zondag, september 02, 2012

Een fabelachtige leugenaar

Ik besteed veel van mijn tijd aan het zoeken naar debuten. Dat wil zeggen: debuten van schrijvers van wie ik er veel te laat achterkwam dat ze belangrijk gingen worden. Daarom koop ik debuten vaak pas jaren nadat ze op de markt kwamen. En als je dan met terugwerkende kracht de eerste pennevrucht van zo'n auteur wilt hebben, is dat een lange en kostbare zoektocht. Veel voordeliger is het dan ook om debuut te verzamelen als het een debuut is. En dan is het afwachten of de debuterende auteur uitgroeit tot een toekomstige topauteur.

Recent las ik het debuut van de Berlijnse Susann Pásztor met de titel Een fabelachtige leugenaar. De titel van het boek intrigeerde mij, en ook de beschrijving:
Een lichtvoetige Joodse komedie over een familie die ter gelegenheid van de honderdste verjaardag van hun (groot)vader in Weimar samenkomen. Verteld vanuit het perspectief van kleindochter Lily komen de uiteenlopende vaderbeelden naar voren. Maar welke geschiedenis is nu waar?

Ik was vooral benieuwd of het mogelijk was een "lichtvoetige komedie" te schrijven tegen de achtergrond van de gruwelijkheden van Buchenwald. En daarnaast was ik benieuwd hoe in dit geval de geschiedenis van een naoorlogse Joodse generatie verteld zou worden.

Het verhaal van Pásztor deed me denken aan onder meer Meir Shalev en Marcel Möring. Twee Joodse schrijvers die in hun boeken ook een bij tijd en wijle krankzinnige, verhalenvertellende familie opvoeren. Natuurlijk zijn dit maar twee van talloze Joodse auteurs in dit genre (Potok, Oz, Englander, Singer, Weil, etc. etc. etc.), maar ik wil mij tot deze twee beperken. Net als bij Shalev (in meerdere boeken) en bij Möring (met name in In Babylon) is het boek van Pásztor een aaneenschakeling van geschiedenissen waarbij het ene verhaal de kiem bevat van het volgende en verhaal na verhaal de langzame ontrafeling van een familiegeschiedenis volgt. Net als bij Shalev wordt de familie direct op de eerste pagina al neergezet als niet helemaal gewone familie waarin dit soort verhalen een grote rol spelen. Dat schept verwachtingen en die verwachtingen lost Pásztor gedeeltelijk in. Ik betrapte mijzelf er vooral in het begin op dat ik een aantal mooie zinswendingen voorlas aan anderen. En ik was verrast over de ingenieuze wijze waarop zij de verhalen aan elkaar weeft.

Tegelijkertijd had het boek wat mij betreft dikker mogen zijn: dan hadden sommige verhaallijnen beter uitgewerkt kunnen worden. Nu blijven sommige karakters toch wat oppervlakkig, hoewel ze enorme potentie hebben. Terwijl datgene wat we over moeder, tante Hannah en oom Gabor te weten komen smaakt naar meer; in hun eigenaardige gewoontes en terloopse opmerkingen over hun verleden zitten nog prachtige familiegeschiedenissen in verloren. Gek genoeg blijft kleindochter Lidy, vanuit wiens perspectief het verhaal wordt verteld, nog het meest oppervlakkig. Hoewel zij de verbindende factor is blijft het verhaal soms te lang bij haar introspectie hangen zonder dat ze daarin overtuigt. Ga dan maar liever verder met een volgend verhaal over Joschi, denk ik dan: ik geloof het wel met de verliefdheid van Lidy voor haar mentor Jan.

Zoals bij alle Joodse geschiedenissen speelt vervolging een grote rol, of dit nu in de twintigste eeuw is of de eeuwen daarvoor: helaas is dit een terugkerend element. In dit geval gaat het om de Holocaust en de (vermeende) internering van grootvader Joschi in Buchenwald. De familie worstelt met de Joodse identiteit en met het vraagstuk van een vernietingskamp zo dicht bij Weimar, toch een stad waarin de hoogste cultuur zichtbaar is. Het contrast is groot en de familie moet met dit gegeven, en met elkaar, in het reine komen. Uiteindelijk volgt een verzoening en een plechtige herdenking rond Buchenwald, die uiteraard zoals het bij deze familie past in het honderd loopt.

Zo lichtvoetig vond ik deze komedie dus niet. Gelukkig wordt het ook nergens kolderiek (dat kan wat mij betreft niet in een boek waar een vernietigingskamp een rol speelt) en blijft elk verhaal over de uitroeiing van Joden aangrijpend. Die ruimte geeft het boek ook. En dat maakt dat ik na lezing van het boek moet concluderen dat Pásztor er in is geslaagd de balans te bewaren tussen ernst en humor en een onderhoudend verhaal heeft geschreven.

De vraag die overblijft is of Pásztor bij haar late debuut (zij is 55 jaar) aan het begin van een indrukwekkend oeuvre staat en of dit boek het begin van een groot schrijverschap laat zien. Heb ik nu een boek in handen waarvan ik over een paar decennia kan zeggen dat ik direct al opmerkte wat voor een belangrijke auteur Pásztor ging worden? Daarover twijfel ik. Daarvoor is dit boek net te licht. Maar haar volgende boek zal uitwijzen welke weg ze opgaat en of ze er in slaagt een vergelijkbaar verhaal met meer diepgang te schrijven en de relatief zware thema's die ze aanhaalt geloofwaardig uit te werken. Voor de liefhebber tot slot: hier de positieve recensie van dit boek in de Volkskrant. En hoe haar verdere carrière er ook uitziet, ze heeft in elk geval al de Berthold Auerbach Literaturpreise gewonnen.


Geen opmerkingen: