Nou, die uitgave wilde ik niet missen natuurlijk. En ik moest er snel bij zijn, want de oplage is traditiegetrouw klein: 125 exemplaren, waarvan enkele exemplaren hardcover. Ik had natuurlijk mijn zinnen gezet op de hardcover, want als dat een optie is dan zou het niet verstandig zijn dat te negeren. In antwoord op mijn bestelling benadrukte Frank dat dit tevens de 50e uitgave in zijn fonds was. Dit maakte mij direct nieuwsgierig: hoeveel uitgaven uit dit fonds had ik eigenlijk intussen?
De God van Nescio
Maar eerst iets over deze essays en de auteur. Paul van Tongeren was tot zijn emeritaat in 2015 hoogleraar wijsgerige ethiek aan de Radboud Universiteit in Nijmegen. Van april 2021 tot april 2023 was hij 'denker des vaderlands'. Zo’n thema als de God van Nescio is hem dus wel toevertrouwd. De essays verschenen al eerder, maar zijn voor deze publicatie licht gewijzigd.
Het eerste essay is getiteld “Paradijselijk niet-weten” en probeert een antwoord te vinden op de vraag wat het nu is dat maakt dat mensen zo geraakt worden door het werk van Nescio. Van Tongeren betoogt dat het ontdekken van wat Nescio wil zeggen alleen kan door te analyseren wat de auteur door zijn hoofdpersonen zegt, of meer specifiek hoe deze zich tot elkaar verhouden en de drie polen die het spanningsveld bepalen van de verhalen van Nescio: de mensen, de natuur en God. De conclusie van dit eerste essay lijkt dat Nescio’s verhalen de lezer onuitwisbaar hebben geraakt en verblind. “Maar die verblinding hoort bij een verwonding die we koesteren”, aldus Van Tongeren.
Het tweede essay heeft de lange titel “Maar die van God is vervuld gaat aan zijn gruwelijke oneindigheid ten gronde” een uitspraak van Bavink. Van Tongeren gaat hier in op het onvermogen van de hoofdpersonen om wat ze ervaren in de natuur, vast te leggen of te duiden (zoals de zonsondergangen die Bavink wil schilderen). Maar hij laat ook zien dat Nescio zelf het onbegrip van de natuur benoemt, de natuur die zichzelf als het ware niet begrijpt. Tegelijkertijd is de natuur eindeloos (in tijd) in vergelijking met het korte leven van mensen, en de natuur is dan ook veel groter dan de mens. Hier komen de hoofdpersonen van Nescio God tegen. Van Tongeren haalt dan één van mijn favoriete passages uit Nescio’s werk aan:
Om zeven uur stond de zon nog hoog boven de zee, maakte, al weer, ik kan ‘t niet helpen, ‘t is God zelf die steeds in herhalingen vervalt, maakte alweer een lange gouden streep op ‘t water en scheen op onze gelaten.
Wat ik zelf een eye-opener vond was de vergelijking die Van Tongeren maakte tussen een uitspraak van Koekebakker en de titel Titaantjes die Nescio aan één van zijn verhalen gaf. Van Tongeren:
Koekebakker vertelt over een tijd die voorgoed vervlogen is, hoewel het zijn eigen geschiedenis is: ‘We zijn nu veel wijzer, stakkerig wijs zijn we, behalve Bavink, die mal geworden is. (…) Maar toen waren we in de dagen onzer dwaasheid, de uitverkorenen Gods, ja God zelf.’
God zelf, net als de titanen, want dat waren immers de kinderen van de oergoden. En behalve met elkaar zijn ook Nescio’s titaantjes met niets zozeer verbonden als met Ouranos en Gaia: de hemel en de aarde. Er wordt weliswaar verschillende keren gezegd dat zij grote revolutionaire plannen hebben (alle kantoren afbreken, de rollen tussen bazen en knechten omdraaien), maar daarmee wordt zelfs geen begin gemaakt.
Titanen en titaantjes, vanuit de Griekse mythologie is de relatie wel helder. De titanen waren reuzen, echte hemelbestormers. En de titaantjes zijn kleine mensen die wensen dat ze reuzen zijn, die de hemel willen bestormen maar dat niet doen. Die uitleg is helder. Maar ik had zelf nooit doordacht dat de titanen voortkomen uit Ouranos en Gaia, en dat dit dus ook iets zegt over de dubbelheid in de hoofdpersonen van Nescio. Een mooi inzicht! Vervolgens zegt Van Tongeren nog veel meer wijsgerige dingen die het aanhalen waard zijn, maar die moet eenieder dan maar zelf lezen in deze essays.
Van Tongeren is uiteraard niet de enige die zich verdiept in “de God van Nescio”. Zie bijvoorbeeld dit essay van Guido Vanheeswijck over het godsbesef bij Spinoza en Nescio uit 2024. En ook in boekvorm zijn er talloze analyses van deze God te vinden.
Uitgeverij Fragment
De uitgeverij bestaat sinds 2016 en heeft in nog geen tien jaar het respectabele aantal van 50 publicaties bereikt. Zelf zegt Van den Ingh over zijn uitgeverij: “De Uitgeverij richt zich op non-fictie: beschouwingen en essays, op het terrein van de literatuur en beeldende kunst. Daarnaast kunnen persoonlijke fascinaties van de uitgever leiden tot een publicatie.” Eén van die fascinaties is Gerard Reve; beschouwingen over Reve en zijn werk maken dan ook een substantieel deel uit van het fonds. Of het nu de zesdelige serie over de reisbrieven van Reve is die Frank van Dijl schreef, of een beschouwing van Albert Wulffers over vormgever Ies Spreekmeester (die het omslag voor de eerste druk van De Avonden ontwierp): Reve is de rode draad in het fonds. Maar er is veel meer dan dat, er zijn verschillende titels verschenen over Stefan Zweig, maar ook over Max de Jong of Menno Voskuil. Verschillende titels zijn van de hand van L.H. Wiener en Jan Paul Hinrichs. Kortom, een veelzijdig en interessant fonds dat herkenbaar is en als een eenheid voelt.
Bij het doorscrollen van de lijst van 50 publicaties voelde ik vooral spijt. Spijt dat ik niet steeds zo alert was als op die 12e juni, want ik zag verschillende titels die ik onmiddellijk zou willen bestellen, ware het niet dat in bijna alle gevallen het nare woordje UITVERKOCHT onder de titel staat. En wat wil je ook, als je bijvoorbeeld een werk publiceert van de hand van Piet Wackie Eysten met als titel Stefan Zweig & Joseph Roth, waarin wordt ingegaan op de complexe relatie tussen deze twee tijdgenoten. De grote Joseph Roth lees ik altijd met veel plezier - op de Dordtse boekenmarkt kocht ik nog Zipper en zijn vader - en welke bibliofiel kent er niet Zweig’s De onzichtbare verzameling (waar ik drie verschillende edities van blijk te hebben). Maar deze beschouwing heb ik nu niet, net zoals verschillende andere uitverkochte titels.Ik besloot de zelfkwelling verder te laten voor wat het was, en mij te focussen op de titels uit het fonds die ik wél had. Dat bleken er - inclusief de Nescio - vier te zijn. Een schamel aantal, maar toch leuk om even op een rijtje te zetten.
De oudste titel (nr. 9 in het fonds) is De Nescio-leesclub, van A.L. Snijders. Dit verhaal gaat helemaal niet over Nescio, maar vooral over deze leesclub waar A.L. Snijders werd uitgenodigd. Wat hem vooral aantrok was kennelijk dat je een speldje kreeg in de vorm van het hoedje van Nescio, als je bij de leesclub optrad. Dat optreden bestaat uit het voorlezen van een aantal teksten, waarna de leesclub uitmondt in een luidruchtige borrel. Hij geeft in drie verslagen een weergave van de bijeenkomst (en refereert daarin gelukkig wel een aantal keer aan Nescio0. Het verhaal verscheen in een oplage van 125, en daarnaast 15 luxe exemplaren, gebonden door binderij Phoenix. Ik heb nummer 87 van 125. Overigens is dit niet de Nescio leesclub die later landelijke bekendheid kreeg omdat dit de door Bas Steman opgerichte leesclub was waar hij een mooi boek over schreef: hoe krijg je jongeren weer aan het lezen? Ik schreef hier over het boek van Steman en die andere Nescio leesclub.
Waar de meeste titels van Uitgeverij Fragment een beperkte omvang hebben - enkele tientallen pagina’s - is de volgende titel (nr. 13 in het fonds) die ik kocht aanmerkelijk dikker: Boekenjacht van C.J. Aarts. Hierin beschrijft Aarts aan de hand van allerlei verhalen en anekdotes zijn speurtochten naar boeken. De meeste bijdragen verschenen eerder in het tijdschrift Boekenpost. Ik denk dat het dit boek is dat mij definitief op het spoor van de uitgeverij zette en waardoor ik mij op de nieuwbrief abonneerde. Het boek telt 248 pagina’s, is in linnen gebonden en de oplage was 600 exemplaren. Uiteraard ook uitverkocht, maar gelukkig heb ik een exemplaar.Direct daarna verscheen weer een titel waarin de wereld van het verzamelen van boeken centraal staat: In een veilinghuis wordt niet gelezen van Gustan Asselbergs (nr. 14 in het fonds). Dit is een verzameling schetsen over de wereld van het een niet nader genoemd veilinghuis (=Bubb Kuyper) waar de auteur werkzaam was. Asselbergs beschrijft verschillende aspecten van het leven binnen het veilinghuis, de contacten met de klanten, de boeken zelf, et cetera. Willem Jan Otterspeer heeft er een essay bij geschreven waarin hij veilinghuizen typeert als de laatste posten in de strijd tegen vergankelijkheid. Deze uitgave verscheen in een oplage van 100 exemplaren maar was zo snel uitverkocht dat er een tweede druk van 75 exemplaren verscheen. Ook die is uiteraard uitverkocht. Het geeft wel aan dat de wereld van veilinghuizen voor veel mensen fascinerend is. Ik heb eerder geschreven over dit werkje van Asselbergs en andere verwante uitgave over veilingen en veilinghuizen.
Vanaf dat moment ben ik er niet meer in geslaagd de titels bij de uitgeverij te bestellen, hoewel ik de nummers 15, 19, 21, 26, 32, 42, 43 en 46 toch wel graag wil hebben. Op 12 juni was ik alert genoeg, maar vervolgens was ik niet snel genoeg bij de publicatie van nr. 51, een beschouwing van Reinder Storm over E. du Perron als boekenmaniak. Ondanks de iets grotere oplage - 150 exemplaren plus enkele hardcover - was deze uiteraard ook weer in een mum van tijd uitverkocht. Bij de volgende nieuwbrief moet ik dus toch weer scherper zijn. Als ik kijk op boekwinkeltjes.nl dan zijn sommige titels daar nog wel te koop, maar voor aanmerkelijk hogere bedragen dan ze bij de uitgeverij zelf hebben gekost.Stichting Desiderata
Waar ik ook altijd naar uitkijk zijn de mails van Stichting Desiderata, waarin nieuwe uitgaven worden aangekondigd. Eigenlijk hoeft een mail niet eens, want ik bestel alle te verschijnen titels toch wel, maar die optie bestaat (nog) niet. Dus meld ik steevast in een onmiddellijke reply dat ik het boek graag tegemoet zie.
Zo ook met de nieuwste titel Het verloren lezen van Bonaventura Kruitwagen. Op voorhand al een fascinerende titel - welk lezen is er verloren? - en zoals altijd beloofde het weer een diepgravende en rijk geïllustreerde uitgave te worden. Terwijl de verschijningsdatum passeerde, blijf mijn brievenbus helaas leeg. Via facebook zag ik enthousiaste reacties van andere Desiderianen over het boek, maar ik kon daar niet in meegaan want ik had geen boek ontvangen. Uiteindelijk moesten we concluderen dat mijn exemplaar ergens tussen Tilburg en de Veluwe verloren was gegaan - had wolf Bram er dan toch zijn tanden in gezet? Gelukkig kreeg ik later alsnog een exemplaar en kon ik mij eindelijk verdiepen in de levensbeschrijving en de publicaties van deze Rotterdamse boekhistoricus die er in slaagde de wereld van het oude boek toegankelijk te maken voor een breed publiek.Maar naast een biografie is dit vooral het verslag van een groot drama. De titel van het boek verwijst namelijk naar het bombardement op het centrum van Rotterdam op 14 mei 1940. Om kwart over een in de middag verloor Kruitwagen dus zijn lezen. De pastorie waar hij woonde en werkte, werd namelijk volledig verwoest. Hij overleefde maar zijn werkbibliotheek van 9.000 boeken werd totaal vernietigd. Over die gebeurtenis schreef hij eind juni 1940 een ‘Encycliek’ – een gestencild rondschrijven aan familie, vrienden, en vakgenoten – met een gedetailleerd verslag van wat er was gebeurd en wat er verloren is gegaan. In Het verloren lezen van Bonaventura Kruitwagen wordt deze tekst voor het eerst in gedrukte vorm gepubliceerd en bovendien als bijlage – in een enveloppe – gereproduceerd. Dit is één van de vele mooie details van dit boek. De encycliek in enveloppe, de vele fraaie illustraties en de overdruk van handtekeningen, stempels en andere kenmerken in de besproken boeken zoals ik dat nog niet eerder had gezien. Het boek is met extreme zorgvuldigheid en creativiteit opgemaakt.
Kruitwagen kwam de klap van het verlies van zijn boeken eigenlijk niet meer te boven. Dat wil zeggen, hij koos ervoor om na de oorlog de focus in zijn leven te verleggen. Hij was immers franciscaan en de laatste jaren van zijn leven zette hij zich in voor de zorg voor mensen, passend bij zijn primaire roeping. Publiceren over boeken deed hij nog maar sporadisch. Het toeval wilde dat de dag voordat ik het boek uiteindelijk ontving, we in Vorden waren waar we het prachtige Heiligenbeeldenmuseum bezochten, dat is gevestigd in de in 1855 gebouwde H. Antonius van Paduakerk, de oudste nog bestaande kerk van de architect P.J.H. (Pierre) Cuypers). Aan de kerk grenst het voormalige fransiscaner klooster en in dat klooster heeft na het bombardement ook Kruitwagen enige tijd verbleven. Het klooster werd gebouwd in 1902 en is onder meer gebruikt voor de verpleging van tbc-patiënten. Later deed het dienst als rusthuis voor missionarissen. De laatste Franciscanen verlieten het klooster midden jaren negentig. Tot 2002 fungeerde het enkele jaren als asielzoekerscentrum. Daarna werd het een hotel dat zich met name richt op mensen met een zorgbehoefte. Tegenwoordig is het Trauma Centrum Nederland er in gevestigd. Alleen wist ik niet dat Kruitwagen er ook had verbleven toen ik in Vorden was, want toen was mijn boek nog niet gearriveerd. Ik zou er dan anders naar gekeken hebben, wetende dat deze boekenliefhebber er ook had rondgelopen. Maar ik had er direct wel een plaatje bij toen ik in het boek las: "Nadat 'de Kruit' in de Westewagenstraat zijn lezen verloor, verhuisde hij naar het franciscaner klooster in Vorden om verder te herstellen van de verwondingen aan zijn benen. (...) Na zijn revalidatie werd Kruitwagen van het klooster in Vorden overgeplaatst naar de pastorie van de Hartebrugkerk in Leiden".Eén van de manieren waarop de werken van Kruitwagen werden gepubliceerd is via de reeks “Van Trio aan zijn zakenvrienden”. In de subreeks Typografische Kruidtuin verscheen onder meer een publicatie over het zetfoutenduiveltje, dat in de uitgave van Stichting Desiderata wordt herdrukt. En uiteraard aangevuld met uitgebreide bespiegelingen van Ed Schilders over de oorsprong van het begrip zetduivel en de rol die deze heeft gespeeld in diverse publicaties. Net als andere uitgebreide bespiegelingen over een groot aantal prominente boek- en cultuurhistorici uit de vorige eeuw: uitgevers als Kruitwagens beste vriend Wouter Nijhoff en zijn beste vijand Tjeenk Willink; zijn bibliografische vriendinnen Maria Kronenberg en Maria Hüffer; bibliothecarissen als Marijn Campbell, C.P. Burger en Arie de Mare; de hoogleraren Lodewijk Rogier, Johan Huizinga, Leo Michels, Kees de Vooys en Vondel-vorser Bernard Molkenboer, die net als Kuitwagen zijn complete bibliotheek in vlammen zag opgaan. Het zetfoutenduiveltje is trouwens de enige publicatie van Kruitwagen die ik zelf in mijn bezit heb, maar na het lezen van dit boek heb ik nog wel een paar titels van zijn hand op mijn privé-desiderata-lijst gezet.