Posts tonen met het label Stichting Desiderata. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Stichting Desiderata. Alle posts tonen

27 augustus, 2025

363 - Fragment & Desiderata

Gelukkig was ik weer eens alert toen donderdagochtend 12 juni om 06.36 uur de nieuwsbrief van Uitgeverij Fragment in mijn mailbox verscheen. Frank van den Ingh liet op zijn welbekende vriendelijke wijze (maar met nauwelijks verholen trots) weten dat een nieuwe titel was verschenen: een uitgave van twee essays van Paul van Tongeren, over Nescio. In het bijzonder over de plek van God in het werk van Nescio. "De betekenis van God is bij Nescio niet eenduidig", aldus de aankondiging. Er is "de God van je tante", die vooral gekenmerkt wordt door 'hoe het hoort' en de orde in de samenleving bewaakt, en "de God van Nescio, die vooral gevonden wordt in de natuur en gekenmerkt wordt door eeuwige verandering en doelloosheid". 

Nou, die uitgave wilde ik niet missen natuurlijk. En ik moest er snel bij zijn, want de oplage is traditiegetrouw klein: 125 exemplaren, waarvan enkele exemplaren hardcover. Ik had natuurlijk mijn zinnen gezet op de hardcover, want als dat een optie is dan zou het niet verstandig zijn dat te negeren. In antwoord op mijn bestelling benadrukte Frank dat dit tevens de 50e uitgave in zijn fonds was. Dit maakte mij direct nieuwsgierig: hoeveel uitgaven uit dit fonds had ik eigenlijk intussen?

De God van Nescio

Maar eerst iets over deze essays en de auteur. Paul van Tongeren was tot zijn emeritaat in 2015 hoogleraar wijsgerige ethiek aan de Radboud Universiteit in Nijmegen. Van april 2021 tot april 2023 was hij 'denker des vaderlands'. Zo’n thema als de God van Nescio is hem dus wel toevertrouwd. De essays verschenen al eerder, maar zijn voor deze publicatie licht gewijzigd.

Het eerste essay is getiteld “Paradijselijk niet-weten” en probeert een antwoord te vinden op de vraag wat het nu is dat maakt dat mensen zo geraakt worden door het werk van Nescio. Van Tongeren betoogt dat het ontdekken van wat Nescio wil zeggen alleen kan door te analyseren wat de auteur door zijn hoofdpersonen zegt, of meer specifiek hoe deze zich tot elkaar verhouden en de drie polen die het spanningsveld bepalen van de verhalen van Nescio: de mensen, de natuur en God. De conclusie van dit eerste essay lijkt dat Nescio’s verhalen de lezer onuitwisbaar hebben geraakt en verblind. “Maar die verblinding hoort bij een verwonding die we koesteren”, aldus Van Tongeren.

Het tweede essay heeft de lange titel “Maar die van God is vervuld gaat aan zijn gruwelijke oneindigheid ten gronde” een uitspraak van Bavink. Van Tongeren gaat hier in op het onvermogen van de hoofdpersonen om wat ze ervaren in de natuur, vast te leggen of te duiden (zoals de zonsondergangen die Bavink wil schilderen). Maar hij laat ook zien dat Nescio zelf het onbegrip van de natuur benoemt, de natuur die zichzelf als het ware niet begrijpt. Tegelijkertijd is de natuur eindeloos (in tijd) in vergelijking met het korte leven van mensen, en de natuur is dan ook veel groter dan de mens. Hier komen de hoofdpersonen van Nescio God tegen. Van Tongeren haalt dan één van mijn favoriete passages uit Nescio’s werk aan:

Om zeven uur stond de zon nog hoog boven de zee, maakte, al weer, ik kan ‘t niet helpen, ‘t is God zelf die steeds in herhalingen vervalt, maakte alweer een lange gouden streep op ‘t water en scheen op onze gelaten.

Wat ik zelf een eye-opener vond was de vergelijking die Van Tongeren maakte tussen een uitspraak van Koekebakker en de titel Titaantjes die Nescio aan één van zijn verhalen gaf. Van Tongeren:

Koekebakker vertelt over een tijd die voorgoed vervlogen is, hoewel het zijn eigen geschiedenis is: ‘We zijn nu veel wijzer, stakkerig wijs zijn we, behalve Bavink, die mal geworden is. (…) Maar toen waren we in de dagen onzer dwaasheid, de uitverkorenen Gods, ja God zelf.’

God zelf, net als de titanen, want dat waren immers de kinderen van de oergoden. En behalve met elkaar zijn ook Nescio’s titaantjes met niets zozeer verbonden als met Ouranos en Gaia: de hemel en de aarde. Er wordt weliswaar verschillende keren gezegd dat zij grote revolutionaire plannen hebben (alle kantoren afbreken, de rollen tussen bazen en knechten omdraaien), maar daarmee wordt zelfs geen begin gemaakt. 

Titanen en titaantjes, vanuit de Griekse mythologie is de relatie wel helder. De titanen waren reuzen, echte hemelbestormers. En de titaantjes zijn kleine mensen die wensen dat ze reuzen zijn, die de hemel willen bestormen maar dat niet doen. Die uitleg is helder. Maar ik had zelf nooit doordacht dat de titanen vanuit de mythologie voortkomen uit Ouranos en Gaia en in feite goden waren. En dit zegt dus ook iets over de dubbelheid in de hoofdpersonen van Nescio, maar dan zijn het geen goden maar godjes. Atlhans, dat willen ze graag. En net als de titanen hun plek moesten afstaan aan de goden van de Olympus, is ook voor de titaantjes alleen het besef over gebleven dat zij niet zullen heersen. Een mooi inzicht! Vervolgens zegt Van Tongeren nog veel meer wijsgerige dingen die het aanhalen waard zijn, maar die moet eenieder dan maar zelf lezen in deze essays.

Van Tongeren is uiteraard niet de enige die zich verdiept in “de God van Nescio”. Zie bijvoorbeeld dit essay van Guido Vanheeswijck over het godsbesef bij Spinoza en Nescio uit 2024. En ook in boekvorm zijn er talloze analyses van deze God te vinden. 

Uitgeverij Fragment

De uitgeverij bestaat sinds 2016 en heeft in nog geen tien jaar het respectabele aantal van 50 publicaties bereikt. Zelf zegt Van den Ingh over zijn uitgeverij: “De Uitgeverij richt zich op non-fictie: beschouwingen en essays, op het terrein van de literatuur en beeldende kunst. Daarnaast kunnen persoonlijke fascinaties van de uitgever leiden tot een publicatie.” Eén van die fascinaties is Gerard Reve; beschouwingen over Reve en zijn werk maken dan ook een substantieel deel uit van het fonds. Of het nu de zesdelige serie over de reisbrieven van Reve is die Frank van Dijl schreef, of een beschouwing van Albert Wulffers over vormgever Ies Spreekmeester (die het omslag voor de eerste druk van De Avonden ontwierp): Reve is de rode draad in het fonds. Maar er is veel meer dan dat, er zijn verschillende titels verschenen over Stefan Zweig, maar ook over Max de Jong of Menno Voskuil. Verschillende titels zijn van de hand van L.H. Wiener en Jan Paul Hinrichs. Kortom, een veelzijdig en interessant fonds dat herkenbaar is en als een eenheid voelt.

Bij het doorscrollen van de lijst van 50 publicaties voelde ik vooral spijt. Spijt dat ik niet steeds zo alert was als op die 12e juni, want ik zag verschillende titels die ik onmiddellijk zou willen bestellen, ware het niet dat in bijna alle gevallen het nare woordje UITVERKOCHT onder de titel staat. En wat wil je ook, als je bijvoorbeeld een werk publiceert van de hand van Piet Wackie Eysten met als titel Stefan Zweig & Joseph Roth, waarin wordt ingegaan op de complexe relatie tussen deze twee tijdgenoten. De grote Joseph Roth lees ik altijd met veel plezier - op de Dordtse boekenmarkt kocht ik nog Zipper en zijn vader - en welke bibliofiel kent er niet Zweig’s De onzichtbare verzameling (waar ik drie verschillende edities van blijk te hebben). Maar deze beschouwing heb ik nu niet, net zoals verschillende andere uitverkochte titels.

Ik besloot de zelfkwelling verder te laten voor wat het was, en mij te focussen op de titels uit het fonds die ik wél had. Dat bleken er - inclusief de Nescio - vier te zijn. Een schamel aantal, maar toch leuk om even op een rijtje te zetten.

De oudste titel (nr. 9 in het fonds) is De Nescio-leesclub, van A.L. Snijders. Dit verhaal gaat helemaal niet over Nescio, maar vooral over deze leesclub waar A.L. Snijders werd uitgenodigd. Wat hem vooral aantrok was kennelijk dat je een speldje kreeg in de vorm van het hoedje van Nescio, als je bij de leesclub optrad. Dat optreden bestaat uit het voorlezen van een aantal teksten, waarna de leesclub uitmondt in een luidruchtige borrel. Hij geeft in drie verslagen een weergave van de bijeenkomst (en refereert daarin gelukkig wel een aantal keer aan Nescio). Het verhaal verscheen in een oplage van 125, en daarnaast 15 luxe exemplaren, gebonden door binderij Phoenix. Ik heb nummer 87 van 125. Overigens is dit niet de Nescio leesclub die later landelijke bekendheid kreeg: dat was de door Bas Steman opgerichte leesclub voor middelbare scholieren waar hij een mooi boek over schreef. Een lesje in hoe je jongeren weer aan het lezen krijgt. Ik schreef hier over het boek van Steman en die andere Nescio leesclub. 

Waar de meeste titels van Uitgeverij Fragment een beperkte omvang hebben - enkele tientallen pagina’s - is de volgende titel die ik kocht (nr. 13 in het fonds) aanmerkelijk dikker: Boekenjacht van C.J. Aarts. Hierin beschrijft Aarts aan de hand van allerlei verhalen en anekdotes zijn speurtochten naar boeken. De meeste bijdragen verschenen eerder in het tijdschrift Boekenpost. Ik denk dat het dit boek is dat mij definitief op het spoor van de uitgeverij zette en waardoor ik mij op de nieuwbrief abonneerde. Het boek telt 248 pagina’s, is in linnen gebonden en de oplage was 600 exemplaren. Uiteraard ook uitverkocht, maar gelukkig heb ik een exemplaar. 

Direct daarna verscheen weer een titel waarin de wereld van het verzamelen van boeken centraal staat: In een veilinghuis wordt niet gelezen van Gustan Asselbergs (nr. 14 in het fonds). Dit is een verzameling schetsen over de wereld van het een niet nader genoemd veilinghuis (=Bubb Kuyper) waar de auteur werkzaam was. Asselbergs beschrijft verschillende aspecten van het leven binnen het veilinghuis, de contacten met de klanten, de boeken zelf, et cetera. Willem Jan Otterspeer heeft er een essay bij geschreven waarin hij veilinghuizen typeert als de laatste posten in de strijd tegen vergankelijkheid. Deze uitgave verscheen in een oplage van 100 exemplaren maar was zo snel uitverkocht dat er een tweede druk van 75 exemplaren verscheen. Ook die is uiteraard uitverkocht. Het geeft wel aan dat de wereld van veilinghuizen voor veel mensen fascinerend is. Ik heb eerder geschreven over dit werkje van Asselbergs en andere verwante uitgave over veilingen en veilinghuizen.

Vanaf dat moment ben ik er niet meer in geslaagd de titels bij de uitgeverij te bestellen, hoewel ik de nummers 15, 19, 21, 26, 32, 42, 43 en 46 toch wel graag wil hebben. Op 12 juni was ik alert genoeg, maar vervolgens was ik niet snel genoeg bij de publicatie van nr. 51, een beschouwing van Reinder Storm over E. du Perron als boekenmaniak. Ondanks de iets grotere oplage - 150 exemplaren plus enkele hardcover - was deze uiteraard ook weer in een mum van tijd uitverkocht. Bij de volgende nieuwbrief moet ik dus toch weer scherper zijn. Als ik kijk op boekwinkeltjes.nl dan zijn sommige door mij begeerde titels daar nog wel te koop, maar voor aanmerkelijk hogere bedragen dan ze bij de uitgeverij zelf hebben gekost.

Stichting Desiderata

Waar ik ook altijd naar uitkijk zijn de mails van Stichting Desiderata, waarin nieuwe uitgaven worden aangekondigd. Eigenlijk hoeft een mail niet eens, want ik bestel alle te verschijnen titels toch wel, maar die optie bestaat (nog) niet. Dus meld ik steevast in een onmiddellijke reply dat ik het aangekondigde boek graag tegemoet zie.

Zo ook met de nieuwste titel Het verloren lezen van Bonaventura Kruitwagen. Op voorhand al een fascinerende titel - welk lezen is er verloren? - en zoals altijd beloofde het weer een diepgravende en rijk geïllustreerde uitgave te worden. Terwijl de verschijningsdatum passeerde, blijf mijn brievenbus helaas leeg. Via facebook zag ik enthousiaste reacties van andere Desiderianen over het boek, maar ik kon daar niet in meegaan want ik had geen boek ontvangen. Uiteindelijk moesten we concluderen dat mijn exemplaar ergens tussen Tilburg en de Veluwe verloren was gegaan - had wolf Bram er dan toch zijn tanden in gezet? Gelukkig kreeg ik later alsnog een exemplaar en kon ik mij eindelijk verdiepen in de levensbeschrijving en de publicaties van deze Rotterdamse boekhistoricus die er in slaagde de wereld van het oude boek toegankelijk te maken voor een breed publiek. 

Maar naast een biografie is dit vooral het verslag van een groot drama. De titel van het boek verwijst namelijk naar het bombardement op het centrum van Rotterdam op 14 mei 1940. Om kwart over een in de middag verloor Kruitwagen dus zijn lezen. De pastorie waar hij woonde en werkte, werd namelijk volledig verwoest. Hij overleefde,  maar zijn werkbibliotheek van 9.000 boeken werd totaal vernietigd. Over die gebeurtenis schreef hij eind juni 1940 een ‘Encycliek’ – een gestencild rondschrijven aan familie, vrienden, en vakgenoten – met een gedetailleerd verslag van wat er was gebeurd en wat er verloren is gegaan. In Het verloren lezen van Bonaventura Kruitwagen wordt deze tekst voor het eerst in gedrukte vorm gepubliceerd en bovendien als bijlage – in een enveloppe – gereproduceerd. Dit is één van de vele mooie details van dit boek. De encycliek in enveloppe, de vele fraaie illustraties en de overdruk van handtekeningen, stempels en andere kenmerken uit de besproken boeken zijn gereproduceerd zoals ik dat nog niet eerder had gezien. Het boek is met extreme zorgvuldigheid en creativiteit opgemaakt.

Kruitwagen kwam de klap van het verlies van zijn boeken eigenlijk niet meer te boven. Dat wil zeggen, hij koos ervoor om na de oorlog de focus in zijn leven te verleggen. Hij was immers franciscaan en de laatste jaren van zijn leven zette hij zich in voor de zorg voor mensen, passend bij zijn primaire roeping. Publiceren over boeken deed hij nog maar sporadisch. Het toeval wilde dat de dag voordat ik het boek uiteindelijk ontving, we in Vorden waren waar we het prachtige Heiligenbeeldenmuseum bezochten, dat is gevestigd in de in 1855 gebouwde H. Antonius van Paduakerk, de oudste nog bestaande kerk van de architect P.J.H. (Pierre) Cuypers). Aan de kerk grenst het voormalige fransiscaner klooster en in dat klooster heeft na het bombardement ook Kruitwagen enige tijd verbleven. Het klooster werd gebouwd in 1902 en is onder meer gebruikt voor de verpleging van tbc-patiënten. Later deed het dienst als rusthuis voor missionarissen. De laatste Franciscanen verlieten het klooster midden jaren negentig. Tot 2002 fungeerde het enkele jaren als asielzoekerscentrum. Daarna werd het een hotel dat zich met name richt op mensen met een zorgbehoefte. Tegenwoordig is het Trauma Centrum Nederland er in gevestigd. Helaas wist ik nog niet dat Kruitwagen er ook had verbleven toen ik in Vorden was. Ik zou er dan anders naar gekeken hebben, wetende dat deze boekenliefhebber er ook had rondgelopen. Maar ik had er direct wel een plaatje bij toen ik in het boek las: "Nadat 'de Kruit' in de Westewagenstraat zijn lezen verloor, verhuisde hij naar het franciscaner klooster in Vorden om verder te herstellen van de verwondingen aan zijn benen. (...) Na zijn revalidatie werd Kruitwagen van het klooster in Vorden overgeplaatst naar de pastorie van de Hartebrugkerk in Leiden".

Eén van de manieren waarop de werken van Kruitwagen werden gepubliceerd is via de reeks “Van Trio aan zijn zakenvrienden”. In de subreeks Typografische Kruidtuin verscheen onder meer een publicatie over het zetfoutenduiveltje, dat in de uitgave van Stichting Desiderata wordt herdrukt. En uiteraard aangevuld met uitgebreide bespiegelingen van Ed Schilders over de oorsprong van het begrip zetduivel en de rol die deze heeft gespeeld in diverse publicaties. Net als andere uitgebreide bespiegelingen over een groot aantal prominente boek- en cultuurhistorici uit de vorige eeuw: uitgevers als Kruitwagens beste vriend Wouter Nijhoff en zijn beste vijand Tjeenk Willink; zijn bibliografische vriendinnen Maria Kronenberg en Maria Hüffer; bibliothecarissen als Marijn Campbell, C.P. Burger en Arie de Mare; de hoogleraren Lodewijk Rogier, Johan Huizinga, Leo Michels, Kees de Vooys en Vondel-vorser Bernard Molkenboer, die net als Kuitwagen zijn complete bibliotheek in vlammen zag opgaan. Het zetfoutenduiveltje is trouwens de enige publicatie van Kruitwagen die ik zelf in mijn bezit heb, maar na het lezen van dit boek heb ik nog wel een paar titels van zijn hand op mijn privé-desiderata-lijst gezet.

18 januari, 2024

349 - Jaaroverzicht 2023: een struisvogel aan boeken

Zo af en toe geef ik een overzicht van een jaar in boeken. Ik doe dat niet elk jaar, maar soms kijk ik zelf tevreden terug op mijn vondsten en vind ik het leuk de stapel te delen met mijn lezers. De laatste keer was al weer 4 jaar geleden en daarom is het hoog tijd dit weer te doen. Ik werd mede geïnspireerd door de Stichting Desiderata-uitgave die ik net voor het einde van het jaar ontving: Het einde van het boek van Octave Uzanne, zoals altijd fraai vormgegeven en met zorg vertaald door Martin Hulsenboom. Het was de tweede Desiderata-uitgave van dit jaar, eerder verscheen al De pelle humana, over boeken gebonden in mensenhuid. Dat was een uitgebreidere versie van een eerdere uitgave in eigen beheer (die ik uiteraard ook heb). Beide versies van De pelle humana staan nu trots naast elkaar. En hierbij staat nu ook Het einde van het boek. In dit verhaal van Uzanne worden allerlei veranderingen voorspeld die zich op het terrein van het boek gaan voordoen. Met verrassend veel fantasie wordt gesproken over technologische vernieuwingen die ertoe zullen leiden dat het papieren boek gaat verdwijnen. Veel van die voorspellingen - over luisterboeken en digitale boeken - zijn intussen uitgekomen, maar de meest sombere voorspelling over het verdwijnen van het gedrukte boek is gelukkig (nog) niet bewaarheid. Ook ik heb mij dit jaar weer met verve verzet tegen het verdwijnen van het papieren boek.

De teller van de Bibliotheca Scatebra staat inmiddels in totaal op 4.425 titels. Maar hoeveel is er nu bijgekomen in de laatste twaalf maanden? Mijn online catalogus LibraryThing helpt mij goed op weg voor dit jaaroverzicht doordat ik het overzicht gedetailleerd bijhoud en het systeem dit keer een eigen jaaroverzicht genereerde. Daarin staat wat ik heb gelezen en wat ik heb toegevoegd aan mijn catalogus, gesorteerd op datum, genre, auteur, verschijningsjaar et cetera. Inclusief allemaal staaf- en taartdiagrammen. Het is nuttig om te weten dat alle boeken van dit jaar opgestapeld ongeveer de hoogte van een struisvogel hebben en 0,48 Billy aan ruimte vragen. Mijn jaaroverzicht 2023 staat hier. Maar hoe feilloos het systeem ook is, toch is het niet helemaal compleet - en dat komt door mij. Ik heb namelijk niet alleen nieuwe boeken aan mijn catalogus toegevoegd, maar ook verschillende exemplaren vervangen door betere. Latere drukken voor eerste drukken, of simpelweg een mooiere uitvoering. Die staan hier niet tussen omdat het systeem die niet herkent als 'nieuw' (ik heb alleen de beschrijvingen aangepast). En daarnaast loop ik een beetje achter met invoeren. Ik heb nog wat opbrengsten van de laatste veiling van Bubb Kuyper die ik nog niet ingevoerd heb. Invoeren is nogal wat werk omdat ik echt alle details invoer (afmetingen, gewicht, details over paginering, uitvoering, bijzonderheden, etc.).

Alle omslagen van de nieuwe titels in mijn bibliotheek
 

 

Laten we beginnen met de getallen. Ik heb in 2023 178 nieuwe titels ingevoerd in LibraryThing, en nog 12 die liggen te wachten, dus in totaal 190 nieuwe titels. Gemiddeld ruim 3,5 boek per week dus, oftewel om de dag een nieuwe titel. Was het maar zo dat ik om de dag een nieuw boek kreeg, wat zou dat heerlijk zijn! Maar de boeken komen in golfjes: de ene maand twee dozen van een veiling of een tas vol van een boekenmarkt, de andere maand weer niks. Maar die 190 exemplaren, wat zijn dat voor boeken en waar komen ze vandaan?

Mijn leveranciers

Mijn grootste leveranciers zijn nog altijd de boekenveilingen, zij leverden mij 45 titels, Dit jaar haalde ik 30 titels weg bij Bubb Kuyper, 15 titels bij Burgersdijk & Niermans en eentje bij Catawiki.

Bij de najaarsveiling van Bubb Kuyper won ik een paar kavels Nescio met bijna allemaal titels die ik voor zover ik kon inschatten al had, maar die bij nadere beschouwing toch nog wat verrassingen opleverde.

Ik kocht de Nesciokavels vooral omdat in één ervan een genummerde prent van Joost Swarte zat met een illustratie uit Titaantjes. Deze prent kende ik nog niet. Ik wist van het bestaan van een vergelijkbare prent met een illustratie uit De Uitvreter (die zoek ik nog), maar deze wilde ik natuurlijk niet missen. Ik bood hoog op dit kavel en kreeg 'm voor een lage prijs (is Nescio niet meer in trek?). Naast de prent van Swarte vond ik in deze kavels onder meer een paar verbeterde of mooiere exemplaren zodat ik die kon ruilen met exemplaren in mijn collectie. 

Bij het doorbladeren van de boeken was er nóg een verrassing, uit één ervan rolde een linosnede van de hand van Aline E. Jansma met het hoofd van Nescio. Deze had ik nog nooit gezien en ik vond online wel linosnedes van haar hand van andere schrijvers (Multatuli, Oscar Wilde) maar niet deze. Een mooie vondst, die nu staat te pronken in een lijstje bij mijn Nescio-collectie. Verder zat er nog een mij onbekende uitgave tussen van brieven tussen Chr,J, van Geel en Nescio, en een aantal bijdragen over Nescio in literaire tijdschriften zoals De Parelduiker.
Ik had vervolgens een heleboel dubbele Nescio-uitgaven en die heb ik via Catawiki verkocht, waarbij de opbrengst hoger was dan wat ik bij Bubb moest afrekenen.

Naast deze rijke Nescio-oogst kocht ik bij Bubb een mooi kavel met uitgaven van Kurt Löb, een tekenaar die ik zeer bewonder, Ik was erg blij met diverse gesigneerde exemplaren, een paar bibliofiele uitgaven en sowieso mooie uitbreiding van mijn Löb-collectie. Zo kon ik eindelijk de paperback van Flauberts verhaal Bibliomanie (De Mandarijn, 1982) vervangen door een gebonden, genummerde en gesigneerde versie waar ik al een tijdje naar zocht. Heel blij was ik ook met een bibliofiele editie van Reidans van Arthur Schitzler, één van de Romeins genummerde en door Löb gesigneerde uitgaven. Verder kocht ik nog een setje nieuwsjaarsgeschenken van Antiquariaat Klikspaan uit Leiden (waarvan één gebonden luxe-exemplaar) en zoals altijd een paar uitgaven van Stichting de Roos.

Ik kocht 15 titels bij Burgersdijk & Niermans, De meeste daarvan komen uit een kaveltje 'boeken over boeken', met werken van onder meer Huib van Krimpen en Herman de la Fontaine Verwey. Maar ook een paar boeken rondom Laurens Janszoon Coster, waar ik dan ook een uitgebreid blog over schreef. 

Het andere kavel bestond uit nieuwjaarsgeschenken van Stichting de Roos, met ook hier weer een prachtige afdruk van Joost Swarte, die inmiddels tot de meest gezochte nieuwjaarsgeschenken van De Roos hoort. Ik scheef een paar jaar geleden al eens een blog over deze nieuwjaarsgeschenken, die vaak verrassend bijzonder zijn qua inhoud of vormgeving en beslist verzamelwaardig.

Mijn tweede grootste leverancier was zoals altijd Marktplaats. Daar kwamen 34 titels vandaan. Over verschillende daarvan heb ik op dit blog geschreven, zo kwam onder meer de vierdelige serie Hollands Rijkdom van Elias Luzac van Marktplaats, evenals het Elzeviertje, Over beide heb ik uitgebreid geschreven. Ik kocht via Marktplaats ook veel CPNB-uitgaven, zo kon ik voor een mooie prijs een setje luxe boekenweekgeschenken kopen (de genummerde uitgaven in beperkte oplage). Maar ook andere boekenweekuitgaven kwamen van Marktplaats (Friese en Vlaamse boekenweekgeschenken), naast diverse losse boeken. Maar de mooiste vondst die ik deed was waarschijnlijk het ultra-zeldzame officieel niet-bestaande Literaire Juweeltje van Joost Zwagerman: Fijne meisjes, waarvan er misschien maar 10 of 20 bestaan.. Uiteraard schreef ik er een blog over.

De derde grootste categorie zijn cadeautjes. Gelukkig kennen veel mensen mijn behoefte, verjaardagen, sinterklaas of tussentijdse cadeautjes leverden 22 titels op. Hieronder valt ook het jaarboek van het Genootschap van Bibliofielen dat ik van Perkamentus kreeg en de speciale nulde druk van Tommy Wieringa's Nirwana die ik bij de Bezige Bij losbietste.

In kringloop-/tweedehandswinkels kocht ik 27 titels, waaronder 8 bij de geweldige Maastrichtse Boekenkelder onder het toeziend oog van Danny Habets bij de ontmoetingsdag voor boekenbloggers. Boekenmarkten leverden mij 15 titels op, waarvan 13 uit Tilburg waar ik Boeken rond het Paleis bezocht.

Verder kocht ik 21 boeken nieuw in de winkel of bij Bol.com, 6 bij Boekwinkeltjes.nl, 2 bij antiquariaten. 

Mijn genres, series en auteurs

Het belangrijkste genre dat ik dit jaar aan mijn bibliotheek toevoegde is literair proza, ruim 100 titels. Een goede tweede plaats zijn de boeken over boeken, 41 titels in totaal. De rest bestaat uit boeken over historie, filosofie, poëzie en overige uitgaven. 

Qua series heb ik zoals elk jaar trouw elke maand een Literair Juweeltje gekocht. Die serie is inmiddels gestopt zoals ik in mijn blog schreef dus dit is de laatste keer dat deze serie in een jaaroverzicht wordt vermeld (behoudens Fijne meisjes-achtige vondsten). Andere series die ik uitgebreid heb zijn zoals gezegd de boekenweekgeschenken, overige CPNB-uitgaven (Nederland Leest, boekenweekessays, themamaanden zoals Geschiedenis, of Filosofie) en Stichting de Roos.

De populairste auteurs dit jaar zijn gelet op het bovenstaande een niet onverwacht rijtje: Kurt Löb en Nescio heb ik al genoemd. Maar dit jaar was ook een goed Adriaan van Dis-jaar met de verschijning van een aantal nieuwe titels en de aankoop van verschillende bijzondere uitgaven. Op Marktplaats de luxe versie van het boekenweekessay Onder het zink (oplage 250), op Catawiki de luxe editie van de verstripte Familieziek (oplage 150) en van een medeverzamelaar een gesigneerde Duitse editie van De wandelaar. Ik schreef al over de signeersessie die ik bijwoonde, waardoor ik een hele stapel Van Dis-aankopen van de afgelopen jaren heb kunnen laten signeren én ik erachter kwam dat er nog een bijzondere uitgave was verschenen bij Galerie Christian Ouwens. Maar ik was ook bij een signeersessie van Tommy Wieringa, die welwillend een enorme stapel titels signeerde die ik in de afgelopen jaren had gekocht. Het aantal gesigneerde boeken in mijn bibliotheek steeg daarom naar 542.

Verrassend genoeg was er dit jaar geen nieuws van Bordewijk. Dat is voor het eerst in vele jaren denk ik, ik weet altijd wel iets leuks van of over Bordewijk op de kop te tikken. Ik heb het geprobeerd: ik heb op verschillende veilingen toch wel fors geboden op een paar ontbrekende stukjes in mijn Bordewijk-collectie. Maar ik werd helaas steeds afgetroefd. Jammer, maar ik reken volgend jaar op meer succes.

De verrassingen

Het leukste aan verzamelen zijn de onverwachte vondsten en de onverwachte ontmoetingen. Daarvan waren er dit jaar in elk geval genoeg en dat waren dan ook de hoogtepunten van het jaar. Die keer dat ik in een Vlaamse boekhandel een gesigneerd exemplaar van het nieuwste boek van Ian McEwan, Lessons, vond. Een toevalstreffer in een kleine boekhandel in Turnhout! Al die onverwachte vondsten op Marktplaats, zoals Fijne meisjes, luxe boekenweekgeschenken of langgezochte literaire uitgaven. Ik vond het bijzonder om de boeken van Elias Luzac op Marktplaats te vinden, eindelijk George Orwells Bookshop Memories in de uitgave van Arethusa Pers in de kast te kunnen zetten en mijn boeken-over-boeken collectie uit te kunnen breiden naar 451 exemplaren. De uitgaven van Stichting Desiderata droegen er aan bij, maar ook de boekjes van Garrelt Verhoeven over zijn verzamelwoede, de briefwisseling tussen Dik van der Meulen en Alexander Reeuwijk Mesjogge bezitsdrang en het hilarische boekje van Harry Pallemans met de titel Vandaag in de boekhandel, een sleutelroman over een uitgeverij.

De kosten

Wat kostte deze verzamelwoede van mij uiteindelijk? Ik houd mijn kosten niet bij (maar wie details zoekt leze de maandelijkse overzichten van Perkamentus onder de titel Het jaar geboekt). Ik probeer wel steeds mijn budget te beheersen door overtollige boeken uit veilingkavels te verkopen en/of te verdienen op marktplaatskoopjes of boekenmarktvondsten. Daardoor kon ik dit jaar 22 kavels op Catawiki zetten en als ik daarin terugkijk bestaat ongeveer de helft uit dubbele boeken van veilingen die ik doorverkocht, en de andere helft uit kringloop- en marktplaatsvondsten die ik voor meer geld kon doorverkopen. En natuurlijk ben ik dankbaar voor al degenen die mij boeken cadeau deden. Hoewel ik dit jaar bruto circa 1800 euro aan boeken uitgaf, heeft dit boekenjaar mij netto naar schatting €650 gekost. Onder aan de streep zo'n 3,50 per boek. Geen geld voor zoveel moois en op deze manier is mijn toch wel uit de hand gelopen hobby ook dit jaar nog enigszins betaalbaar gebleven.

25 augustus, 2023

346 - Een Elzeviertje in mijn bibliotheek

Onder boekenverzamelaars hebben de zogenaamde 'Elzeviers' heel lang een bijna mythische status gehad. Er is vrijwel geen boek over boekgeschiedenis of over het verzamelen van boeken waarin niet een passage over Elzeviers, hun betekenis voor de boekgeschiedenis en de verzamelwoede ervan is opgenomen. Dit uitgevershuis moet trouwens niet verward worden met de huidige uitgeverij Elsevier, die op geen enkele manier verbonden is met Elzevier. De Elzeviers waren zó populair, dat sprake was van een heuse Elzevieromanie (inclusief recordprijzen op veilingen). In die lijn publiceerde de Stichting Desiderata al weer twee jaar geleden De bibliomaan van Charles Nodier met daarin ook een uitvoerig betoog van Ed Schilders over o.a. Elzeviers, de Elezevieromanie en het meten van de marges. Er werd dan ook een Elzevierometer bij dit
boek geleverd, die ik helaas niet kon gebruiken bij gebrek aan een eigen Elzevier. Tot overmaat van ramp kocht ik onlangs van Garrelt Verhoeven de gelegenheidsuitgave De vreemde zaak van het quasi onvindbare Elzeviertje. Een bibliografische cold case in tijden van corona. Dit boekje verscheen in 2020 ter gelegenheid van het afscheid van Paul Hoftijzer als hoogleraar boekwetenschap in 600 genummerde exemplaren (ik heb nummer 571) . Het is een verslag van een gelukkige vondst van Verhoeven op een Franse antiekmarkt, waar hij een bij nader inzien zeer zeldzame Elzevieruitgave kocht waarna hij langzaam maar zeker de publicatiegeschiedenis ervan ontsluit. Maar hij vertelt ook uitvoerig over verzamelaars van Elzeviers door de eeuwen heen en de Elzevieromanie die hen in de greep had. Binnenkort verschijnt een nieuwe uitgave van dit werk bij de Walburg Pers, waar eerder ook het mooie boekje Ik zoek geluk in druk te vinden van Verhoeven verscheen, waarin hij meer boekenavonturen beschrijft.

Al dit lezen over Elzeviers heeft het gemis hiervan in mijn kast uiteindelijk onverdraaglijk gemaakt. Gelukkig was er - net zoals ik eerder schreef over uitgave van Elias Luzac - nu ook weer Marktplaats als redder in nood. Voor een luttele 25 euro kocht ik een Elzevier uit 1677, namelijk Opera quaee extant van Claudianus, met een voorwoord van Nicholas Heinsius. Weliswaar wat beschadigd (de eerste pagina's missen) maar goed genoeg voor mij. Eindelijk kon ik mijn Elzevierometer eens echt gebruiken.

Voordat ik jullie meeneem naar een beschrijving van dit boek, eerst iets over Elzeviers en wat daar zoal over geschreven is in diverse boeken over boeken uit mijn eigen kast.

Werken over Elzevier uit mijn eigen bibliotheek

Voor mijn vorige post sneupte ik in mijn eigen bibliotheek op zoek naar Laurens Janszoon Coster. Dit keer gaat het mij om informatie over Elzeviers. Ik mis in mijn bibliotheek de echte standaardwerken over de Elzeviers, zoals de Elzevier-bibliografie van Alphonse Willems waar Garrelt Verhoeven veel uit put  (Les Elzevier: histoire et annales typographiques, 1880) of het boek van Paul Hoftijzer Boekverkopers van Europa. Het Nederlandse zeventiende-eeuwse uitgevershuis Elzevier (2000). Ik moet het doen met wat meer algemene beschrijvingen over de Elzeviers.
  • In het klassieke werk van Piet Buijnsters, Geschiedenis van de Nederlandse bibliofilie (2010) staat een heel hoofdstuk over Elzeviers (en een heel hoofdstuk over Laurens Janszoon Coster trouwens). Buijnsters grijpt vrijwel meteen terug op Rimmert van der Meulen (zie hieronder) en diens melding van "elsevier-maatstokjes" die werden gebruikt om de marges te meten (hoe meer marges, hoe beter en hoe waardevoller). Daar is de Elzevierometer van Stichting Desiderata dan ook op geïnspireerd. Buijnsters stelt dat deze maatstokjes nooit zijn aangetroffen en hij vraagt zich af of deze überhaupt hebben bestaan. Buijnsters geeft verder een schets van het uitgevershuis Elzevier, de vertakkingen in Den Haag, Utrecht, Amsterdam en Leiden en de gezichtsbepalende familieleden daaruit. Het hoogtepunt van de uitgaven kwam rond en net voor 1650 op de markt. Elzeviers werden in een handig klein formaat geproduceerd, in hoge oplagen en met goede kwaliteit papier en letters. En ze hadden de beste auteurs uit een breed scala aan vakgebieden in hun fonds. Met als gevolg dat Elzevier-uitgaven bij alle grote geleerden in heel Europa op de plank stonden en dientengevolge gezocht én verzameld werden.
    Maar er waren ook heel veel "valse" Elzeviers op de markt, en het kwam er op aan de valse van de echte te onderscheiden. Het boekje van Garrelt Verhoeven gaat hier ook over. Er verschenen verschillende standaardwerken met uitgebreide commentaren op de vraag of bepaalde uitgaven vals of echt waren. Dit waren de handboeken die verzamelaars gebruikten in hun speurtocht naar Elzeviers. Buijnsters beschouwt J.J.W.R. van Dijck als de laatste Nederlandse Elzevier-verzamelaars. Zijn imposante collectie werd in 2005 in 685 kavels bij Bubb Kuyper geveild. Buijnsters constateert: "voor het overige lijkt het Elzeviervirus onder de Nederlandse particuliere verzamelaars voorgoed te zijn verdwenen."
  • Ik noemde al de Stichting Desiderata-uitgave van Charles Nodier's verhaal De bibliomaan (2021). Het gaat hier om een door het Elzevier-virus aangetaste verzamelaar die ontdekt dat een concurrent  een Elzeviereditie met bredere marges dan zijn exemplaar bezit, en vervolgens overlijdt door de schok:
    "'U ziet nu,' zei hij tegen mij, 'de ongelukkigste aller mensen! Dat boek is de Vergilius van 1676, op grootformaat papier, waarvan ik dacht het reuzenexemplaar te bezitten, het overtreft het mijne met een derde linie. (...)  Een derde linie! Ach! Bagatelliseert u een derde linie van de priem die uw haart doorboort?' Zijn lichaam sloeg geheel achterover, zijn armen verstijfden en zijn benen kwamen in de greep van een spijkerharde kramp."
    In de uitgebreide toelichting van Ed Schilders komen al de elementen die Buijnsters noemt terug, waarbij Schilders toch een aantal vraagtekens zet bij de stelligheid dat de zogenaamde maatstokjes nooit bestaan zouden hebben.
  • Het boek van Rimmert van der Meulen, Over de liefhebberij voor boeken (1893) werd door Buijnsters al aangehaald. Van der Meulen schrijft over de verzameldrift van Elzeviers, maar constateert ook dat de inventarisatielijsten van bestaande Elzeviers de verzamelwoede wat temperden (en de prijzen ook) omdat bleek dat veel titels helemaal niet zo zeldzaam waren. Veel Elzeviers werden namelijk in zeer hoge oplagen geproduceerd. Mede hierdoor doofde de Elzevieromanie in de vroege twintigste eeuw wat uit.
  • De memoires van Leona Rostenberg en Madeleine Stern heb ik al vaker aangehaald. In verschillende uitgaven vertellen zij hoe zij hun antiquariaat hebben opgebouwd en hoe zij tal van bijzondere boeken vonden in hun speurtochten door Europa en Noord-Amerika. In Old books, rare friends (1997) vertellen zij hoe Leona Rostenberg startte met het verkopen van oude boeken en dat hun tweede catalogus uit 1947 volledig was gewijd aan "The house of Elzevier". Deze catalogus staat integraal afgedrukt in Bookman's quintet. Five catalogues about books (1980). Ik heb nog even gecheckt: mijn Claudianus stond niet tussen de 165 nummers, die overigens in no-time waren uitverkocht. Rostenberg vertelt de anekdote dat deze tweede catalogus was voorbereid, maar twee weken lang bij het postkantoor was blijven liggen terwijl de dames zich afvroegen waarom niemand een bestelling uit deze catalogus deed... Toen de catalogus alsnog werd verzonden was deze in no-time uitverkocht, wat het bedrijf van de dames een welkome boost gaf. Deze zelfde anekdote werd trouwens al eerder verteld in Old and rare. Thirty years in the book business (1974)
  • John Herbert Slater (1854-1921) was een Engelse bibliofiel en auteur van verschillende boeken over boekenverzamelen. In Book collecting (1892, in een genummerde oplage van 500 waarvan ik nr. 437 heb) staat een apart hoofdstuk voer "The Elzevir Press". In How to collect books (1905) staat een verkorte versie van dit hoofdstuk. De beschrijving van de Elzeviers is onderdeel van zijn beschouwing over "celebrated presses". Eerst schrijft Slater in dat verband over Aldus en daarna over Elzevier. Hij zegt:
    "Compared to this grim old editor-printer of a bygone age, the Elzevirs one and all were literary children, playing with ther master's text - children, who never grew old, and whose many liberties were not only endured, but excused out of consideration for their engaging ways. They were pirates too, without exception, but they turned you out well. If they mutilated your text, they at any rate supplied you with the best of paper, ornaments and type: from their hands you emerged a well-dressed gentleman, a little ignorant perhaps, but decidedly aristocratic."
    Slater geeft een stukje van de genealogie van Elzevier en beschrijft dan kort de hoogtepunten van de persen. Hij gaat uit van 1608 verschillende titels, waarvan 1213 de naam of het merk van de firma dragen. De meeste in Latijn, een flink aantal Frans en dan nog wat publicaties in Grieks, Duits, Italiaans, Hebreeuws en Nederlands. En eentje in het Engels.
    Ook Slater noemt trouwens het meetstokje als een gegeven:
    "The enthousiastic collector carries with him an ivory rule on which the French measures are marked. (...) Anything below 125 millimetres is hardly worth loooking at.".
    Vervolgens beschrijft Slater hoe twee exemplaren van Le Pastissier Francois werden verkocht: eentje van 128 millimeter hoog voor 6o pond en een onafgesneden exemplaar voor 400 pond. Waarbij het verschil 2, maximaal 3 millimeter was. Deze specifieke uitgave werd vanwege de schaarste overigens wel als de kroon op elke Elzevier-collectie beschouwd. Ook vertelt Slater over Charles Nodier, die zijn hele leven zocht naar een eerste druk van de door Elzevier gedrukte Vergilius uit 1636 ondanks dat dit een slecht geproduceerd exemplaar was dat vol met fouten stond. Toen hij het boek vond, paste het precies in de ruimte die hij al die tijd in zijn boekenkast ervoor had vrijgehouden. Drie jaar geleden werd overigens een exemplaar van geveild voor $600.

Elsevier en Elzevier

Ik zei al dat het huidige uitgevershuis Elsevier en de 16e/17e-eeuwse Elzevierfamilie niets met elkaar te maken hebben, behalve dat de oprichters van Elsevier de naam eraan ontleenden. Maar er is meer dan alleen de naam geleend: in de loop van de tijd is binnen het tegenwoordige Elsevier een collectie van uitgaven opgebouwd van het originele uitgevershuis. Deze collectie staat inmiddels bekend als "The Elsevier Heritage Collection" en bestaat uit circa 1000 titels in zo'n 2000 delen. 

Uitsnede uit het schilderij "Een promotie bij de universiteit"
ca. 1650 geschilderd door Hendrick van der Burgh.
Rechts van de poort van het Leidse Academiegebouw had
de firma Elzevier haar boekwinkel en drukkerij /
uitgeverij. Vermoedelijk zijn daar wat aankondigingen
van nieuwe boeken te zien.
(afbeelding: Stedelijk Museum De Lakenhal).
In het Jaarboek 2014 van het Nederlands Genootschap van Bibliofielen schrijft Sjors de Heuvel een bijdrage over de herkomst van een deel van de Elzeviers in the Collection: "De Elzevier-bibliotheek van de hertog van Chartres. Een negentiende-eeuwse bibliofiel in de Elsevier Heritage Collection". Na een algemene beschrijving van de Elzevier-familie en de Elzevieromanie vanaf de 17e eeuw gaat De Heuvel in op Robert d'Orleans, de hertog van Chartres, en diens bibliofilie. Een deel van zijn collectie Elzeviers - ongeveer 700 stuks - werd in 1952 door Elsevier aangekocht. Samen met andere aankopen maakte dit The Heritage Collection tot wat het nu is.
Eerder schreef De Heuvel al een artikel in De Boekenwereld (2015, te lezen via DBNL), waarin hij de bredere historie van de EHC schetst én beschrijft waar de collectie zoal vandaan kwam en welke bijzondere exemplaren erin te vinden zijn.

Overigens schreef Jan Paul Bresser ooit in een tijdschrift van Elsevier een artikel over Elzevier, waarin de historie van de historische uitgeverij wordt beschreven. Hij haalt daarbij het schilderij van Van der Burgh hier rechts aan.

Mijn Claudianus uit 1677

Na de ontvangst van mijn Elzevier heb ik als eerste daad mijn Elzevierometer langs Claudianus gelegd. Uitslag: 114 millimeter. Volgens het criterium van Slater dus een exemplaar "hardly worth looking at". Ook omdat het boekje niet compleet is: de titelpagina en de eerste drie bladen ontbreken. Daardoor is het ook lastig om te bepalen van welke pers het boekje is gekomen. Gelukkig zijn er meerdere exemplaren digitaal beschikbaar, en daaruit wordt duidelijk dat mijn boekje is gedrukt in Amsterdam door Daniel Elzevier (1626-1680). Daniel behoorde tot de tweede generatie drukkers. Hij opende in 1638 een drukkerij in Amsterdam, waar hij volgens Slater 260 titels produceerde (en na zijn dood zijn weduwe nog 7).
Als ik kijk naar complete exemplaren van deze Claudianus dan worden daar geen absurde prijzen voor gevraagd, zij het wel veel meer dan de 25 euro die het mij kostte. Echt zeldzaam is deze titel niet.
 
Het boekje is gebonden in een beschadigd perkamenten bandje. Het is duidelijk intensief gebruikt / gelezen. De laatste paar pagina's hebben in het midden van de zijkant een beschadiging, het lijkt alsof door het bladeren met een natte vinger er uiteindelijk een halfrond stukje uit het papier is gesleten. Overigens zijn er verder geen aantekeningen in het boekje gemaakt (gelet op de afgesneden marges was daar ook geen plek voor), wel zijn er hier en daar ezelsoren in pagina's aangebracht. Dat lijkt erop te wijzen dat het vooral intensief gelezen is. En dat het veel is meegedragen, want aan de randen van de pagina's zijn butsen en vochtplekken te zien. Alsof deze Elsevier mee op reis is geweest - precies de reden waarom dit soort boekjes in een dergelijk klein formaat werden gemaakt.

Afbeelding uit het boek van Buijnsters (p. 75)
Je kan je afvragen waarom ik toch zo tevreden ben met deze beschadigde, ondermaatse, niet al te zeldzame Elzevier in mijn bibliotheek. Voor mij is het de iconische waarde van het boek, of liever: waar het symbool voor staat. Elzeviers zullen nooit mijn verzamelgebied worden; het ontbreekt mij simpelweg aan de middelen. Maar ik vind dat in mijn bibliotheek een aantal iconische boeken thuishoren. Zoals een Elzevier, net zoals ik een incunabel wilde hebben. Ik probeer nog mijn hand te leggen op een Aldus-uitgave en ik wil ook nog een Leidse Plantijn-uitgave. Als eerbetoon aan al die drukkers van vroeger, die hebben bijgedragen aan de ontwikkeling van het boek. Natuurlijk zal ik toekomstige veilingen in de gaten houden: ik wil zeker nog wel een paar Elzeviers erbij, liefst van verschillende persen. Ik heb er nu één uit Amsterdam, ik wil nu ook Elzeviers uit Leiden, Den Haag en Utrecht. Die zal ik dan naast deze eersteling zetten. Hopelijk heb ik over een tijd een mooi rijtje Elzeviers staan. Het aantal zal waarschijnlijk echter nooit ook maar in de buurt komen van die van Van Dijck (zie afbeelding hiernaast).

02 november, 2022

337 - De hel van de bibliofiel en Andrew Lang's boeken over boeken

Charles Asselineau, foto door
G.F.T. Nadar (collectie Getty Museum)
Deze week ontving ik alweer de zevende uitgave van de Stichting Desiderata voor mijn bibliotheek en de redactie is er weer in geslaagd om volledig aan haar eigen doelstellingen te voldoen,  namelijk "het schrijven, samenstellen, vertalen en uitgeven van boeken die, qua inhoud en vorm, een onvoorwaardelijke liefde voor het boek weerspiegelen". Het zojuist verschenen werk van Charles Asselineau met de titel De hel van de bibliofiel is een schitterend boek dat zo verrijkt is, dat het veel meer is dan alleen de heruitgave van het beroemde 19e-eeuwse verhaal over de nachtmerrie van de bibliofiel. Niet alleen Asselineau’s verhaal is er namelijk in opgenomen, maar ook twee verhalen die hierdoor zijn geïnspireerd, namelijk Het vagevuur van een bibliofiel door Andrew Lang en Een boekenveiling in Hotel Drouot door Octave Uzanne. De thematiek van deze twee verhalen is dan ook nauw verwant aan dat van Asselineau en zijn ook direct door Asselineau’s verhaal geïnspireerd. Wat mij betreft een uitstekende keuze om deze drie verhalen samen te bundelen in één uitgave. Martin Hulsenboom zorgde voor de vertalingen uit het Frans en het Engels.

Maar wacht, er is meer! Van de eerdere Desiderata-uitgave De bibliomaan van Charles Nodier wisten we al dat aan het verhaal uitgebreide biografische en bibliografische bijlagen werden toegevoegd, zodat het verhaal in de historische en culturele context kon worden geplaatst. Dat is nu weer gebeurd, maar in de overtreffende trap. Over hoe die overtreffende trap er uit ziet, laat ik graag de stichting zelf aan het woord omdat die het mooier kan zeggen dan ik. "Het onderzoek naar de motieven in het verhaal leidt nu tot allerlei uitweidingen over de bibliofolklore: over boekenveilingen, bibliofobie, boekrestauratie, boekprentkunst en bibliofiele genootschappen. Ook de illustratoren die de ‘leesmerrie’ en ‘boekendemonen’ in beeld hebben gebracht krijgen ruim aandacht. In de eerste plaats is dat de illustrator van ‘De hel’, Léon Lebègue, een zo goed als vergeten briljante prentkunstenaar. Maar ook de demoontjes van Albert Robida verschijnen hier, en de afbeeldingen bij ‘De hel’ van de Tsjechische kunstenaar Hugo Steiner-Prag. In totaal bevat deze uitgave meer dan 160 afbeeldingen in kleur. Daarnaast zijn de drie verhalen toegelicht met Nederlandstalige bronnen die verwant zijn aan de inhoud, waaronder Willem Bilderdijk, die uitlegt hoe een nachtmerrie te werk gaat, en dominee Eliza Laurillard, die ingaat op zijn angst voor de vergetelheid." Ed Schilders heeft zich behoorlijk uitgeleefd in de “bibliomane aantekeningen”, een titel met een dubbele betekenis: De aantekeningen gaan over bibliomanie, maar de inhoud van de aantekeningen getuigen ook van een stevige bibliomaniakele werkwijze - de vrees is dat Ed Schilders zelf ook stevig aan bibliomanie lijdt. Het resultaat: het oorspronkelijke relatief korte verhaal van Asselineau is uitgedijd tot een kaleidoscopisch boek van 220 pagina’s, die ook nog eens is voorzien van een uitgebreid notenapparaat, waarin de boekenliefde uitbundig wordt beleden. 

Maar dan nu het verhaal zelf. Het verscheen in 1860 in boekdruk als L’Enfer du bibliophile, maar werd nooit eerder in het Nederlands vertaald. Asselineau vertelt over een nachtmerrie waarin een boekenvriend tegen wil en dank eerst door een demon gedwongen wordt waardeloze boeken aan te schaffen voor een te hoge prijs. Vervolgens belandt hij in de hellecirkels van de boekbinder (om de rommel zeer luxe te laten inbinden) en het veilinghuis (waar hij belachelijke prijzen betaalt voor boeken die hij niet wil hebben). Ten slotte is hij getuige van de plundering van zijn bibliotheek omdat hij de rekeningen van het veilinghuis en de boekbinder niet kan betalen.. 

Octave Uzanne werd geïnspireerd door het verhaal van Asselineau en schreef het verhaal Een boekenveiling in Hotel Drouot waarin een verzamelaar getuige is van de veiling van zijn eigen bibliotheek en tot zijn verbijstering ziet dat zijn met zorg verzamelde schatten voor schamele bedragen worden verkocht. Bij het ontwaken realiseert hij zich dat hij voor het slapen Asselineau’s verhaal heeft gelezen.

Het opgenomen  verhaal van Lang heeft als originele titel A bookman’s purgatory en vertelt over de nachtmerrie van Thomas Blinton, die ook hem overvalt nadat hij het verhaal van Asselineau over de hel van de bibliofiel heeft zitten lezen. In zijn droom herbeleeft hij dit verhaal op zijn eigen wijze, in grote lijnen volgt dit het verhaal van Asselineau. Ook Blinton wordt door een demon gedwongen tot aankopen waar hij helemaal niet op zit te wachten en moet op een veiling exorbitant bieden op boeken die hij niet wil hebben.

In alle gevallen gaat het om de ijdelheid en de hebzucht van de verzamelaar die door een demon wordt voorgesteld en die de verzamelaar dwingt om te doen wat hij eigenlijk niet wil, maar toch moet. Ed Schilders laat in de aantekeningen zien dat deze drie auteurs beslist niet de eerste zijn die dergelijke nachtmerries beschrijven. Een keur aan auteurs trekt voorbij die op een of andere manier dergelijke nachtmerries hebben verbeeld.

Iets over de drie auteurs

In dit boek staan verhalen van drie auteurs centraal. De thematiek van de verhalen komt overeen en de drie auteurs staan ook allemaal bekend als bibliofiel maar verder zijn de verschillen immens. Peter IJsenbrant verzorgde uitgebreide biografische schetsen van de drie auteurs. In het kort:
  • Charles Asselineau (1820-1874) was een Franse schrijver die bevriend was met onder meer de schrijver Beaudelaire. Hoewel voorbestemd als arts, koos hij de letteren. Zijn publicaties kenden een grote diversiteit, maar hij specialiseerde ook in het uit de vergetelheid halen van schrijvers die volgens hem ten onrechte in de schaduw stonden. Zijn passie was de romantiek, de literatuur tot 1830. Ook schreef hij fantasyverhalen waarin dromen een belangrijke rol spelen. Na Baudelaire’s dood publiceerde hij een nieuwe editie van Les fleurs du mal en een biografie over Bauedelaire. Asselineau’s grote passie was de bibliofilie en de dagelijkse jacht op boeken voor zijn bibliotheek.
  • Octave Uzanne (1851-1931) was ook een Franse schrijver, maar vooral bibliofiel die veel schreef over boeken en bibliofilie. Hij werkte mee aan talloze bibliofiele boeken en tijdschriften. Bibliofilie en vrouwen, dat was de focus van zijn werk. Bekend zijn dan ook zijn werken over vrouwenmode. Zijn boek over de Parijse bouquinistes kon desondanks op veel kritiek rekenen van de bouquinistes zelf. Lang bleef zijn werk onvertaald voor de Nederlandse lezer, totdat de Carbolineum Pers in 2018 de bibliofiele uitgave Bibliofiele verhalen publiceerde. Uzanne kreeg tijdens zijn studie in Parijs de smaak van het verzamelen van boeken te pakken. Hij richtte onder meer vier tijdschriften op en publiceerde veel boeken over boeken en bibliofilie, maar schreef ook romans en gaf verschillende ongepubliceerde werken van verschillende Franse auteurs uit.
  • Andrew Lang (1844-1912) was een Schotse journalist, dichter, schrijver, criticus en antropoloog. Hij is niet per se bekend als boekenverzamelaar, maar vooral als verzamelaar/kenner van sprookjes en volksverhalen, mythes en religie. Daar publiceerde hij dan ook verschillende bekende werken over zoals The blue fairy book (1899), The red fairy book (1890) en The green fairy book (1892) - in totaal 12 verschillende kleuren. Daarnaast publiceerde hij ook over Schotse geschiedenis. Hij werd beschouwd als een “born man of letters” en was goed op de hoogte van de Engelse en Franse literatuur. Hij heeft een indrukwekkende rij boeken op zijn naam staan maar publiceerde ook in allerhande tijdschriften.
Aangezien Andrew Lang goed vertegenwoordigd is in mijn bibliotheek, wil ik bij hem iets langer stilstaan.

Andrew Lang's boeken over boeken

Ondanks dat Lang vooral bekend is geworden door zijn Fairy books heeft hij behoorlijk wat boeken over boeken geschreven. In 1881 verscheen bijvoorbeeld The Library, waarin Lang ingaat op verschillende aspecten van het verzamelen van boeken, als een soort handleiding voor verzamelaars (denk hierbij aan het bekende ABC for Book Collectors van John Carter of de klassieker in ons taalgebied Het verzamelen van boeken: een handleiding van P.J. Buijnsters). Daarnaast verschenen nog verschillende andere titels, waarvan ik er vijf in mijn bezit heb. Helaas niet The Library, maar wel Old friends: essays in epistolary parody (1892), Ballads of Books (1888), Letters to dead authors (1886), Adventures among books (1905) en Books and bookmen (waarover hieronder meer). 

Het verhaal “A bookman’s purgatory” verscheen oorspronkelijk in Lang’s bundel Books and bookmen (hier integraal te lezen). Het is een goede gewoonte dat ik van de publicaties van Stichting Desiderata al een variant bezit. Zoals van de uitgave van Ewoud Sanders over Marmier’s maaltijd voor bouquinistes en natuurlijk van de hilarische uitgave Hayward Ho!. Maar bij het verhaal van Lang is het nog erger want dat bezit ik al drie keer. Ik heb namelijk drie versies van Lang’s bundel in mijn kast: uit 1886, 1887 en 1899. De reden dat ik ze alledrie heb gehouden, is omdat ik in het algemeen moeite heb met kiezen en de uitgaven ook wel wat van elkaar verschillen. Dat wil zeggen, als het gaat om de inhoudsopgave. De bijdragen zelf, als ze meermalen voorkomen in de verschillende bundels, zijn voor zover ik kan zien identiek aan elkaar. 

De uitgave van 1886 is de Amerikaanse editie, verschenen bij Coombes in de serie "Books for the Bibliophile". Ik kan niet veel andere uitgaven vinden in deze serie, eigenlijk alleen Ballads of Books. Bij Coombes verschenen en opgedragen Brander Matthews, later opnieuw uitgegeven door Longmans, Green and Co en toen opgedragen aan "The Viscountess Wolseley". De uitgave van Books and Bookmen uit 1887 van Longmans is de eerste Engelse uitgave, en die van 1899 de tweede Engelse uitgave (met de ondertitel "a new impression"). Het lijkt erop dat Lang gedurende zijn leven nog wat gehusseld met de samenstelling van deze titel. Ik heb voor dit blogstukje maar eens een analyse gemaakt van de verschillen en overeenkomsten, waarbij ik de overeenstemmende uitgaven hetzelfde kleurtje heb gegeven. In de tabel vind je de drie inhoudsopgaven naast elkaar.
















De verschillen tussen de drie uitgaven zijn zichtbaar. Zowel de uitgave van 1886 als 1899 bevatten unieke bijdragen (de witte vakjes). Eigenlijk is alleen de eerste Engelse druk van 1887 de enige zonder echt unieke bijdragen. Theoretisch zou die dus wegkunnen, maar het is de eerste Engelse druk en daarom toch een beetje zonde om die af te stoten. Opmerkelijk is trouwens dat in het voorwoord van de Amerikaanse 1886-editie Lang expliciet zegt: 

The author does not book-hunt any more; he leaves the sport to others, and with catalogues he lights a humble cigarette. The game has grown too scarce; the preserves are for the rich. (...) I have ceased to hope for better luck; let younger or more sanguine men pursue the fugitive tract and the rare quarto. (...) No more morocco for me, or tooling, nor first editions; all these are vanity and (as a rule) bad bargains. Be not in a hurry to buy, young men and maidens, or your shelves, like mine, will be overcrowded with the melancholy harvest of inexperience and young desire". 

Hij lijkt afscheid te nemen van het fenomeen verzamelen en zijn bibliofiele leven, ook met een beetje spijt van wat het opleverde ("melancholy harvest") achter zich te laten. Maar vervolgens verschijnen er toch nog verschillende boeken over boeken van zijn hand. Eerst de heruitgave van Ballads of Books in 1888, maar in 1892 nog Old friends: essays in epistolary parody en in 1905 Adventures among books

De eerste Engelse editie van Books and Bookmen verschijnt zoals gezegd een jaar na de Amerikaanse editie. In de Engelse uitgave staat een voorwoord, waarin enige uitleg wordt gegeven over het verschil in inhoud. 

The essays in this volume have, for the most part, already appeared in an American edition. The essays on "Old French title-pages" and "Lady book-lovers" take the place of "Book binding" and "Bookmen at Rome". 

Meer toelichting wordt niet gegeven. Waren de verdwenen bijdragen ondermaats? Waren er problemen met rechthebbenden (de stukken verschenen eerder in tijdschriften)? Het wordt allemaal niet verteld. Wel wordt de herkomst van de verschillende andere hoofdstukken gegeven, die dus veelal eerder verschenen als bijdragen in tijdschriften. Maar zelfs dan blijft van sommige de herkomst onbekend, zoals "To F.L." en "Ghosts in the library".  Vermeld wordt wel dat "A bookman's purgatory" eerder verscheen in Longman's magazine (in 1883)

In 1899 wordt het voorwoord uit 1887 grotendeels herhaald, maar er wordt geen verklaring gegeven voor het verschil in inhoud tussen de bundels uit 1887 en 1899. Niet duidelijk is waar "Rich and Poor" en "Doris's books" ineens vandaan komen. Eveneens is onduidelijk is waarom "Curiosities of Parish Registers" uiteindelijk toch moet verdwijnen, nadat het in de eerste twee bundels wel stond. 

Tot slot

Ondanks de overdosis Andrew Lang die nu in mijn bibliotheek ontstaat, is deze uitgave van Stichting Desiderata hoe dan ook een aanwinst. Want het levert mij twee auteurs die tot nog toe ontbraken in mijn bibliotheek, naast Asselineau is dat Ocatave Uzanne. Van die laatste zou ik heel graag nog een paar titels op de plank willen hebben, want hij schrijft fascinerend over boeken en bibliofilie. Maar helaas zijn de uitgaven van Uzanne over bibliofilie gewild en dus schaars en dus duur, zodat ik hoop op een mazzeltje op een toekomstige veiling of een toevallige vondst in een of ander morsig antiquariaat. Maar gelukkig heb ik tot die tijd nu in elk geval met deze uitgave mijn eerste tekst van Uzanne in bezit.

Hoewel mijn verwachtingen bij de aankondiging van dit boek al hoog gespannen waren heeft deze uitgave ze toch opnieuw overtroffen. Ik kan mij niet voorstellen dat er een lezer van mijn blog is die zich nog niet heeft aangemeld bij Stichting Desiderata. Maar zo wel, dan sommeer ik deze lezer zich te melden bij het secretariaat, als je je boekenliefde tenminste ook maar enigszins serieus neemt. Ik kan gewoon niet zo goed begrijpen waarom je het risico zou willen lopen om nieuwe publicaties als deze mis te lopen. Uiteindelijk wil je ze toch hebben en zie er dan nog maar eens aan te komen. Maar genoeg daarover, mij rest nu niks anders meer dan te wachten op de volgende verrassende keuze vanuit de redactie van deze stichting. Misschien weer een tekst van Uzanne? Of wellicht iets Brits, zoals Dibdin? Of toch maar iets Duits, zoals Uffenbach, Brügel, Von Zobeltitz? Een Italiaan zoals Fogazzaro? Er zijn nog genoeg boeken waarin de boekenliefde centraal staat die wachten om te worden ontsloten. Ik heb het volste vertrouwen dat er een goede keuze zal worden gemaakt.

14 december, 2021

326 - Een maaltijd voor bouquinistes

Het begint een goede gewoonte te worden dat ik elke publicatie van Stichting Desiderata al in de originele uitvoering bezit. Behalve helaas die eerste dan, van Nodier. Maar van de zomerpublicatie Hayward Ho! bezat ik al één van de zeer schaarse originele exemplaren, zoals ik eerder schreef. Het leverde mooi vergelijkingsmateriaal op: welke passages waren tussen 1998 en 2021 gewijzigd en waarom? Duidelijk was dat de 2021-versie fantastisch mooi was uitgevoerd (en voor de liefhebber nog steeds te bestellen) en dat de tekst grotendeels intact was gebleven (maar dat een paar goede grappen waren gesneuveld). 

Twee uitgaven van hetzelfde boek

Ook van de winterpublicatie 2021 kan ik nu twee versies laten zien. Ik voeg deze in een lange rij van dubbels die ik in mijn bibliotheek heb staan. Vandaag plofte de hernieuwde uitgave van Ewoud Sanders' boekje 'Als dank voor de gelukkigste momenten in mijn bestaan' op de mat, en ook nog eens fraai gesigneerd. Het krijgt een plekje in mijn categorie 'Boeken over boeken' (als 394e boek in die categorie, tevens het 501e gesigneerde boek in mijn collectie) en komt te staan naast dezelfde uitgave uit 2017. En natuurlijk naast die andere uitgave van Sanders die ik heb: De handel en wandel van de boekenjood, een boek dat ik cadeau kreeg van Perkamentus, ter viering van het tienjarig bestaan van dit blog in 2014.

Xavier Marmier
Het thema voor deze publicatie is het befaamde "Banquet des bouquinistes" dat op 20 november 1892 in het Parijse Le Grand Véfour werd georganiseerd ter nagedachtenis aan de Franse letterkundige Xavier Marmier. Marmier overleed op 12 oktober 1892 en had 1000 francs (tegenwoordig zo’n 6.000 euro) nagelaten om daarmee een feestmaal te organiseren voor de bouquinistes langs de Seine, als dank voor de vele plezierige momenten die hij had doorgebracht bij zijn speurtocht naar boeken. Op 29 september 2017 vond in Amsterdam een reprise van dit diner plaats ter gelegenheid van Boeken in de Beethovenstraat. Ewoud Sanders verzorgde daarbij de inleiding die in een publicatie van uitgeverij De Kan (oplage: 100) verscheen. Hierin geeft Sanders achtergrondinformatie over Marmier, maar ook het menu van zijn diner is bewaard gebleven. Jasper Videler kookte dit menu vervolgens opnieuw in 2017.

En nu is er dan een heruitgave van het boekje van Sanders. Sanders put in zijn beschrijving uitvoerig uit het boek van Octave Uzanne, Bouquinistes et bouquineurs uit 1893, waarin Uzanne uitgebreid verslag doet van het diner, inclusief het menu en de toespraken die werden gehouden. Daarnaast haalt Sanders diverse oude bronnen aan, zoals krantenverslagen van dit diner uit het eind van de 19e eeuw. En ook geeft hij een mooie schets van Marmier als auteur, maar ook als bibliofiel. En dat laatste is natuurlijk ook een goede reden voor de Stichting Desiderata om dit werk opnieuw uit te geven en een hopelijk groter publiek te geven dan de uitgave uit 2017.

Verschillen en overeenkomsten

Ewoud Sanders signeert o.a. mijn boek
(foto via Facebook / St. Desiderata)
De nieuwe uitgave is op het niveau van de tekst niet heel verschillend van de eerdere uitgave. Voor het overgrote deel is de tekst gelijk, met een paar minieme tekstuele aanpassingen. Wel is er een aanvulling op de wijze waarop het diner in de pers is besproken. Zowel in aanloop naar het diner als daarna is er redelijk wat over gepublliceerd. Het onderstreept natuurlijk de bijzonderheid van dit diner, en het spreekt ruim een eeuw later nog steeds tot de verbeelding.

Een veel groter verschil tussen de uitgaves is de uitvoering. Zoals we inmiddels gewend zijn bij Desiderata-uitgaven (na drie publicaties mogen we toch al spreken van een aantal kenmerkende elementen) is ook dit boekje prachtig verzorgd. Mooi gebonden, mooi papier, fijne letter en tot overmaat van luxe een heleboel extra afbeeldingen. En een paar afbeeldingen die in 2017 ook al waren gebruikt zijn veel mooier afgedrukt. Zo ademt ook dit boekje weer volop liefde voor het boek en is het een aanwinst voor mijn boekenverzameling. Als ik de beide uitgave zo naast elkaar zie staan dan zijn de verschillen in uitvoering en kwaliteit immens: het verschil tussen een ‘gewone’ gelegenheidsuitgave en een met passie gemaakt boekje.

Detail van gravure van 
Jean Henri Marlet (1821)

Een jas met diepe zakken

Eén van de kenmerken van Xavier Marmier bij zijn tochten langs de Seine-oever is zijn jas met ruime zakken, waar eenmaal gekochte boeken in konden worden bewaard. Een dergelijke jas komen we ook al tegen in die eerste publicatie van Stichting Desiderata, De bibliomaan. In de bibliomaniakale aantekeningen van Ed Schilders bij dat verhaal wordt geschreven over de speciale jas met grote zakken die de hoofdpersoon Théodore laat maken. Bozig zegt hij tegen zijn kleermaker: "Meneer, deze jas is de laatste die ik door u laat maken als u nóg eens vergeet er zakken op te zetten in kwartijnformaat". Ed Schilders suggereert dat Nodier wellicht is geïnspireerd door de "bibliomannenmode" die hij op de kades van de Seine voorbij zag slenteren, of anders door de prentkunst in die tijd (zie afbeelding hiernaast). Het boek van Nodier verscheen in 1831 en Marmier leefde zo'n 40-50 jaar later als bibliofiel. Kennelijk zijn dergelijke jassen lang in zwang geweest. 

Zoals gezegd wordt in Octave Uzannes boek uitgebreid verslag gedaan van het bouquinistes-maal en daarin komen de jaszakken nog een keer terug. Uzanne citeert uit de toespraak van Choppin d'Arnouville bij het diner, die over Marmier zegt (ik haal dit uit de Engelse vertalilng van het boek; The book-hunter in Paris):

Often in returning from the Palais I have found him searching or reading in the bitter wind, and if I ventured to advise him to be careful, he would reply by showing me some little book thrust into the depths of his pocket (p. 230)

Overigens konden dergelijke jassen niet alleen voor gekochte boeken gebruikt worden, maar waren ook nuttig bij andere kwade bedoelingen. Lawrence Thompson verhaalt in zijn essay Bibliokleptomania (Peacock Press, 1968 - oorspronkelijke uitgave 1944) van verschillende stelende bezoekers van de bouquinistes:

Another abbé whom Cim protects with the simple designation of "B..." terrorized the bouquinistes of the left bank with his thefts around the turn of the century. He was frequently denounced, but he would always become highly indignant, reproaching the poor shopkeeper bitterly for his blasphemously suspicious nature that made him distrust a clergyman. (p. 26).
One nineteenth-century Parisian book thief became such a well-known nuisance among the bouquinistes that they got together and refused to tolerate him any longer. Accordingly, on the day after each "succesful" theft he would receive a bill from his victim setting forth author, title and price of the missing book. At the Hôtel des Ventes he would be stopped at the door and asked whether or not he had taken this or that volume "by error". "Ma foi, oui!" was the invariable and always unembarrassed reply, and the volume(s) would be immediatiely and uncermoniously restored. One worthy female devotee of Paul Boruget who apparaently lacked either the means or desire to buy this author's works became known among the dealers on the left bank as "la dame au parapluie" for her unusual place of concealment. (p. 38)

Waar de ene bezoeker van de bouquinistes hen op slinkse wijze probeert te bestelen, beschouwt de ander ze als leveranciers van blijvend geluk en trakteert ze vervolgens op een heerlijke maaltijd. Dat laatste is een mooi gebaar dat navolging verdient. We zouden allemaal als boekenliefhebbers onze favoriete boekhandelaar aan onze tafel moeten nodigen. Ik vind in elk geval dat de redactie van Stichting Desiderata voor alweer een mooie uitgave op zijn minst een goede borrel heeft verdiend. Ik hoop dat er snel eens gelegenheid komt om die met elkaar te drinken!