Posts tonen met het label Den Haag. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Den Haag. Alle posts tonen

26 september, 2021

323 - De schatkamer Colette

Foto: Martijn Beekman via www.indebuurt.nl
Het zal veel boekenliefhebbers niet ontgaan zijn dat antiquariaat Colette, in de Reinkensstraat in Den Haag, de afgelopen maanden geregeld in het nieuws was. Eerst door een bericht dat al zo vaak over antiquariaten is verschenen: de eigenaar stopt ermee en het antiquariaat dreigde te worden opgeheven. Maar daarna was er veel media-aandacht doordat er een unieke reddingspoging op touw werd gezet om er voor te zorgen dat dit antiquariaat voor de buurt en voor Den Haag (en voor Nederland) behouden zou blijven. Een enthousiast team van liefhebbers zette de schouders eronder en in no-time was het beoogde bedrag via crowdfunding gerealiseerd. En daarmee kon Colette worden voortgezet.

Recent zou ik met mijn dochter een dagje door Den Haag toeren om zoveel mogelijk antiquariaten en kringloopwinkels te bezoeken Een beetje naar analogie van onze trip naar Londen, maar iets meer in de buurt. Zij maakte het lijstje met te bezoeken winkels en ik had als eis dat Colette er in elk geval op zou staan.

En zo kwamen we aan in dit antiquariaat. Het viel mij op dat er best veel jong publiek was. Dat zie je niet vaak in een antiquariaat. Later zag ik op Twitter dat dit te maken had met een TikTok filmpje over Colette. Goed gedaan door de reddingsploeg, om zo nieuw publiek aan te boren!

De verhalen over Colette bleken allemaal waar te zijn. Het is een totaal volgepropte winkel waar op zich enige ordening in zit, maar waar tegelijkertijd stapels boeken overal in het rond staan wat er voor zorgt dat je overal waar je kijkt boeken ziet die je nodig van dichtbij moet bekijken. Om nog maar te zwijgen van de boekenberg in het midden van de winkel - waar stapel achter stapel staat, en wat er in de achterste stapels staat zullen we nooit weten. Ook in de kasten staan de rijen dubbel, en natuurlijk kijk je af en toe naar de achterste rij maar het is geen doen om in alle kasten de achterste rij te bekijken. En dus blijven er onvermijdelijk (te) veel boeken onbekeken.

Kortom, een geweldige winkel waarvan je zeker weet dat hij vol schatten staat waar je niet meteen bij kan komen. Boeken over tal van onderwerpen en in vele talen. Dus ook een winkel om om de zoveel tijd naar terug te gaan omdat er dan hopelijk wat stapels verkocht zijn en je bij nieuwe boeken kunt komen. Intussen is er een uitverkoop geweest in Colette die - ook weer mede door TikTok aandacht  - goed heeft gelopen. Allicht zijn er nu weer nieuwe boeken binnen handbereik, zodat er alle reden is om binnenkort weer terug te gaan.

Bij de speurtocht door Colette had ik al snel een stapeltje boeken gevonden en afgerekend. Een enkele daarvan wil ik even in de spotlights zetten.

Een schaarse Van Schendel

Een van de eerste uitgaven die ik vond was Arthur van Schendel’s Angiolino en de lente, een uitgave uit 1923 van Stols in de reeks Trajectum ad Mosam. Dit werkje verscheen destijds in een oplage van 188 exemplaren, waarvan een aantal Romeins genummerd. Een beperkt aantal exemplaren werd ook nog eens op perkament gedrukt, en dit is helaas niet een van die exemplaren. Maar dit is wel één van de Romeins genummerde exemplaren (IX) met als bijzonderheid dat dit exemplaar op naam gedrukt is. Het boekje vermeld dat dit exemplaar is gedrukt voor H. Boosten. 

Deze naam herkende ik. Ik kende een H. Boosten, was hij niet zakenpartner van Stols? Ik vond een mooie verklarende voetnoot in de briefwisseling tussen Ed. Hoornik en A.A.M. (Sander) Stols, bij een brief uit 1942. De voetnoot zegt: 

Ludovicus Hubertus Alexander Stols (1870-1942), was op 10 december overleden aan de gevolgen van een mislukte operatie. Hij was drukker, had zijn opleiding voor het drukkersvak bij Eduard Nypels van de firma Leiter Nypels in Maastricht gehad en richtte in 1894 met H. Boosten de drukkerij Fa. Boosten & Stols op. In 1920 werd een afdeling boekkunst aan de uitgeverij toegevoegd en werden eigen uitgaven gedrukt. Toen H. Boosten zich in 1925 uit de zaak terugtrok, zette L.H.A. Stols de zaak met zijn zoons Alphonese Auguste Jean (Fons) Stols (1901-1985) en Clément Marie (Clim) Stols (1903-1980) voort. [A.A.M. (Sander)] Stols heeft een belangrijk deel van zijn fonds bij zijn vader laten drukken. 

Even verder speurend leer ik dat Sander Stols vanaf circa 1923 samen met zijn broer Fons de reeks Trajectum ad Mosam had opgezet en deze Van Schendel-uitgave was dus een van de eerste verschenen titels in die reeks, namelijk in het jaar dat de serie startte. Over deze specifieke uitgave schreef J.C. Bloem trouwens nog een stukje in De Gids in 1924. Eerst memoreert hij dat de kwaliteit van het werk van Van Schendel een neergaande lijn laat zien, maar dat hij desondanks tot onze grootste schrijvers behoort. Over de publicatie van Angiolino en de lente zegt Bloem vervolgens: 

Waar ik over den inhoud van Angiolino en de lente schrijf, zou ik mij ondankbaar achten, indien ik ook niet een enkel woord wijdde aan den vorm, waarin het is uitgegeven. De Trajectum ad Mosam-pers is een van die ondernemingen, die telkens weer trachten, ons land, dat op dit stuk nog zuiniger dan anders is, uit zijn lithurgische slaap te wekken. Is er wel een land - in Europa tenminste - dat zoo absoluut niets voelt voor een behoorlijk boek, of er althans niets voor over heeft, hetgeen in de praktijk op hetzelfde neerkomt? Des te meer lof verdienen onze particuliere persen, waaronder die van den heer Stols een alleszins waardige plaats inneemt.

Wat ik bijzonder vind is dat een exemplaar dat Sander Stols specifiek heeft gedrukt voor de man die samen met zijn vader een bedrijf voerde, uiteindelijk in een Haags antiquariaat terecht is gekomen. Ik zou verwacht hebben dat het boekenbezit van Boosten bewaard zou zijn gebleven of misschien integraal geveild. Maar losse uitgaven vinden uiteindelijk toch hun weg naar het antiquariaat. Ik keek nog even op boekwinkeltjes.nl en vond nog een uitgave van Stols die gedrukt is voor H. Boosten, in dit geval een uitgave van P.C. Hooft. Er zijn dus meerdere vergelijkbare boeken in omloop. Maar deze staat nu in elk geval te pronken in mijn kast.

Een bijzondere Willink?

Ik dacht bij Colette nog een aardige vondst te hebben gedaan. Ik trok het kleine uitgaafje Het weten komt langzaam van Carel Willink uit een stapel, uitgegeven door De Driehoek in Antwerpen in 1926. Door het boekje bladerend zag ik dat een genummerd exemplaar was: nummer 8 van 315 en voor een paar euro was het van mij. Eenmaal thuisgekomen bleek de werkelijkheid toch wat anders te zijn. De uitgave die ik had gekocht bleek een facsimile te zijn van het Centraal Museum in Utrecht uit 1978. Niks originele uitgave uit 1926, maar gewoon één van heel vele exemplaren van de herdruk.

Desondanks is het een mooi werkje en een leuke toevoeging aan mijn collectie. De oorspronkelijke uitgave bleek nog een interessante relatie met Du Perron te hebben. In Tirade 184 lees ik

In april ’25 besluit Du Perron voor zijn rekening en risico ook een reeks ‘verhalen van De Driehoek’ uit te geven. Hij weet dan dat Willink bezig is zich aan proza te wagen en onmiddellijk wordt hem de publikatie van zijn verhaal in de reeks aangeboden. In april ook is het verhaal al voltooid en wordt het onder de titel Het Weten komt langzaam Du Perron toegestuurd. Het is in optima forma een brok sophisticated en met alle lezers sollend Merz-proza, maar Du Perron schrijft de zo gedurfd zich uitende auteur op 19 mei goedmoedig: ‘Het Weten komt langzaam is met al z’n onzekerheden, zonden tegen compositie-wetten en andere zijsprongen een opwekkend geschrift dat onze aandacht vermag te boeien. Ik ben benieuwd naar wat Van Ostaijen ervan zeggen zal.’ Het verhaal verschijnt eind november ’25, opgedragen aan Duco Perkens en voorzien van een passend kubistisch frontispice-portret van de schrijver door diens Duitse vriend, de schilder en dichter H. Behrens-Hangeler. 

Ook hier geldt dat ik nieuwsgierig ben of er nog meer exemplaren van te koop staan. De misvatting die ik zelf had (namelijk dat het een werkje uit 1926 was en niet uit 1978) blijkt op meer plekken aanwezig te zijn. Op boekwinkeltjes.nl wordt een enkel exemplaar aangeboden met alleen de vermelding De Driehoek, maar meestal wordt  terecht vermeld dat het een reprint uit 1978 is. Desondanks staat bij de meeste exemplaren vermeld dat het een genummerd exemplaar betreft, en wel (wie had dat gedacht...) nummer 8 van 315. Dat deze nummering eveneens in facsimile aanwezig is, wordt er niet bijgezet. Bijzonder is wel dat twee van de aangeboden exemplaren uit 1978 in dat jaar werden gesigneerd door Willink. Ik heb mijn exemplaar nog een keer gecheckt voor de zekerheid, maar helaas: het is ongesigneerd.

Deze twee kleine maar leuke uitgaven staan wat mij betreft symbool voor het aanbod in Colette: er is van alles wat te vinden en met wat zoeken vind je een paar heuse pareltjes waarvoor je wel eerst door talloze doorsnee uitgaven moet graven.

03 september, 2021

322 - Klein toneelarchief op Marktplaats

Schreef ik eerder al over efemeer drukwerk dat ik opdook bij de voorjaarsveiling van Bubb Kuyper, deze keer een stukje over een nieuwe stapel efemere uitgaven. De stapel kwam dit keer niet van een veiling, maar gewoon van Marktplaats.

Scrollen door advertenties op Marktplaats vraagt veel geduld, maar levert bij tijd en wijle mooie dingen op. Zo viel mijn oog onlangs op een advertentie met de titel "klein archief Haagse Comedie" voor de verbluffende prijs van 1 euro. In de beschrijving werd aangegeven dat het ging om een soort van historisch archief van producties van de Haagse Comedie (en een paar andere gezelschappen). Ik schreef al eerder over de Haagse Comedie waar ik ooit een jaar op kantoor werkte, en daarna nog een tijd als verkoper van tekstboekjes tijdens voorstellingen. Ook vorige keer was sprake van een mooie Marktplaatsvondst. Vanuit jeugdsentiment blijf ik echter geïnteresseerd in dit historische gezelschap, en zo kwam het dat ik deze advertentie zag.

De deal met de aanbieder was supersnel gemaakt: ik hoefde uiteindelijk alleen maar de verzendkosten te betalen voor deze collectie, verder wilde ze er niks voor hebben. Niet eens de ene euro dus. Dit maakte mij natuurlijk wel nieuwsgierig: wat was het verhaal achter deze advertentie? Was dit afkomstig van een oud-medewerker van het gezelschap? Was er nog meer materiaal beschikbaar? En waarom voor zo'n laag bedrag op Marktplaats?

Het klein archief bleek afkomstig te zijn van een recent overleden familielid van de aanbieder. Dit familielid had altijd een passie voor theater gehad. Zij had de programmaboekjes en informatie over voorstellingen die zij bijwoonde al die jaren bewaard en dat werd zo een indrukwekkende stapel. Dat deze bezoeker een passie voor theater had bleek ook wel uit de enorme hoeveelheid folders en boekjes. Nadat ik het op jaar had gesorteerd, zag ik dat zij meerdere keren per seizoen een voorstelling bijwoonde. Dat was eenvoudig te achterhalen omdat op de programma’s vaak met pen de datum had geschreven waarop ze de voorstelling had bijgewoond. Op verschillende plekken waren krantenknipsels ingevoegd met de recensie van het stuk. Bij het opruimen van de boedel vonden de nabestaanden deze stapel en was het idee eerst om het weg te gooien. Maar de aanbieder vermoedde dat er nog wel iemand interesse in zou kunnen hebben, en dat was goed gedacht: ik ben blij dat deze programma’s nu bij mij in de kast staan.

Intermezzo: een Haagse verhalenbundel

Terwijl ik deze Haagse theaterherinneringen aan het sorteren was, herinnerde ik mij een passage uit het boek dat ik op dat moment aan het lezen was: Het verdriet van Eline van Jan Paul Bresser (een mooi gesigneerd exemplaar). Dit boek is een bundeling verhalen over levens van (oudere) mensen in de Haagse binnenstad en staat vol met verwijzingen naar kenmerkende Haagse plaatsen en gebeurtenissen. De verhalen zijn een feest van herkenning en bevatten allerlei terloopse opmerkingen die je alleen herkent als je uit Den Haag komt. Onvermijdelijk komen de hoofdpersonen dan natuurlijk ook in de mooiste schouwburg van Nederland, de Koninklijke Schouwburg. In het titelverhaal staat de volgende passage (p. 60):

Vlak na haar huwelijk op 9 mei 1960, op de dag dat ze twintig werd, had Eline met de grote liefde van haar leven, Karel van Nieuwenhuyzen, een mooi huis in de Juffrouw Idastraat betrokken. Ze waren jong en wilden in het oude centrum wonen, dicht bij het Lange Voorhout en de Hofvijver en de Koninklijke Schouwburg, waar ze alles van de Haagsche Comedie probeerden te zien en genoten hadden van De Kersentuin met die ontroerende Ida Wasserman en die prachtige Paul Steenbergen. Ze waren heimelijk verliefd op hun favorieten, de jeune premier Guido de Moor en de veelbelovende Anne Wil Blankers.

Het is niet helemaal duidelijk naar welke uitvoering van De Kersentuin Bresser verwijst. Uit de online theaterencyclopedie leer ik dat dit stuk met deze bezetting meerdere keren is opgevoerd in die periode: allereerst in 1953 (maar toen was de hoofdpersoon 13, dat lijkt mij onwaarschijnlijk gegeven het verhaal) en ook nog in 1960 en 1961. Die laatste uitvoeringen passen mooi in dit verhaal.

Programma’s uit de jaren ‘60 en ‘70

In het stapeltje programma’s dat ik kreeg zat helaas niet die van de Kersentuin uit begin jaren ‘60. Dat zou wel een heel mooi toeval zijn geweest: de aanwezigheid van deze toneelliefhebber bij dezelfde voorstelling als een fictief romanpersonage. Of misschien was ze er wel, maar bewaarde ze toen nog niet de programma’s van voorstellingen waar ze was geweest.

Het oudste exemplaar uit de stapel stamt uit het seizoen 1964/1965 en is van de voorstelling Er is een moord gepleegd van Jack Popplewell. Ook in dat stuk speelde Ida Wasserman, maar zonder Paul Steenbergen. De ‘jeune premier’ Guido de Moor en de ‘veelbelovende’ Anne-Wil Blankers speelden niet mee in die voorstelling zodat de verliefde Eline en Karel ze die avond hebben moeten missen. Hoewel Guido de Moor al vanaf 1962 aan de Haagsche Comedie was verbonden, kom ik hem voor het eerst tegen in het programma van de voorstelling Cactusbloem van Pierre Barillet en Jean-Pierre Grédy uit seizoen 1964/1965. Anne-Wil Blankers (door Bresser ten onrechte zonder koppelteken geschreven) kom ik voor het eerst tegen in het programma van het blijspel School voor vrouwen van Molière uit seizoen 1966/1967, Hoewel ook zij dan al een aantal jaar voor de Haagsche Comedie actief is.

In de eerste paar jaren van de stapel kende de Haagsche Comedie nog geen eigen programma’s. Het programma was een vouwblad in een algemeen programma van het seizoen van de Koninklijke Schouwburg, waar de gezelschappen in werden genoemd die dat seizoen in Den Haag te zien zouden zijn. In 1964/1965 waren dat naast de Haagsche Comedie onder meer de Nederlandse Comedie, Toneelgroep Ensemble en de Nieuwe Komedie. Daarnaast bevatte het boekje advertenties van typisch Haagse bedrijven, zoals voor de Elizabeth Arden-salon aan de Plaats in Den Haag (Le charme souverain d’une coiffure nouvelle!) en voor de modieuze bontmantels en stola’s van Reimer in de Annastraat (passend bij uw persoonlijkheid). Aan de advertenties is duidelijk te zien dat het beoogde publiek de Haagse notabelen zijn die geacht worden een goede en dure smaak te hebben als het gaat om eten, kleding en uiterlijke verzorging.

De programma’s veranderden in seizoen 1967/1968. In het programma voor Zo is het van Luigi Pirandello (ter gelegenheid van diens honderdste geboortedag) lees ik: 

Met ingang van het seizoen 1967/1968 gaat De Haagse Comedie haar programma’s zelf exploiteren. Het ligt in de bedoeling ons publiek via deze publikatie zo uitgebreid mogelijk te informeren omtrent de activiteiten van ons gezelschap, het repertoire en alles wat daarmee samenhangt.

Sowieso is dat seizoen er een van grote veranderingen. Er lijkt namelijk ook definitief afscheid te worden genomen van de ch in de naam (Haagsche wordt Haagse). In de jaren daarna verandert het programma regelmatig van vorm: eerst een langwerpig boekje, dan een paar jaar een nog langwerpiger (en erg onhandig) vouwblad en vervolgens nog een paar jaar een vierkant boekje. Het laatste programmaboekje in de stapel stamt uit 1977 en is van Carlo Goldoni’s De Waaier. In die 13 jaar zijn er programma’s van 51 voorstellingen aanwezig - gemiddeld zo’n 4 per seizoen. Grappig genoeg start mijn eigen collectie tekstboekjes van de Haagse Comedie in 1978, met het tekstboekje Julius Caeasar van Shakespeare. Zo sluiten beide collecties mooi op elkaar aan: van 1964-1977 programma's en van 1978-1988 tekstboekjes. Nog een grappig toeval: het laatste tekstboekje is ook weer van Carlo Goldoni, dit keer het stuk Wie trouwt de weduwe?. Dat was trouwens niet de laatste voorstelling van de Haagse Comedie. Het gezelschap sloot af met het stuk Happy End. En daarna werd het opgeheven en werd het stokje overgepakt door Het Nationale Toneel, dat nog steeds bestaat.

25 jaar Haagse Comedie

In de periode waar ik nu de programma's van heb, viel ook het 25-jarig jubileum van de Haagse Comedie - in 1972. Ik had het jubileumboek uit die periode al staan, maar nu heb ik ook het programma van de jubileumvoorstelling Ter ere van van David Storey. Niet alleen was dit het 25-jarig jubileum van het gezelschap, maar ook van de carrière van Ida Wasserman bij het gezelschap: een dubbel jubileum dus. Ida Wasserman speelde dan ook met Ko van Dijk de hoofdrollen in het stuk. In het stapeltje programma\s zaten ook nog twee folders met informatie over de beide hoofdrolspelers die waren uitgegeven ten tijde van deze jubileumvoorstelling.

Wie goed naar het omslag van het jubileumboek 25 jaar Haagse Comedie kijkt ziet daar het aanplakbiljet voor de voorstelling van Ter ere van. Bijzonder is ook dat Jan Paul Bresser - die in het citaat hierboven de hoofdpersonen in zijn verhaal naar voorstellingen van de Haagse Comedie liet gaan - een bijdrage aan dit jubileumboek heeft geleverd. Hij schreef een hoofdstuk over Carl van der Plas. Andere hoofdstukken in het jubileumboek zijn geschreven door Hella Haasse, Simon Carmiggelt en Pierre H. Dubois.

Volgens een aantekening op het programma ging de toneelliefhebster op 30 september 1972 naar de jubileumvoorstelling. Het was volgens het weerbericht een licht bewolkte maar droge dag geweest, met een temperatuur van zo'n 10 graden. Of het een fijne theateravond is geweest is niet helemaal zeker. Ik lees namelijk in het jubileumboek Haagse Comedie 40 jaar dat het niet zo'n beste uitvoering was (p. 70):

Met Ter ere van werd het vijfentwintigjarig bestaan van de Haagse Comedie gevierd. Sober. En ironisch. Het stuk ging ook over een jubileum - een veertigjarig huwelijk, maar werd het tegendeel van een feest. Bovendien viel de kwaliteit van het stuk - niet het peil van het spel, met Ida Wasserman en Ko van Dijk - tegen na de hoge verwachtingen die in 1971 zijn Mooi weer vandaag gewekt had.
Met die première werd ook gevierd dat Ida Wasserman behalve vijftig jaar aan het toneel, ook vijfentwintig jaar bij de Haage Comedie was. Zij kreeg de zilveren legpenning van Den Haag.

Overige voorstellingen

Programma van de voorstelling
Droom van een midzomernacht
Naast de programma’s van het vaste repertoire van Haagse Comedie zijn er nog wat folders van andere voorstellingen en gezelschappen aanwezig. Een dissonant tussen al deze toneelvoorstellingen is een uitstapje naar John Lanting’s Theater van de Lach. Dit lijkt qua genre helemaal niet te passen bij de rest van de bezochte voorstellingen. Maar de voorstelling was wel in de Koninklijke Schouwburg, dus misschien trok dat deze liefhebster over de streep. Verder is er een enkel programma van het Nieuw Rotterdams Toneel en Zuidelijk Toneel Globe. Deze liefhebster ging naar allerlei interessante stukken in de Koninklijke Schouwburg, zo lijkt het. Maar ook daarbuiten: er is ook een informatiemap uit 1974 van het stuk August, August, August van Pavel Kohout uit 1974, dat werd opgevoerd in het HOT in Den Haag. Een bijzonder programma is dat van de voorstelling Droom van een Midzomernacht dat op verzoek van het Haagse Gemeentebestuur werd geënsceneerd ter gelegenheid van de ondertrouw van Beatrix en Claus. Het stuk moest worden uitgevoerd door de jongere leden van de Haagsche Comedie, en uiteraard zitten daar Guido de Moor (als Lysander) en Anne-Wil Blankers (als Helena) bij. In het programma staat over deze voorstelling:

Een gelukkiger keuze kan men zich voor deze gelegenheid nauwelijks voorstellen: een feestelijk blijspel over jonge liefde, gespeeld door jonge mensen, ter ere van een jong paar.

Deze uitvoering ging in februari 1966 in première, een maand voordat het huwelijk tussen Beatrix en Claus werd gesloten. Bij de spelers staan een paar namen die later veel bekendheid kregen door TV-series: Manfred de Graaf (als Demetrius) kreeg later grote bekendheid door Zeg ‘ns AAA en Gaston van Erven (als Knus de schrijnwerker) had later rollen in de series als Medisch Centrum West en Vrienden voor het leven.

Bladerend door al deze programma’s blijkt nog maar eens wat een legendarisch toneelgezelschap de Haagse Comedie is geweest. Zoveel grote namen hebben daar gespeeld en zoveel talent is daar doorgebroken om later bij andere gezelschappen, in films en TV series te spelen. En zoveel klassiekers uit de theatergeschiedenis zijn door het gezelschap op de planken gebracht. Het fijne van al deze programma’s uit de pre-Wikipedia-periode is dat je niet alleen informatie krijgt over wie er speelt, maar ook achtergrondinformatie over de auteur en het stuk. Een vaste bezoeker van het theater kreeg zo door de jaren heen een behoorlijke hoeveelheid theatergeschiedenis mee. Niet verwonderlijk dus dat al deze programma’s bleven bewaard - als herinnering aan een mooie avond maar zeker ook als naslagwerk voor informatie over talloze auteurs, acteurs en toneelstukken.

06 september, 2020

306 - Bijzondere vondsten in Den Haag: alles voor een euro

 Lang geleden onderhield ik op dit blog een serie waarin ik verslag deed van mijn vondsten op de "eurotafel" van boekenmarkten. Die marktkramen waar onafzienbare rijen willekeurige boeken staan, met daarboven een handgeschreven briefje dat alles er een euro kost. En waar oude reisgidsen naast reclamefolders staan, buitenlandse pockets tussen kunstcatalogi en gebruiksaanwijzingen voor nu klassieke voertuigen genoeglijk tegen kookboeken aan leunen. Dergelijke tafels zijn eigenlijk een aanfluiting op een serieuze boekenmarkt, het niveau is lager dan van een willekeurige kringloopwinkel (daar zijn boeken nog enigszins gesorteerd) en de kwaliteit ook: boeken met afgescheurde omslagen staan net zo opgewekt op een koper te wachten als de rest. Na verschillende afleveringen van deze serie verplaatste mijn werk zich en kwam ik nog maar weinig in Den Haag of op boekenmarkten.

Maar toch... ook al zijn deze eurotafels op het oog niet aantrekkelijk, overal zijn mooie dingen te vinden en ik vind het een uitdaging om van dit soort plekken toch weg te lopen met iets dat een aanvulling op mijn verzameling is. Toen ik deze week dan ook weer eens op een donderdag in Den Haag was, zette ik snel koers naar de boekenmarkt op het Korte Voorhout om te zien of vergelijkbare eurotafels als waar ik tien jaar geleden mooie vondsten deed ook nu nog aanwezig waren. En dat was zo, en niet alleen dat: binnen mum van tijd deed ik een paar mooie vondsten.


Eén van de eerste werken die ik vond was de Ballade van de honderd vrijers van Kees Stip (1913-2001). Kees Stip is vooral bekend geworden onder de naam Trijntje Fop, met dat pseudoniem publiceerde hij honderden dierenversjes. Zijn werk wordt aangeduid als 'light verse' en hij is dan ook de naamgever van de Kees Stip-prijs voor light verse (later ook toegekend aan onder meer Drs. P.). In de oorlog verscheen van hem onder pseudoniem het gedicht Diewertje Diekema. Een lied in dertig verzen waar geen woord Spaansch bij is, een persiflage op het gedicht Mária Lécina (1932) van de dichter J.W.F. Werumeus Buning. De eerste druk verscheen in 1943, zogenaamd bij de ‘N.V. Douwe Diekema’s uitgeversmaatschappij op de Elfstedengracht 333’ te Franeker. De echte uitgever was Chris Leeflang. Het gedicht werd razend populair en tijdens de oorlog veelvuldig gekopieerd en verspreid. Juist het overdreven, oer-Nederlandse karakter van Dieuwertje werd als bespotting van het het Blut-und-Boden-denken van de nazi’s gezien. 

Deze Ballade van de honderd vrijers verscheen in 1951 en gaat over de thuiskomst van Odysseus, die lang weg is van huis waarna 100 mannen op Ithaka zijn vrouw Penelope het hof gaan maken. Net op tijd komt hij thuis en hij wreekt zich op deze 100 vrijers. Een klassiek verhaal, door Stip in 32 coupletten verteld. Het mooie van dit exemplaar, uit 1968, is dat dit een gesigneerd werk is. De schrijver schreef in het boek: "Geschreven 1945. Voorlaatste couplet 1975". Even verder bladerend bleek inderdaad op p. 23 een extra couplet door de schrijver toegevoegd te zijn. Ik denk dat er dit staat:

Want menig mensenhart vergeet / Vervuld van eigen mijmerijen / De nood van zelfs de meest nabijen / En alle tranen die wij schreien / Zijn tranen om ons eigen leed




Een mooie vondst waar ik met veel plezier een euro voor gaf. Later vroeg ik mij af of een dergelijk exemplaar al eens eerder gevonden was. Tot mijn grote verbazing biedt Fokas Holthuis hetzelfde werk aan, met dezelfde opdracht en dezelfde toevoeging. Zelfs in tweevoud, met in één exemplaar een extra opdracht. Kennelijk heeft Kees Stip in serieproductie een aantal exemplaren van deze Ballade gesigneerd en van het extra couplet voorzien. Of zouden dit gewoon allemaal herdrukken zijn van één origineel exemplaar waarin die tekst is toegevoegd? Neemt Kees Stip ons hier beet? Ik denk het niet, want ik vond op de site Schrijversinfo een vermelding van nóg een exemplaar van deze Ballade met exact dezelfde toevoegingen. Er zijn foto's bijgevoegd en op die foto's is het geschrevene net wat anders dan in mijn exemplaar. Geen herdrukken dus, steeds origineel geschreven. Maar wel tenminste vier van deze exemplaren zijn nu bekend: één bij bij, twee bij Fokas Holthuis en één bij Schrijversinfo. Stip vond zijn extra couplet kennelijk belangrijk genoeg om in zo veel mogelijk exemplaren te laten verschijnen.

Het boekje van Kees Stip is uitgegeven door de beroemde Haagse boekhandelaar en  uitgever Louis Boucher, die een winkel had op het Noordeinde (waar nu nog steeds een boekhandel is gevestigd). Even verder gravend op dezelfde eurotafel deed ik pardoes een bijpassende vondst: het boekje Eindeloos tussen de boeken van diezelfde L.J.C. Boucher, uitgegeven door zijn zoon! Dit boekje bevat twee essays van Boucher over zijn boekhandel en zijn ervaringen in het boekenvak. Sowieso een mooie aanvulling op mijn collectie "boeken over boeken", maar hoe bijzonder is de combinatie met de vondst van het door hem uitgegeven boekje van Stip. De Ballade is het één van de ongeveer 600 boeken die Boucher naar eigen zeggen heeft uitgegeven (p. 7) en nu lagen ze gebroederlijk (gezusterlijk) bij elkaar op een eurotafel op het Lange Voorhout. 

 Boucher werd in 1910 geboren. In 1932 begon hij een uitgeverij vanuit de boekhandel van zijn vader aan het Noordeinde 39, Den Haag, die bleef bestaan tot eind 1982. In Den Haag is L.J.C. Boucher vooral een begrip als boekhandelaar maar hij heeft ook tal van mooie boeken gemaakt.  Bijvoorbeeld in de bibliofiele serie Folemprise. Ik heb zelf nauwelijks boeken die door Boucher zijn uitgegeven: het boekje van Stip is pas mijn tweede Boucher-uitgave. 

In Eindeloos tussen boeken doet Boucher een aantal aardige observaties over het boekenvak. Voordat hij in Den Haag aan de slag gaat, leert hij het vak in Londen en Parijs. Hij is onder de indruk van de boekencultuur daar: voorname winkels met klanten die weten wat ze willen en bereid zijn daarvoor te betalen. Hij schetst het verschil met de Nederlandse situatie: waar zelfs leden van het koningshuis ervoor kiezen om gebonden boeken terug te sturen en om ingenaaide te vragen, want dat scheelt 15 cent per stuk. Maar, "daar kon je bij Van Vugt op het Bezuidenhout twee gesmeerde broodjes voro kopen", vergoeilijkt Boucher. Vervolgens geeft Boucher een inkijkje in het boekenvak vanuit het perspectief van een gedistingeerde Haagse boekwinkel. Hij schetst de veranderingen van kopers en uitgevers tussen de jaren '30 en '70, de activiteiten in de boekhandel en zoals alle boekhandels heeft hij veel verzuchtingen over de sombere toekomst van het kwaliteitsboek en hoe kwaliteit van boeken en uitgaven behouden moet blijven. Met regelmaat klaagt hij dat het aanbod teveel Jo van Ammers Küller en Jeanne Otherdal (sic) is. Niet heel veel anders dan andere memoires van boekhandelaren, maar Boucher komt over als een bedachtzaam en prettig persoon bij wie ik graag boeken had gekocht als dat had gekund.

Het was echt een andere wereld toen. Wat gebeurde er zoal bij Boucher in de jaren '30? Nou dit (p.14-15):
"...twee dames, die de godganse dag kruisbanden schreven. Dat zijn stroken papier die, beschreven met namen en adressen, en bij ons nog in schoonschrift, gebruikt werden om de tijdschriften in te verpakken, die door de loopknecht aan huis werden bezorgd. (...) Een kassier (...) behandelde de visitekaartjes, d.w.z. dat hij de koperen 'plaques' die we voor de cliënten bewaarden naar Parijs opstuurde om er visitekaartjes van te laten drukken. (...) Verder kwam eenmaal in de week een ander figuur om menu's te stempelen met familiewapens. Het wapen, gestoken in een metalen blok, werd met de hand ingekleurd om er dan op de pers een menu mee te stempelen. Dat ging stuk voor stuk en gelukkig ook per diner van hooguit 30 couverts. (...) Alles werd op jaarrekening geleverd. In januari gingen die rekeningen uit en dan kwamen alras de huisknechts deze betalen. Wij waren dan verplicht, op straffe van verlies van clientèle, deze figuren 1% van de rekening uit te betalen."

Maar uiteindelijk gaat het natuurlijk om de dagelijkse gang van zaken in de boekhandel. Daarover schrijft hij een mooie passage waarin ik veel herken, als hij beschrijft waar de boekhandel van leeft:
"Van de grote groep belangstellende en nieuwsgierige Hagenaars die heus al een boek hebben, maar het daar niet bij willen laten. Die weten, dat als je dood bent de boel in het gunstigste geval naar de veiling gaat. Die niet denken, dat boeken een belegging zijn, want dat is niet zo. Kortom, mensen die altijd iets verder willen weten, die een tijdvak willen bestuderen, die een boek het beste gezelschap vinden. Ik beweer niet, dat dit de enige manier van leven is en dat er geen ander aardig gezelschap gevonden zou kunnen worden. Maar een boek is wel altijd beschikbaar, spreekt niet hinderlijk tegen en wanneer er gegaapt wordt, ben je het zelf."
Aan het slot van het boekje is dan nog een dagboek van een boekhandelaar toegevoegd, dat eerder verscheen in NRC Handelsblad van 28 februari 1976. Het zijn niet zozeer specifieke data die worden beschreven, maar meer een typering van verschillende dagen van de week, van de saaie maandag tot de enerverende zaterdag. Het deed mij natuurlijk meteen denken aan de winkeldagboeken van de Utrechtse antiquaren Hans Engberts en René Hesselink en aan de vergelijkbare recent verschenen dagboeken van de Schotse antiquair Shaun Bythell. Misschien wordt het tijd om in plaats (of als onderdeel) van dit blog een Dagboek van een bibliofiel te schrijven. Hoewel ik vrees dat de meeste dagen niet meer bevatten dan doelloos scrollen door Marktplaatsadvertenties en mijn collectie bijwerken op LibraryThing want veel enerverender dan dat is het meestal niet.

Met de boeken van Stip en Boucher was de weelde nog niet op. Ik vond op de tafel ook nog de gesigneerde en genummerde eerste druk van Vertraagde roman van Leon de Winter. Destijds uitgekomen in een oplage van 1000, alle gesigneerd en genummerd. Nummer 176 werd voor een euro van mij.

Drie euro armer, maar een weelde aan boeken rijker verliet ik opgewerkt het Korte Voorhout. Ik ga proberen om meer afspraken op donderdagen in Den Haag te plannen; ik heb de eurotafels echt gemist!

Naschrift: Bij de uitverkoop van Dick Zandbergen kocht ik het boekje van Reinold Kuipers met de titel De boekvormer. Dit boekje verdient een eigen blogbericht, maar voor nu volstaat dat Kuipers ook het boekje van Boucher aanhaalt. Kuipers heeft veel te danken aan Boucher en hoopt op een betere beschrijving van zijn leven. De bijdragen in het boekje, aldus Kupers, “karakteriseren de boekhandelaar-uitgever-prater ten volle. (…) Als zelfportret zijn zij volmaakt maar het verlangen naar een monografietje over zijn uniekheid als uitgever wekken zij niettemin. (…) Nochtans koester ik Eindeloos tussen de boeken als een levensteken van iemand die ik bewonder en die mij meer heeft beïnvloed en gestimuleerd dan hij weten kan. (…) Dank je, L.J.C. Boucher”

29 juli, 2019

299 - Gesigneerd jeugdsentiment op Marktplaats

Ooit in een ver verleden werkte ik in Den Haag op het kantoor van het toneelgezelschap de Haagsche (of Haagse) Comedie. Een mooi, klassiek, legendarisch toneelgezelschap dat de prachtige Koninklijke Schouwburg in Den Haag als thuisbasis had en voorstellingen speelde in het hele land. De Haagse Comedie bracht werk, vooral repertoirestukken, op de planken van alle klassieke auteurs: Shakespeare, Tsjechow, Molière, Racine, Euripides. Maar daarnaast ook modernere stukken: Scola, Ibsen, Medoff, Brecht, Ayckbourn, Albee. Het werken bij de Haagse Comedie - ik kwam er toevallig via een uitzendbureau terecht - was mijn intrede in de wereld van het theater en het was mooi om de wording van een stuk van begin (eerste planning van het repertoire, repetities) tot eind (première in de Koninklijke Schouwburg) mee te kunnen maken. En om al die mensen te ontmoeten die relatief onzichtbaar een theatervoorstelling mogelijk maken: portiers, kaartverkopers, decorbouwers, mensen van het kledingatelier, iedereen op kantoor... er moet een hoop gebeuren voordat een stuk daadwerkelijk op de planken staat. Het was ook bijzonder om elke dag vrijelijk in de oude Koninklijke Schouwburg rond te kunnen lopen: de trappetjes, de gangetjes, onder het toneel, over de zolder... veel romantischer dan dat wordt een werkplek niet.

Maar aan alles komt een eind en de Haagse Comedie werd na 40 jaar te hebben bestaan in 1988 Het Nationale Toneel. Ik herinner mij nog de allerlaatste première van de Haagse Comedie in de Koninklijke Schouwburg waar ik natuurlijk bij was (Happy End van Dorothy Lane [Kurt Weill en Bertolt Brecht]), evenals de allereerste (geruchtmakende) voorstelling van het Nationale Toneel in diezelfde Koninklijke Schouwburg. Woyzeck van Georg Büchner op 14 oktober 1988. Voor een deel van het keurige Haagse publiek dat de toch wat statige Haagse Comedie was gewend was het wat teveel van het goede en mensen liepen tijdens de try-out uit de zaal. Toch is het allemaal goedgekomen met het gezelschap en ook Het Nationale Toneel werd een gerenommeerd gezelschap in Nederland.

Eén van mijn taken als medewerker van de Haagse Comedie en Het Nationale Toneel was het kopiëren van scripts in de oerversie, voor de acteurs en regisseurs voor de eerste lezingen en repetities van het stuk. Dat ging destijds nog met een stencilmachine, beste lezers uit het digitale tijdperk, maar dan had je wel eer van je werk (en vieze vingers). Wanneer het stuk dan uiteindelijk werd opgevoerd in het theater, dan waren van de grotere producties tekstboekjes beschikbaar zoals dat nu ook nog steeds het geval is.

De oude Haagse Comedie heeft verschillende tekstboekjes uitgebracht. Vanaf 1980 verschenen de tekstboekjes in uniform formaat en genummerd in een serie (nummer 1 was Zonder gekheid van Alan Ayckbourn). Ik was toen al besmet met het bibliofilie-virus en daarom wilde ik graag de hele serie tekstboekjes (er waren er 50) compleet hebben. Het scheelde dat ik werkte op het kantoor, zeker toen bij de vorming van het Nationale Toneel alle tekstboekjes van de Haagse Comedie in de uitverkoop gingen. Ook de bezoekers van de Koninklijke Schouwburg sloegen op dat moment groots in om hun collectie compleet te maken: alle boekjes gingen weg voor een gulden (in plaats van fl. 7,50) en mensen gingen met stapels de deur uit. Maar ik kwam er nog verschillende te kort. Vanaf dat moment begon de moeizame zoektocht naar de ontbrekende nummers. In die tijd (stenen tijdperk) voor het internet betekende dat in alle antiquariaten en kringloopwinkels naar het kastje met toneelteksten zoeken en dan maar hopen dat het ontbrekende nummer er tussen stond. Zo heb ik jaren gezocht naar een exemplaar van de tekst van Peter Hacks' Een gesprek in huize Stein over de afwezige heer Von Goethe.
Uiteindelijk vond ik het bij Die Schmiede in Amsterdam en toen was mijn collectie compleet. Het blijkt dat zelfs in deze digitale tijd het boekje van Hacks een lastig te vinden tekst is: op dit moment wordt het voor zover ik weet nergens online aangeboden. Dus wie vandaag dit boekje wil hebben resteert de ouderwetse gang langs offline locaties om het te vinden...

Maar uiteraard bracht ook het nieuwe gezelschap Het Nationale Toneel tekstboekjes uit. Ook in een serie in uniform formaat en leuk om te verzamelen. Nadat ik niet meer werkte op kantoor, werkte ik nog wel in de avonden tijdens voorstellingen in de Schouwburg als verkoper van tekstboekjes en verstrekker van informatie. Een leuke bijbaan, ook al omdat je gratis naar alle voorstellingen mocht (hoewel je sommige stukken wel heel vaak zag. Dat was niet altijd een straf: ik heb Anne Wil Blankers zien schitteren in Shirley Valentine en die uitvoering heb ik denk ik wel een keer of acht gezien, zonder mij een seconde te vervelen. Maar ach, in welk stuk heeft Anne Wil Blankers níet geschitterd? Ik ken wel meer mensen die een paar keer zijn teruggekomen voor deze voorstelling. Of wat te denken van de Gysbreght, heel mooi uitgevoerd met Victor Löw en Peter Tuinman. Ook een keer of vijf gezien). Dus ik bezit ook een rijtje tekstboekjes van Het Nationale Toneel, al is het niet compleet: ik ben gestopt bij nummer 11 want toen stopte ik met werken bij het gezelschap. Ik heb eerlijk geen idee tot hoever de serie is voortgezet en of deze nog wordt voortgezet. Als ik in de catalogus van de KB zoek kom ik niet verder dan nummer 24, maar er zijn er vast meer.

Naast tekstboekjes van de Haagsche Comedie kocht ik in die tijd antiquarisch ook een paar andere jubileumboeken van het gezelschap uit eerdere jaren: bij gelegenheid van het 15-jarig bestaan, het 25-jarig bestaan en het 40-jarig bestaan. Dit vormt allemaal bij elkaar nog steeds de hoofdmoot van het theaterplankje in mijn bibliotheek. Eerlijk gezegd heb ik er de afgelopen jaren weinig aandacht aan besteed en het stond er maar een beetje te staan. Tot ik een paar weken geleden bij toeval op Marktplaats tekstboekje nummer 2 van het Nationale Toneel (Alkestis van Euripides) aangeboden zag in een bijzondere versie: een gebonden editie (tekstboekjes zijn standaard paperback), genummerd en gesigneerd door regisseurs en acteurs. Die moest ik natuurlijk hebben en dat lukte: er is weinig interesse voor dit soort uitgaven kennelijk. Op de foto is mijn exemplaar te zien: nummer 74 van 100, daarnaast waren er 1500 paperbacks (waarvan ik er al eentje had). Zichtbaar zijn de handtekeningen van o.a. regisseur Shireen Strooker, Wil van der Meer (Apollo), Jacqueline Blom (Alkestis), Gijs Scholten van Aschat (Admetus), Alfonse Cox (pleuranten), Marnie Blok, Joke Last, Wim van Rooij en Marjan Linnenbank (allen koor).

Wat een plezier om zomaar ineens een kijkje in het verleden te nemen. Namen van mensen voor wie ik werkte en die mij - als manusje van alles op kantoor - vermoedelijk niet zullen herinneren. Een aantal is trouwens al overleden, zoals vorig jaar Shireen Strooker en ook Wim van Rooij. Maar het zijn desondanks zoete herinneringen aan een mooie tijd, die bij tijd en wijle ook woelig was. Bijvoorbeeld door de Fassbinder affaire van Jules Croiset, die ook impact had op zijn broer Hans Croiset als leider van het Nationale Toneel en waar wij op kantoor het nodig van meekregen. Eerst door de “ontvoering” zelf en later de dramatische nasleep toen bleek dat het allemaal nep was. Later verwerkte Harry Mulisch deze affaire in het boekenweekgeschenk Het theater, de brief en de waarheid. Maar er zijn ook veel warme herinneringen aan de collega’s van kantoor van toen, waarvan een enkeling ook helaas al is overleden.

Maar deze uitgave levert naast mooie herinneringen en een waardevolle aanvulling op mijn collectie ook tal van vragen op. Waarom wist ik - als medewerker van het gezelschap notabene - niets van deze speciale editie? Ik verkócht immers de tekstboekjes van het toneelgezelschap (maar niemand vertelde mij ooit iets..). Maar ook: is dit de enige uitgave die in een gebonden, genummerde, gesigneerde versie werd uitgegeven? Of werd van elk tekstboekje zo’n bijzondere editie gemaakt? Dat is immers niet zo ongebruikelijk, vaak genoeg worden van seriematige uitgaven in grote oplagen een paar exemplaren in een mooie editie gemaakt. Denk maar aan de boekenweekgeschenken: naast de pak 'm beet 800.000 gratis exemplaren zijn er altijd zo’n 250 gebonden en genummerde edities voor de auteur en relaties en vrienden van de CPNB. Werd deze versie bijvoorbeeld gemaakt voor de acteurs in het stuk, de regisseurs, de dramaturgen en kregen die elke keer zo'n exemplaar? Ik kan online in elk geval geen andere luxe exemplaren en ook geen verdere informatie vinden. Niks in de catalogus van de KB, niks bij Antiqbook of Boekwinkeltjes, niks bij Abebooks, niks online.. Het zal een raadsel blijven totdat er wellicht ooit weer zo’n exemplaar opduikt bij Marktplaats of op een veiling. Maar zelfs dan: zolang ik het verhaal erachter niet ken, kom ik geen stap verder. En weet ik dus ook niet of ik op jacht moet naar vergelijkbare exemplaren van de andere titels van Het Nationale Toneel. Dat wil zeggen: op jacht ga ik sowieso, maar of ik ooit iets zal vinden is nog maar de vraag.

Kan een van de lezers van dit blog mij wellicht verder helpen?

Update oktober 2022: Intussen staat er één nieuw exemplaar van een gesigneerd tekstboekje van Het Nationale Toneel op boekwinkeltjes.nl. Het betreft wederom Alkestis, dit keer nummer 4 van de 100. Op de foto is te zien dat de volgorde van namen ruwweg gelijk is aan die van mijn exemplaar, en het zijn ook net zoveel handtekeningen. Kennelijk zijn ze alle 100 in dezelfde sessie gesigneerd. Evengoed: zou het van alle tekstboekjes dan toch alleen Alkestis zijn geweest waar zo'n speciale uitgave van is gemaakt? De speurtocht gaat verder...

12 september, 2016

266 - Nagelaten werk als sleutel tussen 19e eeuwse boekenliefhebbers

In de nalatenschap van mijn oom vond ik een curieus boekje dat uiteindelijk heel bijzonder bleek te zijn. Ik had het meegenomen omdat het in het rijtje 'oude boeken' stond en ik was van plan thuis eens rustig uit te zoeken of daar wat bij zat wat meer dan gemiddeld bijzonder of waardevol was.


In het stapeltje zat dus ook dit in zwart gebonden boekje - het ziet er een beetje uit als een schoolschrift - dat een exemplaar bleek te zijn van W.H.J van Westreenen's 's Graavenhage in de dertiende eeuw volgens eene oude aftekening, met historische ophelderingen, uit 1804 (online versie hier). Om te kijken of deze titel op zichzelf nog wat waard was googlede ik het en het bleek voor twee tientjes al te koop te staan. Dus legde ik het weg om het later te bekijken: kennelijk was het wel apart, maar niet bijzonder.

Toen ik onlangs het boekje doorbladerde viel mij iets curieus op: er zat voorin een briefje ingeplakt met een tekst in een voor mij bijna onleesbaar handschrift. Maar de naam van de afzender lijkt die van Van Westreenen zelf te zijn.  En bij het verder doorbladeren viel mij nog iets op: er zaten twee stickertjes in - één in het Nederlands en en één in het Frans - die erop leken te wijzen dat dit boekje ooit had toebehoord aan het "Willem II-museum" in Den Haag. Daarnaast waren er in de tekst van dit boekje verschillende aantekeningen gemaakt.

Dit museum ken ik niet maar de combinatie van deze stickertjes, het briefje en de aantekeningen maakte mij nieuwsgierig. En al snel ontdekte ik dat ik misschien wel een heel bijzonder boekje in handen had.



Allereerst de auteur van het boekje - Willem Hendrik Jacob (Willem) baron van Westreenen van Tiellandt. Hem kennen we natuurlijk als de stichter en naamgever van het Museum Meermanno-Westreenianum. Deze oud-militair die een van de grootste verzamelingen incunabelen van Nederland (en diverse andere belangwekkende collecties) bijeen bracht was een excentrieke, onaangepaste man die ondanks zijn afkomst en relaties er nooit in slaagde om een politieke functie van enige betekenis te krijgen. En die daarnaast zijn rijke verzameling voor iedereen verborgen hield. Hij heeft ook een bescheiden rijtje met eigen boeken op zijn naam staan. Eén ervan is dit werkje, dat hij op 21-jarige leeftijd schreef. In de Vaderlandse Letteroefeningen wordt het aldus benoemd:
De vlytige en kundige Westreenen geeft hier den Nederlanderen een geschenk, dat, hoe klein in het voorkomen, by elken Liefhebber der Oudheidkunde eene aanmerkelyke waardy zal hebben. Waarin het besta, ziet men uit den opgegeven titel. Het is, naamelyk, een Kaartjen van den allereersten aanleg van 's Graavenhage, in het midden der Dertiende Eeuwe, of omtrent 300 jaaren vroeger dan eenige andere thans bekend zynde asbeelding of beschryving. 
Later bleek het kaartje waarop het werk was gebaseerd helaas toch niet authentiek te zijn, maar het is mooi om op die leeftijd al als "vlytig en kundig" bekend te staan. Als liefhebber van boeken en (dus) van het museum van het boek was deze auteur geen onbekende van mij.

Dan het Willem II-museum. Ik vond daar informatie over op de pagina's van de journalist Marcel Tettero (met name deze pagina over het museum en deze over diens stichter) en in de biografie van Ignaz Matthey. Het idee voor het museum ontspringt aan het brein van Toon Tetteroo of Tetterode. Zijn echte achternaam is Van Tetroode en hij is een markant boekhandelaar uit Amsterdam die tussen 1830-1840 in Den Haag neerstrijkt. Hij is - indirect - een bekende van Koning Willem II en de koning steunt - eveneens indirect - een aantal van zijn initiatieven. De koning en Van Tetroode hebben elkaar nooit rechtstreeks ontmoet. Van Tetroode raakt verwikkelt in diverse hevige disputen tussen Republikeinen en Koningsgezinden. Via vlugschriften, eigen kranten en op talloze andere manieren geeft hij uiting aan zijn Oranjeliefde en zijn voorkeur voor een grote rol van de Oranjes in Nederland. Na de dood van Willem ll wil van Tetroode een museum voor 'zijn' koning inrichten. Want Willem II heeft op 16 juni 1815 in Quatre Bras de Nederlandse troepen heldhaftig aangevoerd (hoewel achteraf de rol van de Nederlanders wel mee lijkt te vallen). Twee dagen later verliest Napoleon de slag bij Waterloo en het heeft er alle schijn van dat de latere koning zijn bijdrage aan de geschiedenis heeft geleverd. Het levert hem in Nederland in elk geval een heldenstatus op.
In de ogen van Van Tetroode krijgt de koning desondans niet de erkenning die hij verdient. Al een jaar na de dood van zijn 'beschermheer' doopt hij zijn boekhandel om in "Museum Willem II". Hij maakt een folder waarin hij koning Willem ll prijst als verzamelaar van kunst. Ook koopt hij een levensgroot borstbeeld van zijn geliefde koning en plaatst het voor zijn woning. In de folder laat hij onomwonden weten dat hij ondanks zijn leeftijd (54) liever straatarm verder leeft dan ophoudt met het eren van zijn overleden vorst. Van Tetroode zou zelfs de sigarenpeukjes verzamelen die de koning op straat achterlaat (en onder een glazen stolp in zijn winkel tentoonstellen). Na verwoede pogingen om oa de kunstcollectie van de overleden koning te (laten) kopen en een eigenstandig museum te openen, blijft er niets anders over dan zijn eigen boek- en prentenhandel als museum in te richten. In 1856, zeven jaar na de dood van de koning, opent aan het Lange Voorhout in Den Haag het museum Willem ll de deuren, vlakbij het voormalige paleis van de vorst. Op de plek van het Museum staat nu Hotel Des Indes.

Van Tetroode heeft in zijn leven veel geld geleend. Omdat zijn handel steeds slechter loopt moet hij telkens verhuizen naar een kleiner onderkomen. Matthey achterhaalt in zijn biografie maar liefst 31 woonadressen in Den Haag tussen 1838 en 1875. Arm en berooid sterft de boeken-, kunst- en muziekhandelaar Van Tetroode uiteindelijk zonder dat zijn doel is bereikt. Van het beoogde grote museum Willem ll is, aldus Marcel Tettero, op zijn sterfdag niet meer over dan "een kruiwagen met spulletjes die op een zolder aan de Hekkelaan 9 in Den Haag staan uitgestald".

Wat is nu de relatie tussen Van Westreenen en Tetroode? Uit de archieven van het museum Meermanno-Westreenianum, dat wil zeggen via de beschrijvingen in het boek Een wereld van verzamelaars en geleerden blijkt dat Van Westreenen en Van Tetroode met elkaar correspondeerden. Van Tetroode liet via Van Westreenen publicaties van hem bij de Koning bezorgen. Matthey tekent in zijn biografie op dat Van Westreenen boeken kocht bij Van Tetroode, zoekopdrachten gaf, commissies verleende voor aankopen op veilingen en hem inschakelde bij de verkoop van doubletten. Zij kenden elkaar dus: Van Tetroode was een graag geziene gast bij Van Westreenen thuis en Van Westreenen bemiddelde op het ministerie bij een dreigend faillissement van Van Tetroode. Het lijkt voor hand te liggen dat Van Westreenen ook was betrokken bij het droombeeld van Tetroode: het museum Willem II.

Terug naar het boekje van mijn oom. Wat is nu de connectie tussen al deze dingen? Blijkbaar heb ik hier een authentiek werk uit het bezit van Van Tetroode. Na zijn dood heeft dit misschien wel in de bovengenoemde "kruiwagen met spulletjes" als restanten van het museum gezeten, maar waarschijnlijk is het al eerder in het proces van verarming verkocht: onder druk van dreigend faillissement heeft Van Tetroode de inboedel van zijn eigen winkel geveild en hij moest meer dan eens zaken verkopen om het hoofd boven water te houden. Aan de andere kant: één van de stickers vermeldt het adres Hekkelaan 9, en dit is het twee-na-laatste adres van de 31 waar Van Tetroode woonde, hij verbleef op dit adres tussen 1867 en 1875. Het lijkt erop dat hij dit boekje dus lang bij zich heeft gehouden. Het briefje voorin het boek is duidelijk van de hand van Van Westreenen: een schenking van dit jeugdwerk van de auteur aan de droom van zijn vriend en mede-bibliofiel? Als ik in staat ben het briefje verder te ontcijferen wordt misschien meer duidelijk. Voor zover ik nu kan zien is Van Westreenen dankbaar voor iets dat Van Tetroode heeft betekend in relatie tot "manuscripten met miniaturen" en de aanwezigheid van soortgelijke boeken in de bibliotheek (van Van Westreenen?). Als het briefje bij dit boek hoort (maar misschien is het er later ingeplakt), heeft Van Tetroode het minstens 20 jaar in zijn bezit gehad.

Duidelijk is wel dat dit boekje getuige is geweest van een bijzondere en hectische periode in de ontwikkeling van ons land en van een bijzondere vriendschap tussen twee legendarische namen in de geschiedenis van de bibliofilie. Het boekje dat ik gedachteloos mee naar huis nam en waarvan ik dacht dat het weinig waarde had, blijkt een belangwekkend werkje te zijn. Boeken met een verhaal - ik hou ervan. En dit onooglijke boekje in zjin rommelige zwarte omslag krijgt een ereplaats in mijn bibliotheek.

Dit alles met dank aan mijn oom de verzamelaar. Zou hij zelf geweten hebben wat voor bijzonders hij in zijn bezit had? Ik kan helaas niet terugvinden hoe hij aan dit boekje is gekomen. Op een veiling gekocht? In een antiquariaat gevonden? Opgedoken in een kringloopwinkel? Hij hield niet in detail bij waar hij welke boeken kocht: de omzwerving van anderhalve eeuw van dit werkje zullen altijd een mysterie blijven. Maar vanaf nu is duidelijk waar het thuishoort: in de collectie van Sneuper.

NASCHRIFT
Lezer Jos van Heel was zo vriendelijk om het briefje van Van Westreenen te ontcijferen. Er staat:
De B[aro]n van Westreenen van Tiellandt betuigt den H[ee]r van Tetroode zijn erkentenis, voor de bezichtiging van nevengaand fraay werk van Midolle, maar bezitter zynde, gelijk de H[ee]r van Tetroode van ouds weet, van een aantal oude Manuscripten met migniaturen, versierde voorletters &c. heeft hij zich voorgenomen, in zijne Bibl[iotheek] geene facsimile's van soortgelijke kunstgewrochten, die - hoe fraay ook - echter altijd maar Copien zijn, te plaatsen.
Zijne gezondheid is thans tamelijk goed, en hij verzekert den H[ee]r van Tetroode van zijne erkentelijkheid voor de deelneming in dezelve.
Dit geeft aan dat het briefje niet oorspronkelijk in dit werk zat, maar kennelijk in een werk van Midolle dat Van Westreenen van Van Tetroode op zicht heeft gekregen, mogelijk om hem bij te staan in een periode van ziekte. Zou hier worden gedoeld op een facsimile van de beroemde calligrafist Jean Midolle? Deze was actief in Van Westreenen's tijd en het zou niet verbazend zijn als hij een origineel van diens werk zou hebben. Echter, als ik nu zoek in de catalogus van het museum, dan zijn er geen werken van Midolle bekend. Misschien bedoelde Van Westreenen andere soortgelijke boeken (en wilde hij per definitie geen facsimiles) of misschien is er wel een werk van Midolle geweest, maar inmiddels verdwenen. Als ik nu in de bibliotheek van Meermanno kijk zie ik overigens 118 werken waarin op een of andere manier het begrip facsimile voorkomt.

27 augustus, 2004

9- Haagse mijmeringen

Onlangs moest ik in Den Haag zijn. Daar kom ik niet zo vaak, en daarom leek het mij goed om mij te laten verrassen door een antiquariaat. Wie weet wat ik nog zou opdoen.

Op het Noordeinde zag ik antiquariaat L.B. Kretzschmar en daar liep ik binnen. Mooie, ruime zaak met een zeer diverse collectie. Helaas gebeurde door de breedte van het assortiment iets wat ik vaker zie: de diepte ontbreekt. Bij de voor mij interessante afdeling (Nederlandse) literatuur stond een doorsnee aanbod, maar geen dingen waar ik enthousiast van raak en helaas niets van mijn verlanglijst. En waar je onvermijdelijk ook tegenaan loopt: veel van het leuke aanbod heb je zelf al, of je hebt er bewust voor gekozen het niet te willen hebben (ik ben immers bibliofiel, geen bibliomaan).

Ik heb een tijdje in mijn handen gestaan met een exemplaar van het romandebuut van H.M. van den Brink De vooruitgang. Een eerste druk voor 4,5 euro is altijd leuk, maar ik heb ‘m laten liggen omdat op de titelpagina een met tippex verwijderde naam van de eigenaar stond.
Dat een boek tweedehands is, is niet erg. Maar als ik overduidelijk kan zien van wie het boek is geweest, en als dat dan ook nog eens op een lelijke manier onzichtbaar is gemaakt, dan wacht ik gewoon op een mooier exemplaar. Zeker met reguliere uitgaven als deze.

Maar Den Haag is een stad vol van boekwinkels, en daarom keek ik ook nog even bij De Slegte in de afdeling ramsj. Daar ging ik erg tevreden weg met een exemplaar van De Petersburgse pest van I.M. Gontsjarov, in 2000 uitgebracht door De Arbeiderspers. Een boek dat pas vier jaar oud is, en nu al verramsjt en niet meer te koop in de reguliere boekhandel. Eigenlijk een zorgelijke ontwikkeling. Nu stuit ik er toevallig op, maar als ik het over een paar maanden had willen kopen, dan had ik lelijk mijn neus gestoten.



Dit redelijk onbekende boekje is een jeugdwerk van Ivan Alexandrovitsj Gontsjarov (1812-1891), wereldberoemd door zijn boek Oblomow, de luiaard die om wereldbeschouwelijke redenen weigert zijn bed te verlaten. In dit boek drijft Gontsjarov zowel de spot met zijn vrienden en andere stadgenoten die in de lente een onweerstaanbare drang krijgen de stad te verlaten en de natuur te beleven al met het romantische dwepen met de natuur. Vertaler Arthur Langeveld noemt dit verhaal een ecologische satire. Hoofdpersonen zijn de familie Zoerov en de Oblomow-voorloper Tjazjelenko (een vadsige, "methodisch luie" vriend). Zij hebben een nog volop romantische visie op het idyllische, pittoreske en ongerepte buitenleven. Maar de verteller laat niet na minder fraaie plekjes aan te wijzen: een vetsmelterij die een verpestende stank verspreidt, het zogenaamd schilderachtige meertje dat evenwel niet groter is dan een tafellaken en geheel bedekt met een laag zeepschuim omdat de soldaten hun kleren erin wassen, het 'prachtige' uitzicht vanaf een heuvel op niet meer dan de schutting van een steenfabriek.

Oblomow ligt al een tijdje op lezing te wachten maar ik kom er steeds niet toe - ben ik soms te lui? Oblomow zelf zal dat niet de slechtste reden vinden... Misschien is het verstandig om binnenkort als amuse te beginnen met De Petersburgse pest.

En zo boekte op mijn wandeling door Den Haag toch nog een onverwacht resultaat. Dit boek had ik niet willen missen en ik ben blij dat ik er al sneupend tegenaan ben gelopen. Uit het Haagse niets dan goeds.