Elie Luzac: 18e-eeuwse veelschrijver, intellectueel, uitgever en netwerker
Het boek van Rietje van Vliet over Elie Luzac (1721-1796) waar ik vorige keer over schreef bleef bij mij hangen. Het mooie van het schrijven van een boek rond één centrale figuur is dat de persoon om wie het gaat diepgang krijgt en dat je niet alleen de feiten over zijn leven hoort, maar ook gevoel krijgt bij hoe iemand als persoon is en functioneert. Met zijn mooie en lelijke kanten. Wyger Velema schrijft in een recensie over dit boek een mooie kenschets van Luzac:
Luzac als de man die sneller schreef dan God kan lezen... Nu is Luzac ook al de Vestdijk van de 18e eeuw. Het is met de persoon van Luzac dus maar net met welke bril je hem bekijkt. Rietje van Vliet koos in haar boek het perspectief van de boekhandelaar/uitgever. De eerdergenoemde Kossmann bekijkt Luzac vanuit het perspectief van politieke geschiedenis. Hij zegt:Deze levendige publicist ontbrak het evident aan de originaliteit van een Hume, een Diderot of een Kant, maar in het intellectueel tamelijk vlakke landschap van de Nederlandse achttiende eeuw (een constatering die ondanks decennia van herwaardering voor dit tijdvak onverminderd van toepassing blijft) behoorde hij zonder twijfel tot de beste geesten. (...) Hij was, zoals E.H. Kossmann in zijn aan Luzac gewijde oratie van 1966 opmerkte, ‘een van die auteurs die sneller schrijven dan God lezen kan.’ Luzac schreef probleemloos over de meest uiteenlopende onderwerpen, maar filosofie, politieke theorie, natuurrecht, politieke economie en politiek waren zijn meest geliefde terreinen. Hij becommentarieerde tal van grote denkers van de Europese Verlichting, van Montesquieu tot Rousseau en van Leibniz tot Wolff. In zijn belangrijkste werken deed hij zich kennen als een aanhanger van een rationalistische, gematigde, tolerante en politiek behoudende Verlichting.
Ik wil voor Luzac niet meer opeisen dan hij verdient. Hij was noch een groot denker noch een groot schrijver. Toch lijkt me dat hij recht heeft op diepere aandacht dan hem gemeenlijk geschonken wordt. Want hij heeft, naar het mij voorkomt, karakteristieke termen en definities gevonden voor wat men naar analogie van het verlichte despotisme zou kunnen noemen: het verlichte conservatisme.
Bert Tieben beschouwt Luzac vanuit economisch perspectief en kijkt naar diens bijdrage aan de ontwikkeling van het economisch denken in Nederland. Hij vergelijkt het denken van Luzac met Adam Smith. Tieben zegt:
Wat was er verlicht aan de denkbeelden van deze conservatief? Het is de rationele benadering van maatschappelijke vraagstukken. (...) Een rode draad bij Luzac is de constatering dat niemand arbeid verricht uit oogpunt van het algemeen belang, maar louter om het eigenbelang te dienen. (...) Luzac begreep terecht dat de marktprijs een relatieve prijs is. (...) Had de economische professie maar naar Luzac geluisterd, dan hadden we ons de omweg via de arbeidswaardeleer kunnen besparen.
En over zijn boek Hollands Rijkdom:
Luzac was een veelzijdig man, iemand die zich actief bewoog in / kennis had over een Europees netwerk van verlichtingsdenkers. En als schrijver en uitgever daarin een voorname rol speelde, hoewel ook hij in de snel veranderende tijden aan het einde van de 18e eeuw met tegenslag te maken kreeg. Zo werd hij al eens getrakteerd op een paar klappen vanwege zijn politieke opvattingen en ook als uitgever / boekhandelaar betaalde hij de prijs voor zijn vasthoudende "verlicht conservatieve" koers in tijden van revolutie: zijn klanten bleven weg. Maar ook al eerder in zijn carrière ging hij confrontaties niet uit de weg: welbewust publiceerde hij het toen uiterst controversiële boek L'Homme machine van La Mettrie omdat hij de vrije uitwisseling van ideeën, de vrijheid van meningsuiting, een belangrijke waarde vond. Van Vliet laat overigens mooi zien hoe op basis van zijn ervaringen Luzac later in zijn leven desondanks pleitte voor een begrenzing van die vrijheid, want ongelimiteerde vrijheid kan volgens hem uiteindelijk leiden tot bewuste kwaadsprekerij en destabilisering van de samenleving.De kern van het boek is dat vrijheid noodzakelijk is om de koophandel en dus de welvaart van een land te doen bloeien. Het begrijpen van dit proces is wat Luzac koophandelskunde noemt. (...) Keer op keer stelt Luzac dat alleen de centrale overheid kan optreden in het algemeen belang. Voor de bescherming van de handel en andere algemene belangen was de zichtbare hand nodig van de stadhouder: een positie die hem in zijn eigen tijd op veel kritiek en zelfs molest kwam te staan. Het beginsel dat voor goed werkende markten een sterke overheid vereist is, wordt in onze tijd juist steeds beter begrepen.
Enkele kernpublicaties van Luzac
Luzac schreef veel en gaf veel van zijn eigen publicaties ook uit. Een paar van die uitgaven springen er uit. Een ervan is Reinier Vryaarts Openhartige Brieven een kwartaalschrift dat Luzac zelf volschreef en uitgaf. Weliswaar onder pseudoniem, maar iedereen wist dat het Luzac was van wie de Brieven afkomstig waren. In de verschillende uitgaven becommentarieerde Luzac de maatschappelijke ontwikkelingen van zijn tijd. Hij nam daarin ook duidelijk stelling als orangist tegenover de patriottische overtuigingen in het land.
Een andere belangwekkende uitgave van Luzac, volgens sommigen zelfs zijn bekendste werk, is Hollands Rijkdom. Of meer precies de vierdelige uitgave Hollands rijkdom, behelzende den oorsprong van den koophandel, en van de magt van dezen Staat; de toeneemende vermeerdering van deszelfs koophandel en scheepvaart; de oorzaaken, welke tot derzelver aanwas medegewerkt hebben; die, welke tegenwoordig tot derzelver verval strekken; mitsgaders de middelen, welke dezelven wederom zouden kunnen opbeuren, en tot hunnen voorigen bloei brengen die tussen 1780 en 1783 verscheen. Hollands rijkdom, een vertaling en uitbreiding van een oorspronkelijk Frans werk, kan worden beschouwd als de eerste volledige handelsgeschiedenis van Nederland. Daartoe werd het oorspronkelijke werk waar Luzac zich op baseerde, La richesse de la Hollande (1778) van Jacques Accarias de Sérionne, "merkelijk veranderd, vermeerderd, en van verscheiden misslagen gezuiverd", aldus de titelpagina. De omvang van de Nederlandse uitgave is met zijn ruim 2400 pagina’s dan ook meer dan driemaal die van de Franse.Mijn exemplaar van Hollands Rijkdom
Ik ging na lezing van het boek Van Vliet om mij heen kijken om te zien of ik een betaalbaar werk van Luzac kon vinden. Liefst een van zijn meer significante werken. Tot mijn grote plezier werd een complete serie van Hollands Rijkdom op Marktplaats aangeboden, en voor een mooi bedrag van 30 euro mocht ik het hebben. Het exemplaar heeft wel wat werk en liefde nodig: van deel 4 ontbreekt de rug helemaal, van deel 1 is de rug los en verscheidene voor- en achterplatten zijn los. Maar de boeken zijn compleet en de boekblokken in goede staat, dus sowieso een hele fijne aankoop.
Bij het bestuderen van de staat van de boeken vielen mij nog een paar dingen op. Allereerst dat in één van de delen een klein briefje zat met het nummer "187" erop. Dit is een papiertje wat naar mijn ervaring door veilinghuizen wordt gebruikt om kavels te nummeren. Mijn setje is kennelijk eerder in een veiling als kavel 187 verkocht. Ik heb geen idee wanneer of waar en kon ook niet in catalogi van een aantal recente boekenveilingen deze set boeken bij dit kavelnummer terugvinden.
![]() |
De uitsnede uit de pagina die op mijn boekband is te zien |
Het tweede is dat bij de twee delen waar de rug van mist, te zien is dat de ruggen zijn verstevigd met bedrukt papier, mogelijk van andere boeken. Op basis van de paar leesbare woorden kon ik terugvinden wat het was: de ruggen van in elk geval twee boeken blijken verstevigd met delen van het voorblad van de uitgave La régence: journal des échecs, Volume 1, een schaakboek uit... 1849. Het lijkt er op dat mijn set boeken bijna vijftig jaar na verschijning is ingebonden of opnieuw is ingebonden. Op zich was het niet ongebruikelijk dat je oningebonden boeken kocht en dat je die naar eigen smaak kon laten inbinden. Alleen het feit dat dit zo lang na verschijnen gebeurde vind ik wel bijzonder. Ook omdat het een redelijk doorsnee band is waar ze nu in zitten, en niet een of andere fraaie privéband voor een persoonlijke bibliotheek. Maar wellicht waren de oorspronkelijke banden beschadigd en hechtte de toenmalige eigenaar aan goede nieuwe banden zonder daar veel voor te willen uitgeven.Wat ook kan is dat het boek überhaupt pas veel later door iemand is gekocht. Uit de boedelbeschrijving van Luzac na zijn overlijden blijkt dat er begin 19e eeuw nog 212 exemplaren van het werk op voorraad waren, en via Delpher vond ik advertenties van boekhandels die het werk midden 19e eeuw ook nog aanbieden. Zoals de Haagse antiquaar J.L.C. Jacob die in 1844 een set aanbiedt voor 9 gulden (en vervolgens in 1851 een advertentie plaatst waarin hij het eerste deel zoekt). In 1847 plaatst de Haagse boekhandelaar Van Stockum ook een advertentie met gezochte titels, waaronder Luzac’s Hollands Rijkdom. Het boek was in die tijd nog gewild, en goed verhandelbaar.
Over de productie van Hollands Rijkdom
- Het eerste deel begint met een uitgebreid voorwoord waarin Luzac de algemene thematiek van zijn boek neerzet en daarna nog een inleiding ("de koophandel ten gelijke tijde met de vrijheid in Holland is opgekomen, en er, als 't ware, te gelijk met dezelve is geboren"). Het eerste deel kent verder drie hoofdstukken waarin vooral de opkomst van de verschillende hoofdthema's in zijn boek wordt beschreven: opkomst van de scheepvaart vanaf oude tijden en idem over de opkomst van de koophandel. Hij begint bij Julius Caesar en de Batavieren en komt via de Noormannen uit bij de glorietijd van de vaderlandse handel in de 16e en 17e eeuw. In het derde hoofdstuk beschrijft hij de scheepvaart en koophandel sinds de opkomst van de vrije staat, volgens Luzac te markeren vanaf 1566, het moment van verzet tegen Filips II. Hij gaat dieper in op de Oost- en West-Indische maatschappijen, de handel op verschillende landen en de visserij. Het eerste deel sluit af met een lange reeks bijlagen, meestal verschillende documenten die zijn betoog moeten ondersteunen: een brief, een verdrag, octrooien, vergunningen, een plakkaat, enz. Sowieso onderbouwt Luzac zijn verhaal grondig maar mooi is dat hij ook verschillende historische documenten opneemt, soms integraal en soms samengevat.
- Het tweede deel begint ook met een voorwoord en daarna een lijst met intekenaren op deze uitgave. Hieruit blijkt dat voor de bibliotheek van de Prins van Oranje 2 exemplaren waren bestemd. Voor het overige staan er veel boekverkopers op de lijst, verder diverse leesgezelschappen, advocaten, schepenen, notarissen, predikanten en kooplieden. Maar ook de burgemeester van Monnickendam, een kostschoolhouder in Noordwijk, een chirurgijn uit Maassluis en een huisman (?) uit Garnweert.
In dit deel staan de hoofdstukken 4 en 5. Hoofdstuk 4 gaat over de oorsprong en oprichting van de admiraliteiten. Hoofdstuk 5 heet geen hoofdstuk maar “hoofddeel” en gaat over de "staat der verenigde gewesten", met in paragrafen speciale aandacht voor de VOC en WIC algemeen, vervolgens specifiek aandacht voor Suriname (zie uitgebreider hier), Berbice, Essequebo en Demerari, Curacao, St. Eustatius en overige gewesten. Dan gaat Luzac in op haringvangst, walvisvangst, kabeljauwvangst om vervolgens nog in te gaan op koophandel in Europa, handel in effecten en de staat van fabrieken en manufacturen. Ook hier aan het slot weer een lijst met bijlagen, nog langer dan in het eerste deel, met wederom tal van officiële documenten die zijn betoog onderbouwen. Zoals de "memorien van de vrije planters in de colonie de Berbice, aan de directeuren van gemelde colonie, met de antwoorden op dezelven". Maar ook een rapport over de toestand in Oost-Indië, uit 1664. - Het derde deel begint wederom met een bericht aan de lezer, waarin Luzac verzucht dat hij zich niet had gerealiseerd dat hij zoveel te veranderen, verhelpen en vermeerderen zou hebben aan de oorspronkelijke Franse uitgave. Verder herhaalt hij daar met nadruk het belang van vrijheid voor de koophandel: "Niemant is meer dan ik overtuigd, dat de koophandel zonder vrijheid niet bestaan kan; de vrijheid is de ziel van alle koopmanschap: ik beken 't."
Dit deel bevat de hoofdstukken 6 en 7 en in deze hoofdstukken staat de opkomst en bloei van de koophandel echt centraal. Hoofdstuk 6 beschrijft de opkomst daarvan sinds de "vereenigden staat", en hoofdstuk 7 gaat in op de verdere bloei daarvan. In hoofdstuk 7 is dan specifiek aandacht voor de staatsgeschiedenis, de burgerlijke vrijheid, de voortreffelijkheid van de stadhouderlijke staatsregering (hier zie je wel heel nadrukkelijk de orangistische kant van Luzac) en van verbonden, verdragen en reglementen. Uiteraard wederom met een lijst met bijlagen waarin die verschillende aangehaalde verdragen en verbonden worden gereproduceerd. - Het vierde deel focust meer op het verval van de periode van rijkdom van Nederland. Het telt ook veel meer hoofdstukken, genummerd 8-21. De hoofdstukken gaan in op de oorzaken van dit verval. Luzac gaat in op de schadelijke invloed van belastingen, van de "staatsgesteltenis", van het gebrek van verbintenissen met vreemde mogendheden, het gebrek aan een goede krijgsmacht en van het geven van krediet. Ook gaat hij in op het verval van Oost- en West-Indische bezittingen en van "onzer Colonien" in het algemeen. Vanaf hoofdstuk 17 doet Luzac suggesties voor een hernieuwde opleving van de koophandel, zowel als het gaat om de binnenlandse koophandel als om scheepvaart en fabrieken. Het boek sluit af met een lijst van 15 punten waarin Luzac nog eens samenvat hoe hij er over denkt. Niet verbazend is het eerste punt "het handhaaven der tegenwoordige regeeringsvorm onzes vaderlands", maar al twee jaar na publicatie van dit boek ontstond helaas voor hem de Bataafse Republiek. Die wens van Luzac is daarmee niet uitgekomen. Verder pleitte hij oa voor belastingen op voorwerpen "van pracht en weelde", maar expliciet niet op de koophandel. Ook "het vermijden van oorlog" is een belangrijk punt. Na deze hoofdstukken volgt nog een narede waarin Luzac verantwoording aflegt over zijn keuzes. Zo zegt hij: "Ik weet wel, en ik hebbe het vooruitgezien, dat 'er velen zouden vallen over mijne overweegingen raakende de constitutie van ons gemenebest, en de noodwendigheid der stadhouderlijke regeeringe" en dat dit niet hielp bij de verkoop. Verder gaat hij uitgebreid in op de kritiek dat hij de historicus Jan Wagenaar te weinig prijst. Hij vindt het allemaal prima wat men van Wagenaar vindt, "al wilde men hem een goud standbeeld in zijne vaderlijke stad oprichten, hem vergoden", maar Luzac vindt dat Wagenaar veel te weinig aandacht schenkt aan onderwerpen die in Hollands Rijkdom wel worden benoemd.
Ook dit vierde deel kent een aantal bijlagen, waaronder een groot vel met een overzicht van de goederen die zijn ingeklaard bij de Waag, rond 1610.