07 juli, 2006

103 - Smakelijke boeken

Nee, ik wil het niet hebben over Sonja Bakker, sonjabakkeren, montignaccen, Laura Esquivel of enig andere wijze waarop in boeken aandacht wordt besteed aan eten. Vandaag wil ik het hebben over het eten van boeken. Het eten van boeken kan twee vormen aannemen: het feitelijk eten van een boek (het kauwen op papier dus) en het eten van zaken die verwijzen naar boeken. Het feitelijk eten van boeken is niet zo opzienbarend, hooguit irritant, wanneer het de activiteit van allerlei ongedierte betreft: zilvervisjes, boekenwurmen, muizen en andere beesten die je liever kwijt dan rijk bent in je bibliotheek knagen al eeuwenlang aan boeken. Het wordt pas bijzonder als mensen over gaan tot het eten van boeken, een verschijnsel dat bekend staat als bibliofagie.

Bekend zijn voorbeelden uit de Bijbel, zoals die waarin de profeet Ezechiël wordt opgedragen een boekrol te eten (Ezechiël 2:8 - 3:3) evenals Johannes (Openbaringen 10:8-11). In beide gevallen smaakt het boek naar honing, maar bij Johannes brandt het vervolgens in zijn maag. Buiten deze profeten wordt bibliofagie vooral toegepast bij wijze van straf: auteurs werden soms gedwongen hun manuscript waarvan de inhoud de autoriteiten niet aanstond op te eten, het alternatief was bijvoorbeeld onthoofding. Theodore Reinking koos hier in 1644 bijvoorbeeld voor en verorberde zijn "Dania ad exteros de perfidia Suecorum" na het boek eerst gekookt te hebben. 

Het eten van zaken die verwijzen naar boeken is al met al een smakelijker onderwerp. Ik kwam erop doordat ik op de site van boekendrop terecht kwam, waar drop in de vorm van boeken wordt aangeboden. Boekendrop wordt omschreven als zacht-zoete drop in de vorm van een boekje. Ik ben dol op drop en op boeken, dat betekende dat ik deze combinatie niet kon laten liggen. Op de site staan winkels waar het te koop is, en omdat ik toch in Amsterdam was besloot ik een paar zakjes te halen bij antiquariaat JOOT, aan de Hartenstraat in Amsterdam. De adviesprijs van de zakjes is € 1,25 maar JOOT vraagt er rustig € 1,50 voor. Daarvoor krijg je dan een zakje met 150 gram drop, middelbruin van kleur en in de vorm van een op zijn rug liggend opengeslagen boek. Probeer je het boek dicht te slaan dan breekt de rug helaas, maar heb je vervolgens wel twee aparte dropjes, en dat is ook niet weg. De openliggende pagina's zijn beschreven, dat wil zeggen er staan kringeltjes op die regels moeten voorstellen. De smaak van de drop is prima, redelijk neutraal. De substantie is stevig genoeg, het is geen echt zachte drop gelukkig, maar het kauwt wel lekker weg. Kortom, ik heb met recht drie zakjes gekocht waarvan de eerste inmiddels verorberd is tijdens het schrijven van deze bijdrage. 

Het eten van boekendrop kan voortaan in het bijzonder plaatsvinden op 1 april, dat is namelijk sinds 1999 de internationale boekeneetdag. Deze dag is ingesteld door Judith A. Hoffberg en Béatrice Coron op de geboortedag van de Franse gastronoom Jean-Anthelme Brillat-Savarin (1755-1826). De bedoeling is dat allerlei lekkers wordt bereid rond het thema boek, en vervolgens gezamenlijk opgegeten. Zie deze website die aan deze dag is gewijd en waar foto's van allerlei creaties staan. Lees hier het inmiddels vermaarde essay van Blake Elskin in de New York Times over bibliofagie en boekeneetdag. Ed Schilders schrijft hier (wel even omlaag scrollen) over bibliofagie en verbaast zich over de kwestie van de beer die wel of niet een exemplaar van de brieven van Augustinus aan Hiëronymus heeft opgegeten. Waarom zou een beer dat doen? Welnu, de Bijbel laat al zien dat sommige manuscripten naar honing smaken. Smakelijk lezen! 

18 juni, 2006

102 - De gulheid van Zutphen

Onlangs moest ik voor een cursus in Zutphen zijn. Een cursus heeft op zichzelf weinig met boeken te maken: je zit in een zaal, cursisten in U-vorm, en aan de hand van een powerpointpresentatie wordt een onderwerp doorgewerkt. De enige boeken die voorbij komen zijn de cursusboeken. Maar deze keer was het bezoek in Zutphen heel speciaal, om twee redenen. De eerste reden is dat Zutphen een paar fantastische boekhandels heeft. Zutphen is klein, dus de lunchpauzes bieden voldoende tijd om een rondje boekhandels te doen. Vaste prik zijn Hautvast en Nuis en Van Someren en Ten Bosch (geen eigen website helaas), maar ook de antiquariaten Matthys de Jongh of Sigma. Ik koos deze keer voor Someren en Ten Bosch, mede door het mooie interieur. Wat mij verraste was de vriendelijkheid en gulheid in de boekhandel. Ik wist wat ik wilde hebben en kocht De Kegelwerper van Margriet de Moor en Eetgeenvlees van Hugo Brandt Corstius. Alsof de verkoopster wist dat ik nog een lange reis voor de boeg had, kreeg ik vervolgens een aantal promotie-exemplaren mee: Het verhaal Achter de horizon van Rosie Swale, een cadeautje voor als je boeken uit de Hollandia-Dominicus-serie koopt (wat ik niet had gedaan, maar toch bedankt), ter promotie van de "In een notendop"-serie het boekje Kennis in een notendop van Dap Hartmann en tot slot het verhaal Waar de herinnering woont van Cees Nooteboom. Al met al was de stapel gratis boeken net zo groot als de stapel gekochte boeken. Dat noem ik nog eens Zutphense gulheid!

Maar daarmee was het nog niet op. "Waar de herinnering woont", dat is een mooie beschrijving van een bijzondere plek in Zutphen: De Librije. Eén van de medewerkers in het cursusinstituut blijkt vrijwilliger te zijn in de Sint Walburgskerk in Zutphen. En in de Sint Walburgskerk bevindt zich de Librije. Of liever: er bevinden zich twéé Librijes, maar er is er maar één toegankelijk voor het publiek.  

De Librije is een voor Nederland unieke leeszaal uit de zestiende eeuw. Destijds door de kanunniken bedoeld om de mensen voor het "ware" geloof te behouden door hen "goede" boeken te laten lezen. De vrome studie, de “lectio divina”, was van groot belang onder meer om de nodige kennis te verkrijgen en zich te kunnen verweren tegen “dwaalleren” zoals de reformatie en om tot goed gedrag te komen. Daarom werd tussen 1561 en 1564 de Librije gebouwd. Het bijzondere aan de Librije is dat alles nog in originele staat is: de vloeren, de wanden, de boeken en de lessenaars. Er is geen elektrisch licht, geen stromend water en geen andere voorziening. Dat betekent dat je in de Librije alleen kan lezen bij voldoende daglicht; 's winters is hij dus dicht. Als je er binnenkomt waan je je in één klap in de zestiende eeuw. Er hangt een gewijde stilte en er valt een sereen licht door de ramen. De boeken - sommige in schitterende banden - liggen aan kettingen; dat was gebruikelijk in die tijd om diefstal van de kostbare boeken te voorkomen. De muren zijn maar beperkt verlevendigd met beeldjes en andere versierselen; het gaat tenslotte om de boeken. De Librije herbergt 741 titels: 7 handschriften, 85 incunabelen (boeken gedrukt voor 1500), 501 titels uit de zestiende eeuw, 134 onderwerpen uit de zeventiende eeuw en tenslotte 13 uit de achttiende eeuw. Naast schitterende exemplaren zoals een eerste gedrukt exemplaar van wetteksten van Justinianus en een eerste druk van Copernicus, "De revolutionibus orbium coelestium", herbergt men ook enkele eeuwenoude schoolboekjes, waarvan de Librije de enig bekende exemplaren bezit. Verder zijn er onder meer een handgeschreven missaal, afkomstig uit een Deventer scriptorium, maar geschreven voor het Zutphense convent Isendoorn, een tweetal liturgische handschriften uit de vijftiende eeuw. 

Bijzonder was het te zien dat ook in die tijd scholieren van alles en nog wat tekenden en krabbelden in de boekjes. Zoals de cursisten van nu ook van allerlei tekeningetjes maken in hun aantekenblok. Er zijn mooie verhalen te vertellen over de Librije. Zoals dat de bibliotheek in de vergetelheid raakte, maar in de 19e eeuw "herontdekt" werd. Er werd een bibliothecaris aangesteld (K.O. Meinsma) die in zijn dissertatie over de Librije schreef: “Want het lezen van goede boeken schenkt genot. En ‘t is beter in de boekerij zijne toevlucht te zoeken dan in gezelschappen, waar lustig de beker rondgaat.” Of hoe de boeken werden beschermd ten tijde van de Tweede Wereldoorlog, om roof door de Duitsers te voorkomen. Of over de pootafdruk in één van de vloerplavuizen. Die afdruk zou herinneren aan de legendarische jonge monnik Jaromir. Hij brak de vasten door stiekem een hanenboutje te eten. De duivel sloot hem voor een nacht op in de librije. De dichter A.C.W. Staring heeft de legende verwerkt in zijn verhaal in dichtvorm: Jaromir te Zutphen

Zoals gezegd is dit de "beneden-Librije". Er is ook nog een boven-Librije: kleiner, maar ook prachtig. In de kerk is nu een fototentoonstelling die van beide Librijes iets laat zien en de historie vertelt. Hoe mooi de Librije ook is, boeken aanraken mag er niet. Eigenlijk mag je er helemaal niets aanraken. De gedachte dat in tegenstelling tot de meeste Librijes, dit één van de weinigen in Europa is die nog zo uniek is bewaard, maakt dat je het ook niet stiekem gaat doen: een plek die als door een wonder zo mooi bewaard is gebleven, ga ik als 21e eeuwer niet alsnog beschadigen door met mijn handen aan kwetsbare boeken en spullen te komen. Het waren mooie dagen in Zutphen. En zo was ik niet de enige met mooie herinneringen aan deze stad.

28 mei, 2006

101 - Fragment nieuwe roman van Richard Osinga

Weer eens iets anders: de nieuwe roman van Richard Osinga wordt in stukjes op weblogs geplaatst. Ik heb stukje 12 gekregen (van de 300). Op 1 juni ligt het boek in de winkel, dus de komende 3 dagen is dit nog een exclusieve preview.

wembley
Dit is fragment nummer 12 van het boek "Wembley" van Richard Osinga.


Tv met Aleida


Aleida is een mooie vrouw. Ze is groot en wit als een ibis en haar vlees is zacht. Hoewel we getrouwd zijn, gedraagt ze zich bij mij als een meisje van twaalf. Ik raak haar niet aan, zij raakt mij niet aan.
Ik lach vriendelijk, maar zij kijkt weg, naar de televisie. We kijken samen naar het tv-programma, een quiz, je kunt bellen naar de televisie en vragen beantwoorden. Onderin het beeld staan bedragen. 250 euro, 1000 euro. Dat zijn de prijzen. Mooie prijzen.
De presentatrice is wulps. Ze lijkt op die vrouwen in de hoofdstad die hun huid laten bleken in dure salons. In Europa worden alle negers vanzelf wit. Kijk naar de voetballers, kijk naar Reiziger. Is dat nog een neger?
Ze lacht veel, ze lonkt naar de kijkers alsof ze ze kan zien, alsof die iets tegen haar zouden kunnen zeggen: 'Ik wil je, kom bij me.' Maar ze kan niets horen en niemand zegt iets.
Soms pakt Aleida de telefoon en toetst ze een nummer in. Ze luistert geduldig aan de hoorn, ze drukt op toetsen, wacht, luistert, drukt weer. Ze zegt niets en hangt uiteindelijk weer op. Ze zucht en kijkt naar mij. Ik glimlach. Ik weet niet of ze wel eens een prijs wint, maar ze belt steeds weer.

17 mei, 2006

100 - Onverwachte hiaten

Niet al te lang geleden schreef ik over het compleet raken van verzamelingen en mijn twijfel dat dat waarschijnlijk toch nooit echt zo is.

Die waarheid werd recentelijk onderstreept door een mailtje dat ik kreeg van een lezer. Die had mijn bijdragen over Adriaan van Dis goed gelezen en wees mij fijntjes op twee (twee!) titels waarvan hij vermoedde dat ik die waarschijnlijk niet zou hebben.

Nou, dat had deze lezer goed gezien. En zo werd ik, die tot op dat moment nogal tevreden had gekeken naar mijn collectie, ineens geconfronteerd met twee hiaten. Het waren:
  1. De uitgave "Een nieuwe politiek", uitgegeven ter gelegenheid van een politieke avond in 1998. Het betreft hier een gedicht van Van Dis. Zie hier een verwijzing naar deze avond.
  2. Het verhaal "Naar het ballet" in de afscheidsbundel van Meulenhoff-redacteur Maarten Asscher, eveneens uit 1998.
Allebei uit 1998, het jaar waarin ik volgens mijn boekhouding wel eerste drukken van "Het beloofde land" kocht en de 4-mei lezing "Een deken van herinnering", maar deze beide andere uitgaven volstrekt over het hoofd zag. Ik was dat jaar natuurlijk druk met het kopen allerlei vroeg werk, zoals de eerste bundel Fantastische Vertellingen van Bordewijk uit 1919, het proefschrift van Hugo Brandt Corstius "Exercises in computational linguistics" uit 1970 en de uitgave "Kind tussen vier vrouwen" van Vestdijk. Maar dat is geen excuus voor verontachtzaming.

Gelukkig ben ik op mijn falen gewezen. De lezer in kwestie bleek vervolgens de ideale lezer te zijn:
  • Hij stuurde mij een kopie van "Een nieuwe politiek", zodat ik in elk geval weet waar ik naar zoek. Al vind ik dit exemplaar nimmer: een gesigneerd exemplaar met een opdracht aan een vermaard links politica: een uniek exemplaar. Maar ik ben al blij als ik de reguliere uitgave vindt. Gelukkig tipte hij ook een mogelijke verblijfplaats en daarmee ben ik nu aan de slag. Totdat ik succes heb verklap ik niet waar dat is.
  • Hij stuurde mij ook een exemplaar van de afscheidsbundel van Maarten Asscher met het Van Dis-verhaal.
Werkelijk diep onder de indruk ben ik van deze geste. De lezer is namelijk een verzamelaar en verzot op mooie bibliofiele werken, dat blijkt wel uit zijn kennis van deze zeldzame titels. Voor mijn eigen gemoedsrust bleek ik nog een tegenzet te hebben. Ik zag ooit in de etalage van De Slegte in Amsterdam een soort gevouwen kaart met een tekst van Van Dis, gesigneerd ook nog. Ik liep erlangs, nam mij voor later terug te gaan om het te kopen en ben het vergeten. Tot deze e-mailconversatie, want ik vermoedde dat ik "Een nieuwe politiek" in de etalage had gezien. Dat bleek echter niet zo, wist de lezer mij te verzekeren. En nu zijn wij allebei iets wijzer over de bibliografie van Van Dis, maar kennen nu ook het bestaan van een raadselachtige andere uitgave.

Wat een geluk dat verzamelingen nooit volledig zijn.

n.b. lees hier hoe ik uiteindelijk via Adriaan van Dis zelf in het bezit kwam van "Een nieuwe politiek"

02 mei, 2006

99 - Mijlpalen

Een mens richt zijn leven in langs mijlpalen. Daarom staan we stil bij bijzondere prestaties en markeren die, zodat we zicht hebben op onze ontwikkeling of het verloop van gebeurtenissen.

Boekenzoekers kennen dergelijke mijlpalen ook. We tellen het aantal boeken in onze bibliotheek en zijn blij als we de ronde getallen passeren: 1000, 2000, 10.000... Boekengek schreef onlangs eens stukje over het passeren van het aantal van 3000 boeken. Of we zijn blij als we een collectie compleet hebben, zoals ik onlangs hier en hier beschreef over Adriaan van Dis. Een attente lezer wees mij vervolgens op een aantal gaten in mijn collectie, maar dat is eerder reden tot vreugde dan verdriet omdat de zoektocht kan worden voortgezet.

Dit weblog heeft daarom ook recht op zijn eigen mijlpalen. Terwijl ik mijn statistieken bekeek ontdekte ik dat mijn volgende bericht  het honderdste bericht van dit weblog is. Voor wie het wil weten: in het 50e bericht beschreef ik een mislukte aankoop van een boek via Marktplaats, in het 25e bericht schreef ik over het boek "To have and to hold" van Philip Blom, over verzamelaars en verzamelen en het eerste bericht ging uiteraard over het feit dat ik een blog zou starten over het verzamelen van boeken. Toen nog het eerste Nederlandse blog in zijn soort, inmiddels zijn er gelukkig verschillende bijgekomen waarin verzamelaars hun passie voor boeken beschrijven (zie voor een overzicht mijn boekenlinks).

Maar er is nog een mijlpaal. Mijn tellers laten zien dat ik inmiddels 20.000 lezers heb mogen verwelkomen op deze site. Twin-tig-dui-zend mensen die allemaal iets met boeken, met verzamelen of met een combinatie daarvan hebben. Duizenden lezers die zich met mij verheugen in mooie vondsten of verbazen over bijzondere boekengebeurtenissen. De twintigduizendste bezoeker bereikte mijn weblog op 30 april, een feestelijke dag in meerdere opzichten dus! Eerlijkheidshalve moet ik zeggen dat de eerste vier manden van het bestaan van mijn weblog geen bezoekersaantallen werden gemeten, maar veel zullen het er niet zijn geweest.

Hoe beeld je 20.000 eigenlijk uit?
In geld?


Nee, hoe mooi deze Turkse biljetten ook zijn, het moet in boeken worden uitgedrukt natuurlijk.

De Adobe Bookshop in San Francisco heeft in het najaar van 2004 kunstenaar Chris Cobb haar 20.000 boeken op kleur laten sorteren. Lees het verhaal van deze actie hier. Als je dat op je laat inwerken, ziet het er zo uit:



Dat lijkt mij het meest feestelijke plaatje voor deze mijlpalen. Jammer dat ik zelf nog geen 20.000 boeken bezit... maar 20.000 lezers is ook een mooi bezit.

99 berichten, 20.000 bezoekers: elk bericht is dus gemiddeld door 200 mensen gelezen. Aan de tweehonderd lezers die dit negenennegentigste bericht hebben doorgewerkt en weinig over boekenverzamelen zijn tegengekomen: vanaf bericht 100 zal ik mijn leven weer beteren en jullie verblijden met mijn belevenissen tussen het papier.


22 april, 2006

98 - Bijvangst

Het mooiste van het zoeken naar boeken is de bijvangst. Bijvangst, dat is de onverwachte oogst waarmee je verrijkt naar huis gaat. Het zijn de boeken die je niet op je zoeklijst had staan, maar waarvan bij nader inzien bleek dat ze onvermijdelijk tot je verzameling moesten behoren. Volgens Wikipedia gaat het om "de vangst van andere vissoorten of dieren waarop niet bedoeld gevist wordt"

Eigenlijk is de bijvangst spannender dan de hoofdvangst. Dat geldt zeker als je een specifiek boek gaat kopen omdat je op een of andere manier weet dat het boek in kwestie op een bepaalde plek aanwezig is. Er kan dan de gezonde spanning zijn dat je eindelijk, na al die tijd, het nieuwe pronkstuk in handen gaat houden, afrekenen en mee naar huis nemen. Maar je kent vooraf het resultaat van je tocht al, een verrassing zit er niet in. Als je op dat soort momenten de tijd neemt om nog even verder te zoeken in de boekenberg en een paar juweeltjes ontdekt waarvan je het bestaan niet zou hebben gekend als je niet op dat moment op die plek was geweest, is de dag weer helemaal goed.

Soms bestaat het resultaat van een zoektocht alleen maar uit bijvangst. Er zijn van die dagen dat ik in een willekeurige stad een paar antiquariaten bezoek, gewoon om eens te kijken wat hun assortiment is, hoe de inrichting is en wat voor sfeer er hangt. Ik probeer dan na binnenkomst een indruk te krijgen van de indeling van het antiquariaat – waar staat de literatuur, welke specialiteiten aanwezig, hoe is de loop van de boekenkasten – en doe een soort van check om te zien wat het prijsniveau en de kwaliteit van de boeken is. Ik bekijk dan wat er van mijn lievelingsauteurs aanwezig is en wat de prijzen zijn. De uitkomst van deze check bepaalt hoe lang ik blijf hangen en hoe gedetailleerd ik door het aanbod ga. Is de prijs/kwaliteit verhouding gunstig, dan kan het zijn dat ik met veel bijvangst naar huis ga, omdat er zich tal van gunstig geprijsde boeken bevinden die ik soms wel, soms niet kende, maar die bij nader inzien thuishoren in mijn boekenkast.

Wanneer ik naar reguliere boekhandels ga, is de bijvangst vaak afkomstig uit de bakken met boeken die opgeruimd worden. Het vergt wat geduld om daar doorheen te graven, maar niet zelden blijkt dat er tussen alle afgeprijsde pulp zich toch nog wat serieuze titels bevinden waar de boekhandel in kwestie kennelijk geen raad mee wist. Dat is mooie bijvangst, omdat je weet dat je boeken verplaatst van een plek waar ze eigenlijk misplaatst zijn, naar een plek waar ze het respect krijgen dat ze verdienen, namelijk in mijn boekenkast.

een lezende Charles Baudelaire
Afgelopen week was ik in een boekhandel om het boekje van Marcel Möring te kopen dat ter gelegenheid van de Maand van de Filosofie was verschenen, Lijdenslust. Het bleek dat de boekhandel op het punt stond te verhuizen. Dat was al de tweede keer in korte tijd dat ik in een verhuizende boekhandel terechtkom, en kennelijk is het goedkoper om in zo’n situatie boeken voor een habbekrats weg te doen, dan ze netjes in dozen in te pakken en mee te nemen naar de fonkelnieuwe boekenplanken. Maar je hoort mij er verder niet over klagen. Dit keer was de bijvangst op zich beperkt, het bestond uit drie deeltjes van de de serie “Perlouses” van uitgeverij Voetnoot, een aantal korte teksten van Franse auteurs. Voor een euro per stuk waren deze prachtexemplaren voor mij, wat mij de gelegenheid biedt om ook eens van deze auteurs kennis te maken. Als het gaat om Franse auteurs kom ik niet veel verder dan Flaubert, Camus, Sartre en Stendhal (waarmee ik alle Fransen heb genoemd waarvan ik meer dan één titel bezit) dus deze aanvulling is welkom. Nu heb ik dus ook de deeltjes 4, 5 en 6 van de serie “Perlouses” verworven, waarmee ik Jean Echenoz, Denis Diderot, Charles Baudelaire van harte welkom heet in mijn boekenkast. Ik zie dat de serie inmiddels uit twaalf deeltjes bestaat, ik vrees dan ook dat er een nieuwe collectie geboren is.

06 april, 2006

97 - Plots een Pos

Rondlopend op de boekenmarkt op het Plein in Den Haag stuitte ik afgelopen donderdag zomaar op een boek van Hugo Pos. Hoewel, niet zomaar een boek maar zijn debuut. Voor wie het niet weet: Het prozadebuut van Pos vond plaats op zijn 71e... Ik heb op één of andere manier altijd sympathie voor Pos gevoeld. Door zijn achtergrond, zijn levensverhaal, zijn manier van schrijven... ik weet het niet. Maar soms heb je gewoon een zacht plekje voor een bepaalde schrijver, en bij mij is dat Pos. 

Hugo Pos werd in 1913 in Paramaribo geboren. Zijn familie behoorde daar tot de Joodse gemeenschap. In de jaren twintig van de vorige eeuw verhuisde hij naar Nederland, waar hij in Alkmaar het gymnasium volgde en in Leiden rechten studeerde. Hij bracht een half jaar door in Parijs en maakte er kennis met artiesten en anarchisten. Na het uitbreken van de oorlog probeerde hij diverse malen te ontsnappen. Het lukte hem om via Delfzijl met de boot naar Finland te gaan, waar hij droste en van de Russische consul een visum voor Japan verkreeg. Uiteindelijk belandde hij in Engeland, waar hij een officiersopleiding volgde. Via Australië kwam hij tot slot in Nieuw-Guinea terecht. Na de oorlog hielp hij bij de opsporing en berechting van Japanse oorlogsmisdadigers; hij werd aangesteld als aanklager van oorlogsmisdaden van het Internationaal Tribunaal in Tokio. Hij was ook betrokken bij de berechting van Indonesische opstandelingen, hoewel hij later toegaf de revolutie en de motieven van de Indonesiërs verkeerd te hebben ingeschat. Hij trouwde met de Japanse Yoshiko. 

Van 1950 tot 1964 was hij werkzaam als rechter en openbaar aanklager in Suriname, later was hij ook rechter in Amsterdam en raadsheer in Den Haag. Over zijn leven en werk vertelt Pos in zijn autobiografie In Triplo (1995), die hij op uitnodiging van het Fonds voor de Letteren schreef. Voor dit boek kreeg hij de E. Du Perron-prijs. Maar hij heeft veel meer titels op zijn naam staan. Na zijn pensionering besloot Pos te gaan schrijven. Zijn prozadebuut was Het doosje van Toeti (1985), dat ik dus op de Haagse boekenmarkt vond. Maar al eerder publiceerde hij poëzie en toneelteksten. In zijn naoorlogse, Surinaamse tijd schreef hij onder de schuilnaam Ernesto Albin gedichten in het tijdschrift Soela (1963-1964) en een aantal toneelstukken, onder meer het door hemzelf geregisseerde Vive la Vida (1957). Zijn hoorspel Black and White uit deze tijd werd bekroond. Hij begon pas laat met het schrijven van proza. Zijn eerste gedichten gaf hij in eigen beheer uit, later zijn die verzameld in Een uitroep zonder uitroepteken (1987) en verschillende andere bundels. Ook was hij literair recensent van verschillende kranten. 

Met name in zijn verhalenbundels komt zijn achtergrond als rechter nadrukkelijk naar voren, zijn “rechter Pos-verhalen” werden tamelijk bekend. Weinig auteurs kunnen als hij weergeven hoe rechters denken en werken. Weinigen schrijven ook zo zorgvuldig en afgewogen als Pos. Zie bijvoorbeeld zijn verhalenbundels De ongewisse tijd (1999), Voorbij Confucius (1996) of Van het een (1992). Van het verhaal In retrospectief, uit de verhalenbundel Het mausoleum van de innerlijke vrede (1989) is een televisiefilm gemaakt. Kort voor zijn overlijden schreef Pos het verhaal De oude Stam dat op 17 november 2000 werd gepubliceerd in Trouw. Hugo Pos overleed op 11 november 2000. Zijn boeken zijn verkrijgbaar bij uitgeverij In de Knipscheer

Hier een passend kwatrijn van hem: 
Beloof me, kind, als ik van hier verdwijn 
treur niet om mij, straks bloeit weer de jasmijn 
en geurt de kamperfoelie. 
Erger zou het wezen als zij verdwenen waren, 
- ik er nog zou zijn. 

Over Pos zijn mooie anekdotes te vertellen. Bijvoorbeeld dat hij in 1998 - op vijfentachtigjarige leeftijd - het jaarlijkse schrijverstennistoernooi in Dordrecht won, waarna de wisselbeker naar hem vernoemd werd. Of dat hij mede-oprichter was van het Landelijk Bureau Discrimatiebestrijding. Hier lees ik dat hij in 1941 nadat hij in Paramaribo over zijn ontsnapping uit Nederland vertelde vijfhonderd vrijwilligers zover kreeg dat zij zich aanmeldden voor de Prinses Irene Brigade om te helpen bij de bevrijding van Nederland. Pos laat dit weten aan de Nederlandse regering in Londen, maar krijgt geen reactie omdat de minister van Oorlog bang was dat de zwarte Surinamers aanstoot zouden geven aan de blanke vrijwilligers en dienstplichtigen uit Zuid-Afrika in dit leger. Hij wordt als volgt gekarakteriseerd: Jood, neger, dichter, tenniskampioen daar moet hij het voorlopig maar mee doen (Karel van het Reve). Drie jaar geleden kocht ik mijn eerste werk van Pos, het boekje Het verlaten koninkrijk, uitgegeven door het Instituut voor leerplanontwikkeling in 1996. En sindsdien kijk ik altijd uit naar werk van hem, maar vind het maar weinig. Weliswaar staan er bij antiqbook.nl en boekwinkeltjes.nl genoeg boeken van hem aangeboden, maar dat vind ik te makkelijk. Leuker is om ze tegen te komen op onverwachte plekken, zoals donderdag in Den Haag. Net zoals je hem niet vaak vindt tussen de tweedehands boeken is Pos ook niet de meest aanwezige schrijver op internet. Maar op deze site vind je een radioportret van hem en op deze site heeft Michiel van Kempen een prachtig portret over hem geschreven. 

30 maart, 2006

96 - Filosofie in de schaduw van de Boekenweek

De stofwolken van de Boekenweek zijn nog maar nauwelijks opgetrokken, of we kunnen weer rechtsomkeert maken naar de boekhandel. Immers, vanaf aanstaande vrijdag barst de "maand van de filosofie" los en dat betekent dat we op een holletje filosofieboeken moeten aanschaffen. De afgelopen jaren was het helemaal aanpoten in het voorjaar, want na de Boekenweek en de Maand van de filosofie waren er in mei altijd de "weken van het reisboek", bedoeld om het lezen tijdens de vakantie te stimuleren. Gelet op de beschikbare leestijd van de Nederlander leek mij dit altijd al wat overbodig, want de in maart en april aangeschafte lees- en filosofieboeken zijn over het algemeen voldoende voor meer dan één vakantie. De CPNB heeft dit inmiddels ook ingezien en de "weken van het reisboek" zijn dan ook afgeschaft. Daarvoor in de plaats komt de campagne "Zomerlezen", ook gericht op lezen in de vakantie. Daarover schrijf ik ongetwijfeld in juni meer, nu eerst de maand van de filosofie. 

De laatste jaren krijgt deze een meer literair karakter, want een vooraanstaand schrijver schrijft het bijbehorende cadeauboekje. Na Patricia de Martelaere (2002), Hans Achterhuis (2003), Connie Palmen (2004) en Marek van der Jagt/Arnon Grunberg (2005) is dit jaar Marcel Möring aan de beurt voor het schrijven van het essay  Marcel Möring - één van mijn favoriete auteurs van wie al veel te lang geen nieuw boek is verschenen. Ik zit al jaren te wachten op een vervolg op zijn meesterwerk In Babylon, maar dat komt er maar niet echt van. Weliswaar zijn sinds het verschijnen van dat boek in 1997 (tot mijn schrik zie ik dat dit al bijna 10 jaar geleden is!) Nachtzwemmen en Modelvliegen verschenen, maar een echte grote roman niet. De lange duur zou te wijten zijn geweest aan wateroverlast en andere computerproblemen, maar dit jaar moet dan toch eindelijk de roman Dis verschijnen. Het moet volgens dit bericht zijn eerste boek bij uitgeverij De Bezige Bij worden, maar op de auteurslijst van De Bezige Bij komt Möring nog niet voor. Erg verwarrend allemaal, maar er is nu wel een zoethoudertje: het boekje Lijdenslust dat voor 3,50 euro bij alle boekhandels te koop is. Op zijn eigen site schrijft hij: "Over geluk gaat het nauwelijks in Lijdenslust, het houdt zich meer bezig met onze houding ten opzichte van lijden. Lijden is niet meer gewenst. We streven naar een leedloze samenleving, waar de tragiek van het leven wordt samengebald in de simpele conflicten die de televisie biedt. Als we oorlog voeren, doden we honderdduizenden vijandelijke soldaten, maar we protesteren als 'onze eigen jongens' in bodybags terugkomen. En tegelijkertijd: sterft een bekende zanger, komt een prinses om, wordt een politicus of een regisseur vermoord, dan ontstaat er een massaal rouwen dat in geen verhouding lijkt te staan tot onze afwijzing van het idee van leed als onontkoombaar onderdeel van ons leven. Daarover, over lijden, de geschiedenis van lijden in literatuur en cultuur, lijden als bijdrage aan de beschaving, daarover gaat Lijdenslust." Herkenbare thema's, ik ben dan ook zeer benieuwd wat Möring er van maakt. 

 Ondertussen wachten we al een paar jaar op Dis. Volgens amazon.com is het boek al in maart 2005 verschenen en is het een "magnificently ambitious and enthralling novel, part Dante part Joyce, that confirms Moring's place as one of the most significant European novelists now at work." Het verhaal speelt in Assen en Dis is Dantes benaming voor de stad in de hel. Möring modelleerde zijn nieuwe roman naar het Inferno, maar de hel van Assen wordt bewoond door mensen die op de verkeerde tijd op de verkeerde plaats waren en niet door bedriegers en moordenaars. Hun hel wordt met recht gemaakt door anderen. In het verhaal verliest de hoofdpersoon tijdens de jaarlijkse TT zijn geliefde om zes uur uit het oog en vindt haar twaalf uur later. De tussentijd brengt hij dus in het inferno door. Möring heeft zelf zijn jeugd in Assen doorgebracht en ging naar school op het Eekhorst College aldaar. Kennelijk heeft hij er niet zulke goede herinneringen aan. Oppervlakkig bezien sluit dit weer goed aan bij Lijdenslust. Wie weet is dit essay eveneens "magnificently ambitious and enthralling" en kan ik binnen niet al te lange tijd een exemplaar van Dis ernaast plaatsen. Hopelijk zorgt zijn drukke agenda van deze maand niet voor nóg meer vertraging.

22 maart, 2006

95 - Ruim drie kilo Goud(en Reeks)

Aangestoken door het enthousiasme van Bibliofilos besloot ik een bestelling de deur uit te doen voor een aantal hoogtepunten uit de Gouden Reeks van Athenaeum Polak en Van Gennep. Al zoekend in Antiqbook ontdekte ik dat antiquariaat Ben van Nijnatten in Nijmegen twee delen uit de reeks aanbood. Vandaag ploften ze bij mij neer. Twee nieuwe sieraden voor mijn boekenkast: "De verloofden" van Alessandro Manzoni (vertaald door Yond Boeke en Patty Krone) en "De volmaakte ridder Tirant lo Blanc door Joanot Martorell (vertaald door Bob de Nijs). De Martorell komt op 1990 gram en de Manzoni op 1365 gram. Bij elkaar dus ruim 3 kilo, meer dan 32 onsjes wereldliteratuur. En als mij zou worden gevraagd of het een onsje meer mocht zijn, had ik ongetwijfeld "ja" gezegd. 

Ik ben blij dat het boek van Manzoni is vertaald door Yond Boeke en Patty Krone. Ik ken deze mensen niet, maar wel hun vertaalwerk. Je leert ze iets beter kennen door dit interview. Zelf heb ik diverse vertalingen van Umberto Eco van hun hand in bezit (o.a. De slinger van Foucault, Het eiland van de vorige dag) en naast de prachtige vertalingen zelf, heb ik hen als duo ook altijd een mooie combinatie gevonden. De één heeft het product van de vertaling in de achternaam, de ander geeft de kwaliteit van het werk aan: een boek met een kroon. Naast Eco hebben zij nog veel meer vertaald: onder meer werk van Andrea Camilleri, Tomasi de Lampedusa en dus ook Manzoni. In totaal 27 boeken naar het schijnt. Bij het verschijnen van deze Manzoni begreep ik uit recensies dat dit boek moet worden beschouwd als dé Italiaanse roman, zoals de Don Quichotte dé Spaanse roman is (ook in de Gouden Reeks verkrijgbaar) en Max Havelaar dé Nederlandse roman (waarom niet in de Gouden Reeks?). Aangezien ik een fan ben van Italiaanse literatuur (mijn grote held is Giorgio Bassani - lees hem of leid een zinloos leven - op de hielen gezeten door Italo Svevo en Umberto Eco) moet ik het boek dat kennelijk dé Italiaanse roman is natuurlijk ook lezen. 
David Rijser schrijft: "Als er één werk in is geslaagd niet alleen een evenwicht te vinden tussen de traditie en de romantische vernieuwing, maar ook om een oertekst van het derde Italië te worden, is het I promessi sposi van Alessandro Manzoni. Dit boek verscheen in de definitieve versie in 1840 en is nu voor het eerst sinds de jaren dertig van de vorige eeuw opnieuw vertaald als De verloofden. Iedere Italiaan sinds 1860 leest I promessi sposi op school. In die zin is het succes van de roman te vergelijken met dat van Vergilius' Aeneis, dat ook al enkele decennia na verschijning vaste kost op school werd. En net als bij de Aeneis is dit succes gebaseerd op een destijds nieuwe, ijzersterke greep op de taal, een subtiele boodschap, en het smeden van een nationaal-historische eenheid uit een verdeeld verleden." 
 
Ga er maar aan staan, om Manzoni nog te overtreffen. Dat kan alleen maar wanneer je niet dé roman van een land bent, maar dé eerste roman van een continent. En dat is dus Tirant lo Blanc, geschreven door Joanot Martorell (al dan niet met Joan da Galba) rond 1460 en gepubliceerd in 1490, in een eerste druk van 71 exemplaren. Van een dergelijk boek zijn natuurlijk genoeg online versies beschikbaar, zoals hier (Engels) en hier (Spaans) en nog dit jaar verschijnt een film van het verhaal (net de trailer bekeken, maar mijn Spaans is niet best). Waarom is dit dan de eerste roman? Kennelijk omdat de schrijver als eerste in staat was om niet een klassieke ridderroman te schrijven (van het soort waar Don Quichotte steeds mee afrekent), maar een boek dat een nieuwe werkelijkheid beschrijft, een biografie van een reële persoon dat vermenselijkt is. Martorell gebruikte dit boek om zijn tijdgenoten zijn opvattingen voor te houden, waarmee hij een nieuwe dimensie toevoegde aan de ridderroman en aan de functie van het ridderpersonage. Het boek is een eenheid, zowel in opbouw als met betrekking tot de onderlinge relaties. De karakters ontwikkelen zich en staan in een duidelijke relatie met elkaar. De gebeurtenissen zijn realistisch en hebben een duidelijke afloop. Dit alles in tegenstelling tot de zee van ridderromans die deze elementen niet hadden en die in diezelfde periode verschenen. Mario Vargas Llosa doet dan ook niet moeilijk en noemt de Tirant lo Blanc de eerste totaalroman waarin de schrijver een alomvattende werkelijkheid schept. Cervantes noemt dit het beste boek ter wereld. Wie ben ik dan om het niet te gaan lezen? het originele manuscript van Tirant lo Blanc 

De Verloofden en Tirant lo Blanc: 643 en 974 pagina's. Wat een genot om dit alles nog voor de boeg te hebben.

15 maart, 2006

94 - Boekenweek: Muziek van eigen plank

Boekenweek! Nog nooit ben ik uitgenodigd voor het boekenbal en ook het bal der geweigerden laat ik voor wat het is want ik ben ook nog nooit geweigerd. Maar de boekenweek is desondanks een jaarlijks hoogtepunt en bovendien voor een boekenverzamelaar een periode van alertheid: zijn er nog ergens schrijvers die een krabbel in een boek kunnen zetten, heb ik alle speciale uitgaven in mijn bezit, heb ik alle folders en boekenleggers die van belang zijn? Los daarvan staat 10 dagen lang het boek in de schijnwerpers. Voor die andere 355 dagen in een jaar moeten we iets dergelijks verzinnen, maar deze 10 dagen zijn voor ons, boekenliefhebbers. Ik ben er zo druk mee dat ik aan het lezen van een boek bijna niet meer toekom. Ik heb daarom besloten eens naar mijn eigen boekenkast te stappen en een top 10 te maken van boeken die ik bezit waarin muziek een belangrijke rol speelt, zodat er voor elke dag van de boekenweek een boek is. 

Mijn eigen top 10 is: 
  • Op 10: De muziekschool - John Updike
    Dit is de titel van een verhalenbundel van Updike, maar ook van het titelverhaal, dat overigens middenin het boek staat. Het is het verhaal van een man die een aantal recente gebeurtenissen overdenkt, terwijl hij in de muziekschool wacht tot zijn dochter klaar is met muziekles. 
  • Op 9: De knoflookliederen - Mo Yan
    Mo Yan, ook de schrijver van het rode korenveld beschrijft in dit boek de gebeurtenissen in een dorp dat leeft van de knoflookoogst. Nadat hen jarenlang is verteld dat de boeren uitsluitend knoflook dienen te verbouwen, blijkt in het voorjaar van 1987 dat de overheid hun knoflook niet meer wil afnemen, waardoor zij hun inkomen volledig zien wegvallen. De woede van de boeren richt zich vervolgens op het gebouw van de gewestraad, dat vernield wordt, en een opslagloods van knoflook, dat in vlammen opgaat. Een aantal bij de gebeurtenissen aanwezige boeren wordt opgepakt en berecht. De titel van het boek verwijst naar de liederen die de blinde minstreel Zhang Kou naar aanleiding van het knoflookincident zingt. 
  • Op 8: De blikken trommel - Gunter Grass
    Op driejarige leeftijd beslist Oskar Matzerath dat hij niet meer wil groeien. Hij vindt de wereld een enge, gevaarlijke plek en alle volwassenen vals, gemeen en oneerlijk. Zijn geboortestad Danzig is verdeeld in een Duits en een Pools deel. In de aanloop naar de Tweede Wereldoorlog valt zijn familie uiteen in twee kampen. Het ene kamp heult mee met de nazi’s, het andere steunt de nationalistische Polen die hun kans schoon zien de Duitse bezetters te wippen. Om zijn leed te verlichten krijgt Oskar een blikken trommel die hij nooit meer zal wegdoen. Oskarchen en zijn trommel worden een onafscheidelijke twee-eenheid. Oskar vormt zijn eigen legertje, éénmansoppositie tegen de nazi’s, tegen de volwassenen, tegen iedereen die hem dwarszit. Zijn leven verandert wanneer hij een groep circusdwergen ontmoet. Met hen gaat hij op tournee om het nazileger te entertainen. 
  • Op 7: De Joodse cel - Ferdinand Bordewijk
    Dit boek is een uitgave van Stichting De Roos, in een gelimiteerde oplage van 175 exemplaren verschenen. Het verhaal staat ook in de tweede bundel Fantastische Vertellingen van Bordewijk, die in 1923 verscheen. In dit verhaal herken je al de voorkeur van Bordewijk voor soms monsterachtige mensen en bizarre situaties, dit keer over een vioolbouwer en zijn zoektocht naar de perfecte violoncel, die een bijzondere toon moet voortbrengen. 
  • Op 6: Davita's harp - Chaim Potok
    Davita's harp van Chaim Potok begint in het Amerika van de jaren dertig. De beurs is ingestort, het politieke en sociale klimaat is intoleranter geworden. De ouders van Davita komen uit het joodse en het christelijke milieu, maar vinden elkaar in een gezamenlijke toewijding aan het communisme. Davita ziet hoe de idealen van haar ouders politiek worden afgestraft en moet voor zichzelf gaan uitmaken wat ze wel en niet wil en waarin ze wil geloven, ook met betrekking tot het onderscheid dat wordt gemaakt tussen mannen en vrouwen in die traditioneel joodse wereld. Davita draagt iets mee dat haar innerlijk verwarmt: 'de goede muziek van de wereld', de zachte tonen van een harp die aan elke deur hing van de huizen waar ze met haar ouders in woonde.  
  • Op 5: Litause klavieren - Johannes Bobrowski
    Bobrowski heeft een prachtig kort verhaal geschreven over de pogingen van professor Voigt en conertmeester Gawehn om een opera te maken over een achttiende eeuwse dorpsdominee en dichter, Christian Donelaitis. De poging verzandt maar daardoor roept de schrijver wel in een reeks portretten de geschiedenis van de streek neer. Een prachtig, maar veel te onbekend boek. Daarom een hoge plek in mijn top 10. 
  • Op 4: Ik en mijn speelman - Aart van der Leeuw
    Een sprookjesachtig verhaal. Een edelman is beloofd aan een jonkvrouw, maar wil niet trouwen met iemand die hij niet kent en die vast een lelijke heks is. Zij ziet ook niets in een gearrangeerd huwelijk met een onbekende. Beiden gaan het noodlot uit de weggaan op avontuur. Dan ontmoeten ze op hun weg iemand waar ze verliefd op worden, en na allerlei avonturen, ieder apart achtervolgd door hun familie, trouwen ze... en dan pas horen ze wie de ander is. Het hele verhaal vindt plaats onder begeleiding van de muziek van de speelman. 
  • Op 3: Kreutzersonate - Margriet de Moor
    Beethoven schreef in 1802 het eerste muziekstuk onder de titel Kreutzersonate, Janáçek het tweede, in 1923. Tolstoj maakt in zijn gelijknamige novelle uit 1891 het stuk van Beethoven tot de kiem van een buitenechtelijke romance, daarbij zinspelend op de gevaarlijke krachten van muziek. Margriet de Moor verkent in haar boek de krachten van het stuk van Janáçek. Kreutzersonate gaat over het leven van muziekcriticus Marius van Vlooten en zijn huwelijk met de violiste Suzanna Flier.  
  • Op 2: Het leven een dansfeest - Arthur van Schendel
    Het schitterende verhaal over twee dansers: Daniel de Moralis Walewijn en Marion Ringelinck. In negentien hoofdstukken vertelt in ieder hoofdstuk een ander persoon iets over wat zij meegemaakt hebben met Daniel en Marion. De dans is voor hen een obsessie en staat hun relatie in de weg, tegelijkertijd bindt het hen samen. Het prachtige taalgebruik van Van Schendel komt hier in volle glorie naar voren. 
  • Op 1: Op 1 staat niets, want het beste boek waarin muziek een rol speelt moet nog geschreven worden. Misschien vind ik tijdens deze 10 dagen wel een nummer één. Of heeft er iemand een paar tips?

09 maart, 2006

93 - Nescio-aanwinst

Het is nauwelijks voor te stellen dat er een serieuze liefhebber van Nescio bestaat, die ‘m nog niet heeft, maar in mijn geval was het écht zo. Ik had geen exemplaar van de door Lieneke Frerichs samengestelde bundel “Over Nescio. Beschouwingen en interviews”. Deze bundel, uit 1982, hetzelfde jaar waarin een Tiradespecial (nr. 276/277) over Nescio verscheen, is inmiddels een klassieker. En daarom behoort iedere serieuze liefhebber ‘m te hebben, en dat kan ik zeggen want ik heb mij inmiddels onder de bezitters geschaard. Over Nescio verscheen als “Bzztôh literair archief”, dat wil zeggen dat het een bundel is die is samengesteld uit de belangrijkste publicaties over Nescio en het werk van Nescio die uit talloze bronnen zijn verzameld. Het boek is onderverdeeld in verschillende periodes:
  • Reacties bij het verschijnen van ‘Dichtertje’
  • Reacties tussen 1928 en 1960
  • Algemene studies en opinies over het werk vanaf 1961
  • Studies van afzonderlijke verhalen
  • Literair historische artikelen
  • Interviews en biografica, geschreven vóór juli 1961
  • Biografica geschreven na juli 1961
Frits Hopman

De indeling is logisch: eerst wat reacties na zijn debuut, vervolgens de periode tot Boven het Dal dat in 1961 verscheen en de periode daarna, dan twee delen die ingaan op de werken zelf en tot slot twee hoofdstukken over de schrijver Nescio voor zijn overlijden in juli 1961 en sinds zijn overlijden. De bundel is een feest om te lezen. Ik weet eigenlijk niet wat het meest boeiend is. De reacties naar aanleiding van zijn debuut geven een mooi beeld van de tijdgeest en bovendien lees je dan werk van recensenten die nog geen idee hadden van wat er ging komen (al was dat niet veel in omvang). Maar algemeen vond men zijn werk toen al origineel, fris, op zichzelf staand, aantrekkelijk, grillig. Ik ben blij dat de meeste recensenten toen al zo’n goede smaak hadden. In de NRC van 1932 schrijft N.A. Donkersloot bijvoorbeeld: “Drie der beste boeken die in onze taal bestaan, en die men in de regel niet kende, zijn de laatste tijd herdrukt: (…) Lijmen van Willem Elsschot en De proeftijd van Hopman. Nu verschenen ook de novellen van Nescio opnieuw.” Je zou denken dat Donkersloot een goede kijk op de dingen heeft, als hij Elsschot en Nescio naar voren haalt. Maar ik heb werkelijk nog nooit gehoord van Frits Hopman. Zou het een aanrader zijn om te gaan lezen? Als ik kijk naar een bijdrage van W.L.M.G. van Leeuwen uit 1934 waarschijnlijk wel. Hij is ook blij met de herdruk van Nescio’s werk en verzucht dat hij dolgraag een heruitgave van Hopman zou willen, in het bijzonder de verhalenbundel In het voorbijgaan. Hopman was toen kennelijk al een bijna vergeten schrijver die bij velen weemoed opriep. Zo staat in het voorwoord van de 2e druk van De proeftijd uit 1933: "Verheugenis en weemoed vervullen ons nu dit werk van den op 52-jarigen leeftijd gestorven en door velen in Nederland gewaardeerden verteller Frits  Hopman voor de tweede maal het licht mag zien."

Een analyse van Dichtertje door Frank Maatje

Het is interessant te zien hoe andere schrijvers naar Nescio keken, in de bundel komen bijvoorbeeld Ter Braak, Hermans, Bloem, Du Perron, Coenen, K. Schippers, Vinkenoog, Boon en natuurlijk Carmiggelt (in meerdere Kronkels) aan het woord. Kees Fens blijkt geregeld over Nescio te hebben geschreven en van hoge kwaliteit. Verbazingwekkend vind ik de literatuurwetenschappelijke bijdragen waarin de teksten van Nescio uit elkaar gerafeld en in systemen gestopt worden. Frank Maatje doet in 1970 iets heel ingewikkelds met grafieken en cirkels die met lijnen verbonden worden als analyse van Dichtertje. Wel knap, maar heeft hij nu echt genoten van de inhoud? Ook Enno Endt tovert het ene schema na het andere naar voren over het verhaal Pleziertrein. Veel mooier vind ik het stuk van Hans Plomp, die laat zien dat Nescio een zelfde soort omschrijving of situatie bij verschillende figuren in verschillende verhalen gebruikt, zonder dat het echt storend wordt. Ik denk dat ik niet zo’n literatuurwetenschapper ben. Als J. de Gier constateert dat Nescio veel gebruik maakte van “parallelle cumulatie”, boeit mij dat op voorhand toch niet echt, maar dat is vast mijn gebrek aan kennis over wat parallelle cumulatie nu eigenlijk precies is. Dan vind ik een stuk van Jan van Houts die op zoek gaat naar overeenkomsten in de opvattingen van Nescio en Frederik van Eeden aardiger. Niet alleen omdat Nescio ook zijn eigen kolonie had (Tames) in navolging van Van Eeden (de kolonie Walden, waar Nescio geweigerd werd), maar vooral omdat duidelijk wordt dat “de man die de Sarphatistraat de mooiste plek van Europa vond” Frederik van Eeden is. De debuutzin van Nescio in de Nederlandse literatuur - de beroemdste debuutzin ooit - verwijst naar Van Eeden, die in 1888 schreef: “Als den dag van gisteren heugt het mij hoe ik de Sarphatistraat de mooiste straat van Amsterdam vond.” 

Tames - het blauw gearceerde gebied 
(afkomstig van www.kunstgeografie.nl)

Uit een stuk van Thijs Wierema uit 1971 blijkt trouwens dat er toen bij hem nog maar weinig over Tames bekend was, maar uit een stuk van Franco Groppo uit 1976 blijkt het om “het Tames”, onder Huizen, te gaan terwijl G. Jaspars in 1964 in Hollands Maandblad al wist te vertellen dat het om zes akkers (andere stukken zeggen: 1 ¾ bunder) bij Huizen ging, die fl. 600,- kostten, waar later nog voor fl. 200,- mest op moest. In 1971 wist Eelke de Jong al dat Tames was genoemd naar de boerderij die daar vroeger stond en dat de verloofde van Nescio - Adinda - de gordijntjes had gemaakt voor de hut die er stond. Voor wie de exacte locatie van Tames wil weten, kijk maar eens hier. Een schitterend project met o.a. de zoektocht naar de exacte locatie van Tames. Het is mooi dat je in de loop van de bijdragen raadsels opgelost ziet worden: in Tirade 276/277 staat de vraag nog open waar de afkorting GOHV, de debatingclub waar Nescio deel van uitmaakte, voor stond. Maar bij de publicatie van dit boek blijkt het raadsel opgelost: Gedachtewisseling Ontwikkelt Het Verstand. De eerder genoemde Van Leeuwen haalt in zijn bespreking van Titaantjes het gedicht “Drie studentjes” van Piet Paaltjens aan, dat gaat over drie idealisten die zich voornemen huichelarij aan de kaak te stellen, maar die uiteindelijk opgeslokt worden door de samenleving en hun dromen moeten opgeven. Vreselijk is dat het stuk van Nol Gregoor, “Een zwak voor Nescio”, er in staat, waarin hij beschrijft hoe hij op een gegeven moment drie exemplaren van de eerste druk van Dichtertje/De Uitvreter/Titaantjes in zijn bezit heeft. Het is vreselijk omdat ik niet één exemplaar van die eerste druk heb, hoewel ik wel de facsimile van de eerste druk bezit. En ik heb de afzonderlijke uitgave van dit verhaal van Gregoor, dat destijds in een oplage van 100 is verschenen. Dat is dan in elk geval nog iets… maar vreselijk blijft het om te lezen dat Gregoor drie oorspronkelijke uitgaves had. 

Venloër Grensbode – Een krantje dat nooit
heeft bestaan? (wordpress.com)

Maar er zit ook veel herhaling in de stukken, onvermijdelijk. Juist omdat Nescio lang relatief onbekend is gebleven, begint elke auteur met een passage over de verschijningsdata van de verschillende teksten van Nescio, de onthulling van zijn pseudoniem, zijn directeurschap van de Holland-Bombay Trading Company, zijn uitgever De Bois, en nog wat van die zaken. Het laatste deel van het boek bevat de teksten verschenen ná de dood van Nescio, in 1961. Die werpen een goed licht op de toenemende waardering voor Nescio’s werk. Eerst beschrijven ze een paar mooie reacties rond het overlijden van Nescio en in een enkel geval komt ook de weduwe van Nescio aan het woord. Veel letterkundigen proberen na diens dood een aantal raadsels over Nescio te ontrafelen. Veel was toen nog onduidelijk. Maar Lieneke Frerichs - van wie meerdere stukken in het boek staan - heeft in de afgelopen jaren veel goed gemaakt, met als hoogtepunt natuurlijk de verschijning van het Verzameld Werk. Ik zou willen dat er weer een bundel als deze zou worden gepubliceerd. Uit de meest obscure hoeken komt dan informatie over Nescio bijeen, zou dat ook voor de afgelopen 25 jaar niet geweldig zijn? Nescio is immers niet meer weg te denken uit het literaire spectrum van vandaag en we zitten nog maar vijf jaar voor de honderdste verjaardag van de publicatie van De Uitvreter (in De Gids, van januari 1911). Overigens is de honderdste verjaardag van Venloër Grensbode, het ‘oerverhaal’ van Nescio dat eerst nog voor publicatie geweigerd werd, nog veel dichterbij: over minder dan een jaar, om precies te zijn op 24 januari 2007, is het zover. Noteert u dat, allen?

02 maart, 2006

92 - Gelezen of ongelezen op de plank?

Vorige keer schreef ik dat ik de boeken die ik heb ook allemaal gelezen wil hebben. Dat is een eis die ik heb gesteld die mij helpt mijn aankopen te beperken: de hoeveelheid boeken moet evenredig zijn met mijn leestijd. Dat houdt dus meteen in dat ik de boeken die ik bezit ook alle gelezen heb (behalve de meest recente aanwinsten).

De vraag of je de boeken die je bezit gelezen moet hebben wordt verschillend beantwoord. Ik vond een mooi stukje tekst van Umberto Eco. In het boekje "Op reis met een zalm” uit 1998 (vertaling van Il secondo diario minimo) schrijft hij onder de titel “Hoe rechtvaardig je je mijn eigen bibliotheek” het volgende (het stukje stamt overigens al uit 1990).

“Velen die zich in dezelfde situatie bevinden als ik - dat wil zeggen dat ze een nogal uitgebreide bibliotheek bezitten; hetgeen in ons geval betekent dat je er, als je ons huis binnenkomt, niet omheen kunt, ook al omdat er niets anders is - worden op eenzelfde schokkende wijze met voor de hand liggend gedrag geconfronteerd. De bezoeker komt binnen en zegt: “Wat een hoop boeken. Heeft u die allemaal gelezen?” (…) Wel kan gezegd worden dat het altijd gaat om mensen die een boekenplank beschouwen als opbergplek voor gelezen boeken en die een bibliotheek niet beschouwen als onontbeerlijk hulpmiddel bij het werk, maar daarmee zijn we er nog niet. Volgens mij raakt iedereen bij het zien van veel boeken vervuld van ontzag voor kennis en glijdt onherroepelijk af naar bovengenoemde vraag, waarin zijn gekweldheid en zijn schuldbewustzijn tot uitdrukking komen. (…) De vraag over boeken dient beantwoord te worden terwijl je kaaklijn verstrakt en straaltjes koud zweet langs je ruggengraat lopen. (…) Beter is het standaardantwoord van de etnomusicoloog Roberto Leydi: “En wel meer dan deze mijnheer, heel wat meer”, dat de tegenstander doet verstijven en in een staat van stomme bewondering onderdompelt. Maar ik vind het onbarmhartig en intimiderend. Ik ben nu overgestapt op de woorden: “Nee, dit zijn de boeken die ik deze maand nog moet lezen, de andere staan op de universiteit”, een antwoord dat enerzijds blijk geeft van een sublieme ergonomische strategie en de bezoeker er anderzijds toe aanzet zo snel mogelijk weer te vertrekken.”
Als mij die vraag wordt gesteld, kan ik in principe met een eenvoudig “ja” volstaan. Maar ik heb dan ook niet echt een naslagbibliotheek. Ik bezit vooral primaire literatuur. Zuiverder zou zijn te zeggen: “ja, voor zover je doelt op de primaire literatuur.” Terwijl ik peinzend voor mijn bibliotheek sta realiseer ik me dat zelfs dat antwoord niet volstaat. Ik heb bijvoorbeeld zestien delen verzamelde werken van Multatuli die vooral bestaat uit brieven en dergelijke documenten. Die heb ik nooit helemaal gelezen. Wel doorgebladerd en ik was verrukt om via de brieven van en naar en over zijn uitgever de wordingsgeschiedenis van Max Havelaar te volgen. Maar integraal gelezen: nee. Datzelfde geldt voor de boekenweekgeschenken en verwante boekenweekuitgaven: over het algemeen zijn het toch kwalitatief beperkte uitgaven die de moeite van het lezen maar beperkt waard zijn. Ik kan me niet een écht goed boekenweekgeschenk herinneren. Wel een paar die redelijk zijn, maar het blijven vooral aanzetten tot een serieus boek, niet meer dan dat.

Het allerzuiverste antwoord is dus: “ja, voor zover je doelt op de primaire literatuur, met uitzondering van de boekenweekgeschenken (enkele uitzonderingen op de uitzondering daargelaten), de verzamelde werken van Multatuli, de Paul van Ostaijen-documentatie van Gerrit Borgers en nog enkele werken.” Ik vrees echter dat tegen de tijd dat ik met het antwoord klaar ben, de vragensteller alweer bij de biblitheek verdwenen is. En ik sluit me aan bij Eco als ik zeg: en dat is maar goed ook!

23 februari, 2006

91 - Haastig lezen, zelden goed

Ik las een mooi en herkenbaar stukje op mijn scheurkalender, van Ingrid Hoogervorst.
“Sommige mensen kunnen heel hard rennen, ik kan razendsnel lezen. Als beroepslezer heb ik er veel profijt van, maar vroeger vond ik het zonde. Je was zó door een nieuw boek heen. Langzamer lezen lukte me niet, dus bedacht ik methoden om de leestijd te rekken. Iedere bladzijde moest voor het omslaan opnieuw gelezen worden, ik mocht niet aan een nieuw verhaal beginnen voor ik het oude twee keer had gelezen enzovoort. Mijn disciplinaire maatregelen houden nooit lang staande. Soms overvallen ze me weer, als ik een goed boek in handen heb. Slow down!. Nog even teruglezen, anders is het zó uit.”

Ik merk bij mijzelf hetzelfde. Beroepsmatig ben ik gewend diagonaal te lezen, grote hoeveelheden tekst effectief door te kijken en het relevante eruit te halen. Maar dat zet zich helaas ook voort als ik een boek lees, zoals onlangs De Verdronkene van Margriet de Moor. Voor Margriet de Moor moet je de tijd nemen, je moet de zinnen op je laten inwerken en de betekenis proberen te doorgronden. Maar zo gaat het in de praktijk helaas niet. Ik lees Margriet de Moor diagonaal alsof het een zakelijke tekst is, en betrap me daar gelukkig ook weer snel op. Dan schakel ik terug en dwing mij de zinnen in mij op te nemen.

Het komt ook omdat ik nog zoveel te lezen heb. Er ligt een fikse stapel boeken op me te wachten om gelezen te worden. Ik wil elk boek dat ik bezit het plezier doen om gelezen te worden, het lijkt me als boek vreselijk om een dichtgeslagen leven te lijden in een boekenkast. Af en toe een blik die langs je heen dwaalt, maar nooit eens iemand die je openslaat, geïnteresseerd de titelpagina bekijkt, diep zucht - van tevredenheid, vol verwachting van wat er komen gaat - en bij de eerste zin begint.
Ik wil mijn boeken dat vergeefse leven niet aandoen, dus lees ik ze. Maar omdat het er zoveel zijn en mijn dagen slechts 24 uur tellen en bovendien gevuld zijn met andere activiteiten dan lezen jagen ze me ook een beetje op. Daar kunnen ze niets aan doen, dat is hun aard, maar het gevolg is wel dat ik door De Verdronkene heenjakker en dat is toch een beetje zonde.

Daarom probeer ik mijn aankopen enigszins in balans te houden met mijn opnamecapaciteit. Ik heb mijzelf erbij neergelegd dat ik niet alle boeken ter wereld zal kunnen lezen, het heeft geen zin een bibliomaan te worden. Het is nog even afwachten hoe de hemel eruitziet en welke boeken zich daar bevinden, mogelijk kan ik dan nog een inhaalslag maken, maar vooralsnog zal ik uiteindelijk ondanks mijn ijzeren leesdiscipline de meerderheid van de boeken niet gelezen hebben. Door er nu niet teveel ongelezen in huis te hebben voorkom ik dat ik ondertussen opgejaagd word.

Je kan met langzaam lezen natuurlijk ook overdrijven. Ik lees hier een grappig bericht van een leesclub die na vijf jaar van maandelijkse bijeenkomsten bij pagina 67 van Finnegans Wake van Joyce is aangekomen. Ze verwachten in dit tempo het boek rond 2060 uit te hebben.

Ik heb het sneller gedaan en heb Margriet de Moor inmiddels uit en ben zeer onder de indruk van het boek. Ik ben blij dat ik het in een laag tempo gelezen heb, het boek was het meer dan waard. Hoewel met name de laatste 10 pagina’s veel zelfbeheersing vroegen. Ik ruik aan het eind van een boek de stal en weet dat er na die pagina’s een nieuw boek wacht. Ik moet bekennen dat ik die laatste pagina’s sneller heb gelezen dan zij zouden verdienen, maar de drang van de wachtende boeken werd toen te zwaar.

27 januari, 2006

90 - Goede oogst op gedichtendag

Het begint al een goede gewoonte te worden om tijdens gedichtendag aanwezig te zijn in boekhandel Verwijs, ik schreef er vorig jaar ook al over. Los van het feit dat het een schitterende boekhandel is op een prachtplek, de Haagse Passage, was er tijdens deze gedichtendag ook genoeg te doen. Er werden namelijk prijzen uitgereikt door Poetry International voor de beste gedichten van het jaar, zie hier de gedichten. Juryvoorzitter Femke Halsema deed een praatje en daarna mochten de drie prijswinnaars, Koenraad Goudeseune (zie ook hier), Piet Gerbrandy en Erik Jan Harmens, hun winnende gedicht voordragen aan de ongeveer 25 gasten. Met name de voordracht van Erik Jan Harmens was indrukwekkend: een duidelijke, welluidende stem die met kracht een gedicht voordroeg uit zijn bundel “Underperformer” over een autistische jongen. Indrukwekkend mooi. Harmens geselde de toeschouwers met zijn gedicht.

Maar de held van de dag was toch wel Menno Wigman. Wigman is de schrijver van de speciale gedichtendagbundel, die voor de zevende keer verschijnt. Ik had nog nooit van Wigman gehoord, ja het is schandalig, maar nadat ik op de site van Poetry International zijn gedicht “Tot besluit” uit de bundel “Dit is mijn dag” (2004) had gelezen was ik verkocht. Wat een indrukwekkend gedicht! Nu al een klassieker. 

Tot besluit
 
Ik ken de droefenis van copyrettes, 
waar holle mannen met vergeelde kranten, 
bebrilde moeders met verhuisberichten,
 
De geur van briefpapieren, bankafschriften, 
belastingformulieren, huurcontracten, 
de inkt van niks die zegt dat we bestaan. 

En ik zag Vinexwijken, pril en doods, 
waar mensen roemloos mensen willen lijken, 
de straat haast vlekkeloos een straat nabootst. 

Wie kopiëren ze, wie kopieer 
ik zelf? Vader, moeder, wereld, DNA, 
daar sta je met je stralend eigen naam, 

Je hoofd vol snugger afgekeken hoop, 
op rust, promotie, kroost en bankbiljetten. 
En ik, die keffend in mijn canto´s woon, 

had ik maar iets nieuws, iets nieuws te zeggen. 
Licht. Hemel. Ziekte. Liefde. Dood. 
Ik ken de droefenis van de copyrettes.  

“Tot besluit” staat niet in de speciale bundel, maar Wigman las drie gedichten voor die wel in de bundel staan. Het was bijzonder om bij deze performance te zijn. Het was ook bijzonder om de gedichtendagbundel daarna door Wigman te laten signeren. Tot slot was het bijzonder om de speciaal voor vandaag bedrukte zakdoek met een dichtregel van Wigman te ontvangen. Kortom, Verwijs was weer eens een winkel vol lekkernijen waar ik gretig van geproefd heb. 

Dat signeren was trouwens nog een ervaring apart. Ik schreef al eerder over een signeersessie van Hugo Claus waar ik bij was en waarbij ik mij verbaasde over de toch wat onbeschaamde houding van iemand in de rij die zijn hele bibliotheek had meegenomen en tassen vol boeken van Claus liet signeren, met achter hem een steeds meer groeiende en licht geïrriteerde rij. Vandaag was het niet anders. Direct voor mij stond een man, Harry heette hij, die vijftien exemplaren van Wigman’s bundel had gekocht en deze allemaal liet signeren. Hij leverde er een briefje met namen bij en of Wigman de juiste bundel met de juiste naam wilde vullen. Dat deed de dichter, want waarom zou je dat ook weigeren? Maar irritant was het wel. Ik hield het op twee te signeren bundels en heb toen de dichter gecomplimenteerd met zijn gedicht “Tot besluit”, wat hij kennelijk erg op prijs stelde. Ik ben een tevreden mens, die heel tevreden verontrustende poëzie van Wigman tot mij neemt. 

22 januari, 2006

89 - Klein maar zijn

Wanneer een collectie eenmaal min of meer up-to-date is, wordt het vooral een kwestie van bijhouden: scherp opletten wanneer een bijpassende uitgave op de markt komt, en dan toeslaan.  Zo kocht ik het laatste boek uit de stal van Hugo Brandt Corstius, "klein maar zijn", dat wordt gepubliceerd onder de naam "Batticus", het pseudoniem waaronder hij tegenwoordig stukjes in Het Parool schrijft. Een mooi vormgegeven uitgave, dat kennelijk bedoeld is als een soort overzicht van zijn schrijverschap. Want op de achterkant schrijft hij: "De laatste zestig jaar heb ik onder dertig namen in veertig bladen tienduizend stukken geschreven. De zeventig kortste staan in de boekje". Ik weet niet wat ik er van moet denken. De zeventig kortste uit al die jaren zijn dit in elk geval niet, want diverse bijdragen zijn langer dan één pagina en ik kan moeiteloos uit mijn eigen bibliotheek diverse kortere teksten van Brandt Corstius aanleveren dan in dit boekje staan. De zeventig beste zijn het helaas ook niet. Er staan goede stukken in, maar bijdragen die ik mij herinner als de beste staan hier niet in. Ik heb betere politieke columns van Grijs gelezen, betere woordspelletjes van Battus en betere wetenschappelijke uiteenzettingen van Brandt Corstius. Het lijkt alsof er geen gedachte achter dit boek zit, geen thema. En dat is vreemd voor iemand die in staat is met mathematische precisie een boek te maken (zoals Opperlans!) waarin het aantal pagina's en onderwerpen onderworpen is aan allerlei correcte vermenigvuldigingen en vergelijkingen. Ik ben niet de enige die dit opvalt. Een recensie van Jurgen Tiekstra eindigt met "Maar voor de rest: is dit nou onze grote columnist?". En dat ben ik met hem eens. Kees Fens is milder in zijn recensie voor de Volkskrant. Achterop het boek worden de pseudoniemen van Brandt Corstius genoemd. De meeste ken ik wel, maar de pseudoniemen Christiaan Brood, Al Brahms Cantar, Balthasar Gerards, Maria Mulder, Manneke Pik, G. Prijs, Ed Reveil, Trui Schandborst, Celina Smits, Hugh Stairs, Cees Stam, Juha Tanttu, Jozef Trapjes, Margriet Vermeer en Joris de Waal lees ik voor eerst. Het is ook niet zo dat van al deze pseudoniemen een voorbeeld in het boek staat, dat zou dan wel weer aardig zijn geweest. Cees Stam, Joris de Waal en Jozef Trapjes staan er wel in, maar de rest niet. Het pseudoniem Ed Reveil wordt op deze pagina toegeschreven aan de politicus Anne Vondeling en in het boek "... Honderd, ik kom!" van een aantal pseudoniemen van Brandt Corstius wordt dat gek genoeg ook gezegd. Overigens komt in datzelfde boek een verwijzing naar Hugh Stairs voor als auteur van een aantal boeken over vogels, muziek en taal (of iets dergelijks), maar deze fictieve literatuurverwijzing heeft Brandt Corstius nu kennelijk als pseudoniem gekaapt. Christiaan Brood heeft een recensie geschreven over Opperlans!, maar als dit een pseudoniem is, dan is door Brandt Corstius in NRC een recensie geschreven over zijn eigen boek! (n.b. in het in 2020 verschenen boek "Het beste van Hugo Brandt Corstius" staat dat dit inderdaad HBC zelf was die deze recensie bij NRC inleverde met de mededeling "Hierbij een aanval op mijzelf". 

De Electrologica X8
In het boek staat een bijdrage dat eigenlijk een computerprogramma is. Die bijdrage is ondertekend met "Electrologica X8". Dat moet dan ook een pseudoniem van Brandt Corstius zijn, hoewel die niet op het omslag wordt aangekondigd. In feite is het ook geen pseudoniem, maar een heuse computer uit het Mathematisch Centrum in Amsterdam, waar Brandt Corstius jaren heeft gewerkt. Er is bij het 25-jarig bestaan van het Mathematisch Centrum zelfs een lied over het apparaat gemaakt: 
oh wat een X8 
oh wat een X8 
hij's snel en langzaam tegelijk
als i stuk is een oud lijk 
machien waar iedereen om lacht 
't is onze X8. 
Zie hier een beschrijving van al dit fraais.  Zo beschouwd is "Klein maar zijn" toch wel weer een aardig boekje: het levert een bijdrage voor het weblog op, er zijn één of twee opmerkelijke pseudoniemen onthuld die een valse recensent en een mogelijk ten onrechte beschuldigde politicus blijken te zijn, een computer is aan de vergetelheid ontrukt en bovendien ziet het boekje er toch wel mooi uit. Uiteindelijk brengt elk boek dus wel iets goeds.