organiseerde een herdenking, waarbij L.H. Wiener een toespraak hield, waarin hij de – bescheiden – herinneringen aan zijn ontmoeting met de schrijver vertelde, maar vooral de confrontatie aanging met het werk van de bewonderde auteur. Bint en Rood Paleis zijn de meesterwerken waardoor Wiener het meest geraakt werd en die hem de literatuur binnen trokken. Dit is helaas niet een van de 25 luxe uitgaven, maar een van de 150 reguliere uitgaven die desondanks wel door de auteur en de illustrator (het boek bevat een linoportet van Pita Snoeck) werden gesigneerd. 

Tot mijn verbazing is dit blog uiteindelijk langer geworden dan ik vooraf dacht. Ik blijk nog een behoorlijke stapel bibliofiele Bordewijk-uitgaven te bezitten. Maar ik heb er dan ook circa dertig jaar over gedaan om ze bij elkaar te krijgen. En dan nog heb ik van veel uitgaven niet de luxe gebonden uitgave te pakken. Mijn eerste bibliofiele Bordewijk-uitgave was Verbrande erven, dat ik ooit kocht bij het helaas niet meer bestaande antiquariaat Aioloz in Leiden. En de tot nu laatste is Bloesemtak. Gemiddeld kocht ik zo ongeveer elke anderhalve jaar een bibliofiele Bordewijk-uitgave, naast de reguliere uitgaven die ik natuurlijk ook heb staan. Het zal mij benieuwen hoeveel er de komende 18 maanden aan zullen worden toegevoegd. Ik hoop dat daar in elk geval de bibliofiele uitgave De zwoeger bij zal zitten. Want op deze in 1984 verschenen heruitgave in een oplage van 30 van een gedicht dat eerder in Maatstaf verscheen, heb ik nog niet de hand kunnen leggen. En als dat niet kan, wellicht een gebonden exemplaar van een bibliofiel werk dat ik al bezit.

29 augustus, 2022

335 - Oogsten op de Deventer boekenmarkt 2022 - deel 2: boeken over boeken

In mijn vorige bericht over het bezoek aan de Deventer boekenmarkt liet ik een aantal fraaie bibliofiele werkjes zien. Deze keer staan de gevonden ‘boeken over boeken’ centraal. Die scheiding tussen de twee berichten is volkomen willekeurig, al was het maar omdat ik in mijn vorige bericht al twee van de aangeschafte ‘boeken over boeken’ heb genoemd: de bibliofiele uitgave van Piet Buijnsters en het boek van Edward Wilson-Lee dat ik dankzij een genereuze mede-bezoeker heb kunnen kopen. In dit overzicht ga ik nog wat dieper op deze categorie in.

De bibliotheek van Philips van Leyden

Met heel veel plezier heb ik de studie van Robert Feenstra over de 14e eeuwse bibliotheek van Philips van Leyden gelezen. Niet toevallig is dit het onderwerp van de eerste publicatie in de reeks “In den houttuyn” die werd uitgegeven door het Leidse veilinghuis Burgersdijk & Niermans. Is de achternaam van Philips al een signaal van zijn verbondenheid met Leiden, al lezende kwam ik er achter dat Burgersdijk & Niermans is gevestigd in het voormalige woonhuis van Philips van Leyden naast de Pieterskerk, tevens de plaats waar bijna twee eeuwen de - inmiddels verloren gegane - bibliotheek van Van Leyden werd bewaard.

Het mooie van de studie van Feenstra is dat hij het leven van Van Leyden en de vorming van zijn bibliotheek plaatst in het Europa van de 14e eeuw. Het feit dat Van Leyden belangrijke kerkelijke en maatschappelijke functies vervulde en ook studeerde en doceerde aan verschillende universiteiten (zoals in Orleans) maakt dat zijn leven en werk in grote delen te reconstrueren is. Daardoor gaat de figuur Van Leyden echt leven en is ook te volgen hoe en waarom hij zijn bibliotheek samenstelde.

Als het woord “bibliotheek” valt is het verleidelijk te denken aan een grote verzameling boeken, bijeengebracht in verschillende zalen en gesorteerd in fraaie hoge boekenkasten. Maar niets van dat alles is waar: de meest realistische schatting is dat zijn bibliotheek uit enkele tientallen banden bestond (met soms meerdere titels per band). Feenstra laat zien dat desondanks een dergelijke bibliotheek in onze streken in die tijd ongeëvenaard was en van internationale allure. We hebben het immers over de tijd ver voor de uitvinding van de boekdrukkunst, de tijd van de handschriften toen het bezit van een boek - laat staan enkele tientallen - voor vrijwel iedere particulier onbereikbaar was.

Philips van Leyden heeft in zijn testament vrij precies beschreven wat er met zijn boeken moest gebeuren en wie er toegang toe mocht hebben. Boeken mochten alleen ingezien worden, nauwelijks geleend, en er moesten waarborgsommen betaald worden als dat toch gebeurde. In het testament worden zijn boeken uitvoerig beschreven waardoor bekend is waaruit de bibliotheek bestond. Op dit moment is er echter nog maar één boek uit die bibliotheek bekend, dat gelukkig wel in de Leidse universiteitsbibliotheek wordt bewaard.

Gedenkplaat Philips van Leyden, aangebracht
door het dispuut dat zijn naam draagt
Dat juist Robert Feenstra over Philips van Leyden schreef is niet onlogisch. Feenstra was hoogleraar Romeins recht aan de Uinversiteit en ook Van Leyden heeft rechten gestudeerd. Feenstra is expert in het recht dat Van Leyden studeerde en doceerde in zijn tijd. Van mijn tijd aan de RUL herineer ik mij dat ik ook het vak Romeins recht volgde en volgens mij aan de hand van een boek van Feenstra. Of ik college bij hem heb gevolgd weet ik niet meer, maar ik weet wel dat ik Romeins recht met voorsprong het saaiste en onbegrijpelijkste vak van mijn studie vond. Nu ik dit werk over Philips van Leyden heb gelezen heb ik daar met terugwerkende kracht spijt van: Feenstra weet boeiend te vertellen en maakt nieuwsgierig naar de inhoud van de boeken van Van Leyden.

De bibliotheek van Columbus’ zoon


Een ander boek dat een bibliotheek en diens eigenaar op een fascinerende manier plaatst in de tijd, is het eerder genoemde boek van Edward Wilson-Lee, The catalogue of shipwrecked books. Het gaat hier over de boeken van Hernando Colon, oftewel Ferdinand Columbus (1488-1539). Deze tweede zoon van Christoffel Columbus vergezelde zijn vader op enkele reizen naar de nieuwe wereld, het recent ontdekte Amerikaanse continent, maar zocht zijn toekomst uiteindelijk op ander vlak: als intellectueel, bibliofiel en speler in de Spaanse en Europese politiek. In het boek worden de reizen van Columbus naar de nieuwe wereld, de verwikkelingen rondom zijn persoon, het leven van Hernando en de relaties met het Spaanse koningshuis en de machtsstructuren van die tijd uitvoerig beschreven. Mooie en interessante context, maar het duurt dan wel een tijd voordat we eindelijk bij de boeken aankomen. Desondanks is de aanloop relevant, omdat de belangrijkste biograaf van Columbus diezelfde Hernando is en duidelijk wordt dat hij een zorgvuldig gecreëerd beeld van zijn vader heeft willen neerzetten. Veel van het leven van Christoffel Columbus is onbekend, mede door toedoen van Hernando. In de visie van vader en zoon was de ontdekking van het nieuwe continent een teken dat aan Spanje de wereldmacht was gegeven en dat het bijna een Bijbelse opdracht was om die te vervullen. Bovendien moesten de rechten van de familie Columbus op de rijkdommen uit “de West” veiliggesteld worden. Om die reden was de bibliotheek die Hernando bijeen bracht van essentieel belang. Deze moest immers die almacht van Spanje weerspiegelen en onderbouwen dat Christoffel Columbus de ontdekker van het nieuwe continent en niet de concurrerende aanspraakmakers. Daarnaast was het bewijsmateriaal in de diplomatieke strijd tussen Spanje en Portugal die de toen bekende wereld wilde verdelen, en de vraag was waar de Spaanse helft eindigde en de Portugese begon. De eeuw van grote ontdekkingen, opkomende boekcultuur, grote politieke en religieuze ontwikkelingen in Europa: in dit boek wordt de onderlinge samenhang mooi beschreven. Vanwege zijn relaties met het Spaanse hof reisde Hernando door grote delen van Europa ten tijde van de grote ontwikkelingen die zich voordeden: hij was tijdgenoot van Erasmus en Luther, bracht tijd door in Venetië en Rome maar reisde ook naar onder meer Antwerpen en Maastricht. En overal kocht hij ladingen boeken, soms honderd op een dag. Door zijn verblijf in de belangrijkste centra van boekproductie in Europa en zijn financiele middelen, kon hij zijn droom verwezenlijken. De 1600 boeken die hij kocht in Venetië gingen helaas verloren en dat zijn de gezonken boeken waar de titel van het boek naar verwijst.

Net als bij Philips van Leyden is de bibliotheek van Hernando Colon te reconstrueren door de uitgebreide beschrijving ervan die is teruggevonden. Hij vond dat een bibliotheek zonder goede beschrijving dood was. De bibliotheek van Colon was echter van een totaal andere orde dan die van Van Leyden; deze bestond naar schatting uit 15.000-20.000 banden. Ongeveer een kwart daarvan is nog over en deze boeken worden sinds 1552 bewaard in de kathedraal van Sevilla. De grote hoeveelheid boeken maakte dat Hernando ook een systeem moest uitdenken om de bibliotheek toegankelijk te maken en dus was een andere ordening nodig dan tot nu toe in Europese bibliotheken gebruikelijk was. Immers, was het leeuwedeel van de boeken tot die tijd vooral religieus van inhoud (en dan is de categorisering eenvoudiger), nu ontstonden separate collecties op het gebied van natuurwetenschappen, medische werken, geografie, etc. Ook daarin heeft Hernando baanbrekend werk verricht.

Voor mij was hij tot nu toe een totaal onbekende figuur maar door dit boek is duidelijk geworden dat hij op verschillende gebieden een belangrijke rol heeft gespeeld in de tijd van de reformatie en renaissance en geprobeerd heeft om zoveel mogelijk van die kennis te verzamelen in een universele bibliotheek.


Drie oraties van boekwetenschappers


Waar het boek van Wilson-Lee mij in de zestiende eeuw bracht, zorgde Herman de la Fontaine Verwey ervoor dat ik daar nog even bleef. Ik kocht in Deventer namelijk drie oraties (of eigenlijk tweeënhalf, maar daarover later meer) waarvan de eerste die van De la Fontaine Verwey was. Zijn oratie uit 1954 heeft de titel De wereld van het boek en is een pleidooi voor een brede opvatting van de wetenschap van het boek. Hij bepleit dat deze wetenschap verschillende perspectieven moet omvatten: de bibliografie van het boek, papier, lettertypen, versiering en illustratie, de boekband. Veel aandacht gaat uit naar incunabelen (gedrukte boeken voor 1500) maar De la Fontaine Verwey benoemt de zestiende eeuw als essentiele periode in de ontwikkeling van het boek. Ik kocht in Deventer een ander boekje van hem uit 1954 waarin hij dit verder uitwerkt. Onder de titel De geboorte van het moderne boek in de XVIe eeuw verschenen twee voordrachten die hij hield in de universiteitsbibliotheek in Amsterdam in mei 1954. 

Fontaine Verwey argumenteert dat als het gaat om de typografie in het algemeen in 16e eeuwse boeken, er veel aspecten aan te wijzen die kunnen gelden als modern (d.i. modern als in de jaren ‘50 van de vorige eeuw). Hij stelt dat lettertypes in die tijd verwant zijn aan die van de 16e eeuw. Dat de opvattingen over boekillustratie vergelijkbaar zijn met die van de 16e eeuw (waarbij in de tussenliggende eeuwen boekillustraties een heel andere rol speelde in relatie tot de tekst). Ook als het gaat om decoratie, dan is juist de soberheid die toen zichtbaar was vergelijkbaar met die van 16e eeuw, waarbij bijvoorbeeld de boeken van William Morris ten onder gaan aan een teveel aan decoratie. Met instemming haalt hij dan ook Jan van Krimpen aan, die het had over “het ondogmatische en het transparante van 16e eeuws drukwerk”. Ik heb een keer op de Tefaf in Maastricht een exemplaar van de Kelmscott Chaucer aangeboden gezien. Het is dat ik circa 1,5 ton euro tekort kwam, anders had ik ‘m - ondanks de opvattingen van Fontaine Verwey en Van Krimpen - op dat moment zeker meegenomen.

De tweede oratie die ik kocht stamt uit 1966 en is uitgesproken door Ernesto Peternolli toen hij bijzonder hoogleraar werd in de Italiaanse taal- en letterkunde in Groningen. De titel van zijn oratie: Enige beschouwingen over het werk van Italo Svevo. Ik sprong een gat in de lucht want Italo Svevo is al heel lang een van mijn favoriete auteurs. Ik herinner mij nog goed dat ruim 25 jaar geleden een collega mij het boek Bekentenissen van Zeno aanbeval en dat was zo’n boek dat een onuitwisbare indruk maakt. Daarna heb ik alles gelezen wat er van Svevo vertaald beschikbaar was. Dat is niet per se heel veel, want lange tijd had Svevo weinig succes met zijn werk. Dat veranderde pas toen James Joyce een pleitbezorger van zijn werk werd. Joyce en Svevo waren al langer bevriend en Joyce bleef Svevo stimuleren om te schrijven. Ook bracht Joyce Svevo’s werk onder de aandacht van buitenlandse uitgevers. Helaas heeft Svevo niet lang van zijn uiteindelijke succes mogen genieten. Hij stierf in 1928 door een auto-ongeluk. Het reisverhaal Een korte romaneske reis van Svevo eindigt midden in een zin. Boeken die middenin in een zin eindigen, onvoltooide werken, hebben mij altijd wel geïntrigeerd. Het komt natuurlijk vaker voor dat schrijvers overlijden tijdens het schrijven van een boek. Maar in de lijstjes met bekende onvoltooide werken - met daarin titels van Dickens, Camus en Kafka - komt Svevo wat mij betreft ten onrecht niet voor.

Peternolli beschrijft het werk van Svevo aan de hand van zijn belangrijkste romans. Mooi om zijn analyse te lezen en ik had meteen zin om weer eens een boek van Svevo te pakken, want het is alweer te lang geleden dat ik dat deed. In elk geval is dit een mooie toevoeging aan de rij Svevo’s in mijn kast.

De laatste oratie die ik dacht te kopen was van Frans A. Janssen, Auteur en drukker in de geschiedenis van de typografische vormgeving. Maar ik had niet goed gekeken: dit was slechts de losse bijlage bij deze rede waarin de illustraties zijn opgenomen. Ik moet dus nog even verder zoeken naar de rede zelf.

Overige boeken


Tot slot nog twee laatste aardige vondsten in Deventer. Allereerst de door Paul Arnoldussen geschreven kleine geschiedenis van boekhandel De oude mol in Nijmegen (tegenwoordig boekhandel Roelants). Arnoldussen beschrijft. Gestart als boekhandel van en voor de linkse studentenbeweging heeft deze boekhandel zich ontwikkeld tot een fraaie algemene boekhandel die gelukkig nog steeds bestaat. Arnoldussen beschrijft het moeizame bestaan van de boekhandel in Nijmegen vanaf de jaren ‘70 tot het faillissement in 1994, waarna het werd overgenomen door Wouter Roelants. 

De laatste uitgave is een overdruk van een artikel van J.F. van Royen met de titel Driewerf lelijk. Deze overdruk verscheen in 1994 ter gelegenheid van de opening van de grafische opstelling in het koetshuis van museum Meermanno-Westreenianum. Deze uitgave van De Uitvreter verscheen in een oplage van 170, waarvan er 50 ingenaaid werden. Mijn exemplaar is een van de 120 overige exemplaren. In dit artikel  beklaagt Van Royen zich over het Rijksdrukwerk. Hij zegt: “Want laten wij het in drie woorden zeggen: het Rijksdrukwerk is leelijk, leelijk, leelijk, d.i. driewerf leelijk in lettervorm, in zetwerk en in papier, die drie hoofdelementen, waaruit het druk-karakter is saamgesteld.”

Zoals gezegd, niet al te veel en niet al te grote publicaties dit keer. Maar wat mij betreft weer een aantal heel waardevolle aanvullingen voor mijn deel verzameling boeken over boeken. Waarmee de teller van het aantal boeken in deze collectie inmiddels op 415 staat.

14 augustus, 2022

334 - Oogsten op de Deventer boekenmarkt 2022 - deel 1: bibliofilie

Foto van @dvdmdeventer
Het was een prachtige zonnige dag waarop ik mijn debuut maakte als bezoeker van de boekenmarkt in Deventer. Het was er simpelweg nog niet van gekomen al die jaren. Het blijft een evenement dat middenin de zomervakantie plaatsvindt en vaak waren we met kinderen in het buitenland. Dus Deventer moest wachten. Maar nu was het dan zover, samen met junior ging ik los in de Hanzestad.

We hadden afgesproken dat we ons graag lieten verrassen, al hadden we natuurlijk wel een mentaal lijstje met het soort van boeken dat we zochten, alleen niet specifieke titels. Dat gold trouwens  niet voor iedereen: we zagen aardig wat bezoekers met papieren of digitale lijstjes tussen de dozen snuffelen. Op heel veel schermpjes stond LibraryThing of Goodreads open om ervoor te zorgen dat de juiste boeken werden gevonden. Vooral als het ging om uitgebreide series als Privé-domein, maar er waren ook bezoekers die heel hard op zoek waren naar ontbrekende titels voor hun collectie Danielle Steel (er zijn er 190). Maar ik ging vooral op zoek naar boeken over boeken en de bakken met ‘kleine boekjes’: gelegenheidsuitgaven, bibliofiele werkjes, nieuwjaarsuitgaven van uitgeverijen, dat soort werkjes. Junior posteerde elke keer als ze zo’n bak zag zich er pontificaal voor om ‘m voor mij te reserveren, terwijl ik steevast positie koos voor de afdeling Engelse literatuur als ik die zag. En dan was het een kwestie van elkaar appen en van plaats wisselen. En ontdekken dat je soms 50 kramen uit elkaar staat...

Sowieso was de samenstelling van de bezoekers hoopgevend als het gaat om de toekomst van het boek: enorm gemengd - jong, oud, man, vrouw en dus helemaal niet een overvloed aan witte oude mannen die boeken kopen. Zou het de invloed zijn van BookTok, en dergelijke impulsacties op Instagram? Mij viel op dat er heel veel jongeren, tieners zelfs, waren die met een gelukkige blik en armen vol boeken over de markt liepen. Het is toch bijzonder als je twee tienerjongens een serieus gesprek hoort voeren over hoe ze een serie in leer gebonden boeken in compleet hebben. Of een andere tienerjongen die een serieus gesprek voert over hoe hij het laatste deel van de serie Griekse klassieke auteurs zoekt, maar daar sowieso geen 40 euro voor over heeft… Ik kon alleen maar wensen dat ik die diezelfde zelfbeheersing had, maar ik ben intussen bereid veel te veel te betalen voor ontbrekende puzzelstukjes in mijn collectie..

De opbrengst

Uiteindelijk gingen we naar huis met twee volle tassen boeken, waarbij tot mijn schrik de stapel van junior hoger was dan de mijne. Maar ja, als je Engelstalige hardbacks inslaat versus mijn fijnzinnige bibliofiele uitgaven dan gaat het natuurlijk hard qua volume. In aantallen won ik: 24 titels heb ik mee naar huis genomen na 5 uur over de boekenmarkt gezworven te hebben. Maar vrijwel bij het eerste kraampje waar we stonden had junior een fraaie vondst. Ze zag - in de handen van een andere bezoeker - een mooie uitgave van Christina Rossetti’s gedicht Goblin Market. Toevallig haar favoriete gedicht, maar het bevond zich nog steeds in de handen van een twijfelende andere bezoeker. Er restte niets anders dan mentale beïnvloeding of de Jedi-aanpak: heel hard denken "leg neer, leg neer, leg neer" en hopen dat het effect heeft. In dit geval lukte het want de andere bezoeker besloot gelukkig het boekje niet te kopen, waarna het een prooi voor junior werd. Het bleek de heruitgave van de originele editie te zijn, door de Green Tiger Press in 1973 uitgegeven. Een mooie editie in een envelop, geprijsd voor 10 euro en gelukkig waren alle boeken 30% korting waarna het voor 7 euro van haar was. Hoewel de verkoper ook aandachtig keek naar het boekje en het leek alsof zij het eigenlijk niet kwijt wilde. Maar uiteindelijk mocht junior het tevreden in haar - toen nog lege - tas stoppen.

Ook ik had zo’n moment met  tijdelijke hartstilstand. Ik zag op de kraam van Boekhandel ABC uit Deventer twee exemplaren liggen van het boek van Edward Wilson-Lee: The catalogue of shipwrecked books - Christopher Columbus, his son and the quest to build the world’s greatest library. Verder geen zeldzaam boek ofzo, maar deze stond al wel een tijd op mijn zoeklijst en voor 5 euro kon ik het niet laten liggen. Eén exemplaar voor mij en één voor junior. Althans, dat was het plan, want een andere hand strekte zich uit en pakte beide boeken voor mijn neus weg en de eigenaar van die hand stelde tevreden vast dat het ene boek voor hemzelf was, en het andere een cadeautje voor iemand anders. Ik was verbijsterd, vooral door de gedachte dat ik ongeveer 10 seconden te laat was om dit boek te lopen. Al snel bleken dit de laatste exemplaren in de kraam te zijn en dus was mijn hoop op dit boek vervlogen. Ware het niet dat de koper van beide exemplaren terugkwam, mij één van de exemplaren gaf omdat hij het zo sneu voor mij vond. Wat een fantastisch gebaar! Evengoed was het jammer dat diezelfde man vervolgens bij de stand van de Eierland pers precies het belangrijkste werk van die kraam kocht waar ik mijn oog op liet vallen. Duidelijk iemand met dezelfde smaak als ik, die steeds een minuut sneller bij de gezochte boeken was. Ik ben hem voor dit boek dankbaar, maar heb hem vervolgens zoveel mogelijk ontweken om verdere teleurstellingen te voorkomen.

Mooie gesprekken

Het leuke van de boekenmarkt is dat er ook tijd is om gesprekken te hebben met de mensen achter de kramen: antiquairs en margedrukkers. Zo had ik een leuk gesprek met Peter Duijf van de Eierland Pers (gevestigd in Schalkhaar, dus hij kwam samen met zijn vrouw op de fiets naar de markt). Ik zag bij Hinderickx en Winderickx dat er in november 2022 een nieuw deel van het Winkeldagboek verschijnt, het derde deel intussen. Die kan direct op mijn verlanglijstje.
Tussendoor kwam ik zowaar nog familie tegen: een neef en zijn vrouw waren op zoek naar titels voor hun project om de top 100 Nederlandse literatuur volgens Goodreads te kopen en te lezen. 

Op een gegeven moment belandde ik bij de stand van AFdH uitgevers, tevens de stand van antiquariaat Abels & Mateboer.  Ongemerkt raakte ik aan de praat met Paul Abels, die vroeg of ik wellicht werk van A.L. Snijders verzamelde. Ik vond dat eerst een wat wonderlijke vraag, tot ik uiteindelijk de link legde met met het feit dat ik voor de kraam van AFdH stond. Toen ik tegen junior de loftrompet stak over het fonds van AFdH en hun werkwijze (de abonnementen) en hoe zij het werk van Snijders hebben gepromoot, vertelde Abels hoe de start van de uitgeverij is geweest en hoe ze uiteindelijk positie hebben veroverd. Ondertussen liet ik mijn oog vallen op een fraai lessenaartje waarin de bibliofiele werkjes werden aangeboden. Dit om ze enigszins exclusief te presenteren en ook om te beschermen tegen ondeskundige vingers van bezoekers, aldus Abels. In het lessenaartje zaten uiteraard veel werken van Snijders, nieuwjaargeschenken van AFdH zelf en ander fraais. Het was uit dit lessenaartje dat ik één van mijn mooiste aankopen van de dag deed.

Fijne bibliofiele werkjes

En daarmee zijn we aangekomen bij de eerste bibliofiele aankoop: de uitgave Een plaatsvervangster van Kurt Löb. Dit is een nieuwjaarsgeschenk van AFdH voor abonnees en relaties uit 2012. Van dit nieuwjaarsgeschenk werd de hele oplage gesigneerd en genummerd (ik heb nummer 390), en een klein deel verscheen als handelseditie. Maar het bijzondere van dit exemplaar is dat het in linnen is gebonden. Paul Abels vertelde dat dit één van de slechts drie in linnen gebonden exemplaren uit de oplage was. Ik zou verwachten dat die drie exemplaren dan voor respectievelijk A, F en dH zouden zijn. Of voor Löb zelf. Maar nee, er lag gewoon een exemplaar in dat lessenaartje. Voor slechts 25 euro - een prijs waarvoor de reguliere exemplaren in cahiersteek momenteel tweedehands worden aangeboden - was het van mij. Een prachtig boek, verzorgd door Martin Frijns in onberispelijke staat. Het lessenaartje had het boek goed beschermd.
Kurt Löb is een illustrator waar ik al veel werk van heb, vooral door zijn bijdrage aan de uitgaven van Stichting de Roos en natuurlijk door zijn illustraties in de reeks Russische verhalen die verschenen als nieuwjaarsgeschenken van Zetcentrale Meppel. Al met al zijn dat al 36 titels met meestal illustraties van Kurt Löb, maar soms ook door hem geschreven (zoals Bibliofiele boekillustratie vandaag en gisteren uit 1971). Als ik een uitgave zie liggen waar Löb aan heeft meegewerkt, laat ik het zelden liggen. En dan gaat het mij vooral om de kwaliteiten als tekenaar, want Abels wist ook nog te vertellen dat Löb een humeurig mens was en dat het niet altijd meeviel om met hem samen te werken. Gelukkig merk je daar als lezer niets van, dan resteert alleen de schoonheid van de tekeningen. Ik hou van zijn losse stijl van tekenen en hoe hij de sfeer van een verhaal altijd goed weet te treffen.
In deze uitgave gaat het verhaal over het thema eindigheid, herinnering en nieuw begin. Een kort verhaal, rijk geïllustreerd met zo te zien ook oudere tekeningen van Löb die bij dit verhaal passen en daarom in dit boek zijn opgenomen.

Maar ik vond meer bibliofiele werkjes, beste lezer. Zoals de uitgave Een handreiking over tijd en ruimte heen van L.H. Wiener, verschenen bij Hof van Jan in 2013, in een oplage van 300 gesigneerde exemplaren. Het werk bevat de tekst die Wiener uitspraak op 30 oktober 2012, bij de tweede verjaardag van het overlijden van Harry Mulisch, tijdens een herdenkingsbijeenkomst in de Gravenzaal van het Haarlemse stadhuis. Helaas had de vorige eigenaar haar naam in het boek geschreven - waarom zou je dat in hemelsnaam doen? Maar voor de prijs van 2 euro kon ik het desondanks niet laten liggen.

Ik zei al dat ik bij de stand van de Eierland pers was en daar kocht ik de uitgave Sluikhandel met juffrouw Duizer van Piet Buijnsters. Een gesigneerd nieuwjaarsgeschenk van het tijdschrift Boekenpost uit 2007. Verschenen in een oplage van 134, heb ik nummer 101. Uitgaven van Piet Buijnsters laat ik ook nooit liggen, met als gevolg dat ik inmiddels 17 titels van of met hem bezit. Hij heeft als boekhistoricus  een geweldige bibliofiele kennis en schrijft daar fraaie boeken over (Geschiedenis van de Nederlandse bibliofilie / van het Nederlandse antiquariaat / van antiquariaat en bibliofilie in België) waaronder ook de klassieker Het verzamelen van boeken - een handleiding. In deze uitgave vertelt hij een smakelijke anekdote over kostbare boeken van de Arnhemse antiquaar H.F. Geerts die via de dichteres Nel Benschop (die een leerling van hem bleek te zijn geweest) op de weg van Buijnsters kwamen.

Twee andere bibliofiele werkjes kocht ik vooral omdat ze er mooi uitzagen en - eerlijk is eerlijk - in de 2-euro-bakken stonden en ik ze daar simpelweg niet kon laten staan.

Allereerst tikte ik een fraaie uitgave van de Sjaalmanpers op de kop, het verhaal In de boom van A.L. Schneiders (niet te verwarren met A.L. Snijders). In 1987 verscheen dit werkje in een oplage van 115 exemplaren, waarvan 100 Arabisch genummerd en 15 Romeins. Die laatste zijn voor auteur en uitgeefster en inmiddels bezit ik nummer XIII. Helaas is het vignet met de titel op de voorkant er vanaf gevallen waardoor het toch een klein beetje een incompleet exemplaar is.
Van de Sjaalmanpers bezat ik tot nu toe één andere uitgave, namelijk het werk Een zwak voor Nescio van Nol Gregoor, dat ik 16 jaar geleden trots heb toegevoegd aan mijn Nescio-collectie. Nol Gregoor beschrijft hoe hij op een gegeven moment drie exemplaren van de eerste druk van Nescio's debuut bezit. Toen had ik zelf nog geen exemplaar daarvan, en deed het bijna fysiek pijn om dat te lezen. Inmiddels is dat gat in mijn collectie al lang gerepareerd.


De laatste bibliofiele uitgave die ik kocht is Brief uit Venetië van de Apeldoornse dichter Willem Bierman. Bierman was onder andere oprichter van het in 2015 ter ziele gegane tijdschrift Prado, waar ook A.L. Snijders nog aan heeft meegewerkt. Deze brief verscheen bij de Eikeldoorpers in 1991 in een oplage van 70 genummerde en gesigneerde exemplaren, waarvan ik nu nummer 48 heb. Het werk bevat naast de brief van Bierman een fraaie linosnede gemaakt door Doortje de Vries.
Ook de Eikeldoorpers komt tot nu toe één keer voor in mijn collectie, ik heb van deze pers het Zonnebloemlied van Adriaan van Dis, een plano-uitgave uit 2008 gesigneerd door Van Dis. Onder het pseudoniem Jan Balkon schreef Adriaan van Dis in 1988 het ‘Zonnebloemlied’. Het is ingezonden naar het clubblad van Nieuw Vredelust (= een volkstuincomplex in Amsterdam). Daarna verscheen het ook in de bundel: ‘Tuin in de branding‘.

En zo bleken al die bakken met bijzondere boekjes een paar mooie verrassingen voor mij in petto te hebben. Deventer heeft voor een paar prima en betaalbare aanvullingen op mijn collectie gezorgd. In deel 2 van mijn verslag zal ik een aantal van de 'boeken over boeken' die ik daar heb gekocht in de schijnwerpers zetten.

15 juli, 2022

333 - Gesigneerde bibliofiele historie

Een recente aankoop via Catawiki bracht mij weer terug naar een onderwerp waar ik al vaker over schreef: het ontstaan en de activiteiten van de bibliofiele Stichting de Roos. Een jaar geleden schreef ik over de aankoop van een aantal De Roos-efemera, waaronder de originele brochure uit 1945 die de oprichting van deze Stichting aankondigde en boekenliefhebbers uitnodigde om lid te worden van dit initiatief.  

In de vier pagina's tellende circulaire of prospectus wordt het voornemen om "een kring van bibliofielen te stichten" door Chris Leeflang, Charles Nypels en Bep van Wees verwoord. Deze heren waren geen onbekenden in het literaire wereldje. Ik stel ze nog even kort voor.

Drie oprichters

Van Chris Leeflang, directeur van boekhandel Broese, is zijn aanloop naar Stichting de Roos uitvoerig beschreven. Lisette Lewin schrijft in Het clandestiene boek 1940-1945 over Leeflang (p. 208): 
De boekhandelaar van Broese, Chr. Leeflang, [was] een behulpzaam verspreider voor clandestiene uitgevers en ook hij heeft aan het uitgeven zelf meegedaan, zij het belangrijk minder dan zijn Amsterdamse collega. De clandestiene uitgevers Longuevie et Gendre te Luik, N.V. Douwe Diekema's Uitgevers Maatschappij in Franeker en Broese waren in den vleze verenigd in Chr. Leeflang te Utrecht. Hij heeft zeven clandestiene uitgaven op zijn naam, die hij beschouwt als voorlopers van de Stichting De Roos, een van de weinige na-oorlogse produktieve uitgeverijen in de ware bibliofiele traditie: luxe, esthetisch verzorgde uitgaven uit de wereldliteratuur, met plaatjes van belangrijke kunstenaars, in beperkte oplage.

Over Bep van Wees kon ik een eerste instantie weinig vinden. Uiteindelijk leerde ik iets over hem uit een interview van P.J. Buijnsters met Richard Lobbes, decennialang betrokken bij het Amsterdamse filiaal van De Slegte (gepubliceerd in De Boekenwereld). Lobbes zegt over Van Wees, die een klant van hem was:
Een wat tragisch geval was G.M. van Wees, van wie ik, toen hij aan het verkopen sloeg, de indruk kreeg dat hij gechanteerd werd. Hij bezat een luxe slagerij in Utrecht, was een heel verfijnd man, nauw gelieerd aan de boekhandelaar Chris Leeflang (1904-1993) uit Utrecht, met wie (en met Charles Nypels) hij in 1945 de bibliofiele “Stichting De Roos” in het leven riep. Deze Van Wees kwam telkens met een koffertje vol voor de verkoop. Eerst moderne bibliofilie, De Roos-uitgaven en dergelijke, later grafiek en weer later een grote partij exlibris, waarvan Paul Brandt, de veilinghouder, zei: wat een sof heb je daar gekocht, nog geen vijfhonderd gulden waard. Maar alles vond niettemin aftrek. De boeken van Van Wees gingen deels naar Johan Polak.

Net als Leeflang zijn is ook van Van Wees bekend dat hij in aanloop naar De Roos actief was met bibliofiele uitgaven, en in de oorlogsjaren dus ook met illegale uitgaven. In het tijdschrift Grafiekwereld van de Nederlandse vereniging voor exlibris en grafiek verschijnt in 2019 een artikel over hem. Daarin staat:

Bep van Wees speelde in de oorlog een belangrijke rol in wat zijn vrienden 'de zachte kant' van het verzet noemen. Illegaal drukwerk en financiële steun. Zijn broer speelde een hardere rol in het verzet. Bep van Wees was niet alleen een verzamelaar van een indrukwekkende collectie bibliofiel uitgegeven boeken, maar ook een verzamelaar van kleine prentkunst. [Verzamelaars zoals Van Wees] zorgden er door hun opdrachten voor dat het Nederlands exlibris hoog in aanzien kwam te staan, ook in het buitenland.

Iemand die ex-libris voor Van Wees ontwierp was bijvoorbeeld Susanne Heynemann. Later was ze ook betrokken bij een tiental verschillende publicaties van De Roos. Een voorbeeld van de 'zachte kant' is  ook de uitgave Three Sonnets die Van Wees samen met Rosey Eva Pool maakte. Deze uitgave verscheen in 1944 in een oplage van 50 exemplaren en kende de volgende opdracht: 

Begging Shakespeare to be considerate I dedicate the Dutch version of the Sonnets XX, XCVI, CXXIX to G.M. van Wees (gesigneerd door Rosey Pool).

Een korte schets van het bewogen leven van Rosey Pool is overigens te vinden bij het Huygensinstituut (volg de link een paar regels hierboven), waarin onder meer deze passage staat: 

Rosey Pool dook onder bij verre familie in Baarn, waar ze verzetsgedichten schreef en zich in het katholieke geloof verdiepte. De onderduik viel haar zwaar. Ze verbleef korte perioden bij vrienden in de binnenstad van Utrecht, onder anderen bij uitgever G.M. van Wees. Bij hem verschenen dichtbundels van Emily Dickinson en van William Shakespeare, vertaald door Pool. Ook gaf ze les aan haar neef, Joost Jessurun, die ondergedoken zat in hetzelfde huis. In Utrecht distribueerde ze haar eigen verzetspoëzie onder leden van haar verzetsgroep.

De vraag is nu natuurlijk of Van Wees nu slager of uitgever of ex-librisverzamelaar was, of alledrie. In elk geval gaf hij niet alleen werk van Britse dichters uit, in 1944 verscheen bijvoorbeeld ook Antique, een prozagedicht van Arthur Rimbaud.

In mijn collectie De Roos-uitgaven bevindt zich trouwens een exemplaar van Hymnen uit de Bijbel (De Roos 14) gedrukt voor G.M. van Wees. Zou dit een exemplaar zijn dat destijds vanuit een koffertje werd verkocht aan Richard Lobbes bij De Slegte? Dan is het na een lange omzwerving toch weer op de juiste plek terechtgekomen, namelijk bij mij in de kast.

Over de derde oprichter van De Roos, Charles Nypels, is natuurlijk zeer veel bekend. Deze beroemde Maastrichtse typograaf en vormgever (1895-1952) behoort tot de groten in Nederlandse typografie. Opgeleid door S.H. de Roos gaf hij onder meer uitgaven van Marsman en Slauerhoff vorm, naast talloze prachtuitgaven in kleinere oplage. Nypels werd geroemd om zijn creativiteit en vernieuwing. De ruimte in dit blog is te kort om de fraaie uitgaven van Nypels te introduceren, maar nieuwsbrief 608 van Fokas Holthuis uit 2015 geeft een aardig overzicht. Nypels is dan ook zowel de naamgever geworden van de Charles Nypels foundation als van de Charles Nypels prijs. Dit voorjaar nog werd de originele Charles Nypels prijs uit 1992 (toegekend aan Harry Sierman, †2007) bij Bubb Kuyper verkocht voor 160 euro. Een mooi verslag van een bezoek aan het graf van Charles Nypels is te lezen bij Perkamentus, mede naar aanleiding van een door Aldert Witte in 1953 geschreven in memoriam over Charles Nypels. Hierin zijn verbazend genoeg een aantal grote fouten te vinden. Perkamentus leert ons dat de slotzin van dat in memoriam had moeten luiden:

De liefde voor het boek die hij mede door zijn geestdriftig woord in anderen wist los te slaan of te stimuleren, het vele schoons en in anderen zin het gedurfde en ongekende hetwelk hij ons heeft nagelaten, doen ons hem met dankbaarheid een blijvende plaats geven in de geschiedenis van de herleving der boekdrukkunst in Nederland.

Zelf bezit ik de door Aldert Witte voor Stichting de Roos geschreven uitgave Charles Nypels Meester-Drukker, dat verscheen ter gelegenheid van de opening van de herdenkingstentoonstelling over Charles Nypels in 1962 in Vianen. Daarin staat niet bovenstaande passage, maar Witte schrijft weer veel andere mooie dingen over Nypels, bijvoorbeeld dat hij "ons zal overleven in zijn meesterlijke boeken"

Maar wat was nu die aankoop?

Na deze lange inleiding heb ik de lezer hopelijk nieuwsgierig gemaakt naar mijn recente aankoop. Want natuurlijk is het op zich al interessant dat we in de aanloop naar de vorming van Stichting de Roos drie heren hebben die goed bekend zijn in het literaire en bibliofiele wereldje, een passie hebben voor mooie boeken en al volop actief waren met het uitgeven van fraai drukwerk. Wat voor mij echter nieuw was, is dat zij gedrieën concreet samengewerkt hebben in het realiseren van een uitgave ter gelegenheid van de bevrijding in mei 1945. De uitgave betreft Lettre de Charles d'Orléans à Louis XI pour solliciter la grace de Villon, menacé de la potence van Arthur Rimbaud. Verschenen in een oplage van 150 genummerde exemplaren (waarvan ik nummer 58 heb), heb ik nu voor een luttele 36 euro een door alledrie de De Roos-oprichters gesigneerd exemplaar in mijn bezit. 

Wat mij betreft is deze uitgave onlosmakelijk verbonden met de start van Stichting de Roos. Immers, in hetzelfde jaar verscheen ook de originele prospectus waarin de drie hun plannen bekend maken en waarover ik eerder schreef (en liet zien dat de inhoud op punten anders is dan in de officiële geschiedschrijving van Stichting de Roos staat). Het is niet vreemd te veronderstellen dat tegelijkertijd met het werk aan deze bevrijdingsuitgave, de plannen voor de bibliofiele uitgeverij verder werden gesmeed. Individueel hadden ze alledrie al verschillende 'voorlopers' van De Roos-uitgaven gepubliceerd maar voor zover ik nu weet nooit collectief. Deze samenwerking heeft zich vervolgens nog jarenlang voortgezet in het bestuur van deze stichting en bij het realiseren van de vele plannen die toen bestonden vanuit de passie voor het mooie boek die de drie oprichters met elkaar deelden. Zo concreet als het gezamenlijk maken en signeren van deze publicatie is de samenwerking nooit meer geworden. Maar tot op de dag van vandaag verschijnen er nieuwe uitgaven van De Roos. Wat er ook gezegd kan worden van de originaliteit van deze uitgaven (te veel heruitgaven van bestaande teksten, volgens sommigen), het feit dat over niet al te lange tijd de 200e publicatie verschijnt is een prestatie die respect verdient. 

Aangezien er nog nooit een publicatie van Rimbaud verscheen bij De Roos, maar deze Rimbaud-uitgave uit 1945 in zekere zin aan de basis van alle latere publicaties stond, zou het wat mij betreft een mooie hommage zijn om Rimbaud het onderwerp van uitgave 200 te laten zijn. Dat zou vermoedelijk ook net in een jubileumjaar zijn, namelijk rond 2025, als De Roos 80 jaar bestaat.