02 februari, 2023

340 - Vertellingen voor één nacht

In mijn vorige posts ging ik onder meer in op bibliofiele uitgaven van / over Ferdinand Bordewijk en Nescio. Dergelijke mooie uitgaven verdienen brede aandacht. In het algemeen hebben verzamelaars een trots rijtje met schaarse, bibliofiele uitgaven in hun bibliotheek van een schrijver die ze bewonderen, of in uitvoeringen die bijzonder zijn of die vanwege de inhoud er uit springen. Het zijn de bijzondere onderdelen van de verzameling die vaak extra belicht worden en veel aandacht krijgen. En niet voor niets, want vaak is er een hoge prijs voor die uitgaven betaald of er is heel lang naar gezocht. Dan mag zo’n boek wel wat extra aandacht en liefde krijgen.

Maar verzamelen gaat over zoveel meer dan dat. Het gaat om het bij elkaar krijgen van samenhangende zaken - en in het geval van boeken kan dat gaan over bepaalde series, auteurs, fondsen, ontwerpers, illustratoren of wat dan ook. En dat hoeft niet altijd een exclusieve bezigheid te zijn gericht op dure publicaties. Zo zijn er tal van mensen die bijvoorbeeld Salamanderpockets verzamelen, en het is nog een hele toer die bij elkaar te krijgen. Ook zijn er veel verzamelaars van boekenweekgeschenken, Literaire Juweeltjes, Zwarte Beertjes, Penguins, Insel-Bücherei of andere over het algemeen goed verkrijgbare en redelijk betaalbare boeken. Dat wil zeggen: het lijkt alsof deze goed en makkelijk verkrijgbaar zijn en de kringloopwinkels puilen er van uit, maar juist het compleet krijgen van een serie kan uiteindelijk nog best problematisch zijn, om verschillende redenen:

  • dergelijke 'goedkope' uitgaven hebben de neiging om snel schaars te worden, omdat ze vanwege de kwaliteit (goedkoop papier) snel uit elkaar vallen. Ook al omdat er door lezers weinig zorgvuldig mee wordt omgegaan, het is immers maar een 'goedkope' uitgave en er is daarmee eerder kans op schade en verlies;
  • zeker de wat oudere uitgaven worden schaars omdat er weinig waarde aan wordt gehecht en ze niet snel in kringloopwinkels of antiquariaten terechtkomen. Bij het opruimen van persoonlijke boekencollecties zijn dit de boeken die sneller bij het oud papier worden gelegd. En als ze al in een kringloopwinkel komen, worden ze daar vandaan ook snel weggegooid om ruimte te maken voor 'betere' boeken;
  • er zijn altijd wel een paar exemplaren in een serie die om wat voor reden dan ook veel schaarser en daarmee duurder zijn dan andere. Hoewel je ook die nog steeds gewoon in een kringloopwinkel kan vinden als je blijft zoeken (en probeer dat maar eens met een bibliofiele uitgave!). Zo wordt Salamander 147, Geen tijd voor tranen van Truus Wijsmuller-Meijer, als zeldzaam beschouwd en deze wordt dan ook voor hoge prijzen verhandeld. Ook voor Penguins geldt dat er verschillende heel zeldzaam zijn, check hier een YouTube video waarin een verzamelaar zijn top 10 met waardevolle Penguins voorstelt. Je moet het maar net weten als je op een boekenmarkt bij een doos vol oude Penguins staat: zit er misschien een verborgen schat tussen?
  • niet altijd is duidelijk uit hoeveel delen een serie bestaat. Zo zijn de Salamanderpockets genummerd, maar sommige nummers in de reeks zijn nooit verschenen. Als je dat niet weet, kan je heel lang zoeken naar een nummer dat helemaal niet bestaat. Gelukkig is er niet al te lang geleden een mooi overzicht voor de verzamelaar verschenen. Een ander voorbeeld is de Amstel Klassiek reeks van Veen uitgevers, die bijvoorbeeld door Danny Habets wordt verzameld. Er is geen definitieve lijst met titels van deze reeks beschikbaar, dus je kunt als verzamelaar verrast worden door titels in de reeks waarvan je niet wist dat ze bestonden. Je weet dan ook nooit of je helemaal compleet bent.

Door professionele boekhandelaars wordt nogal eens met dedain neergekeken op dergelijke verzamelingen van reguliere boekenreeksen. Ik maakte mij er 13 jaar geleden al boos over en onlangs las ik nog een neerbuigende opmerking over verzamelaars van Salamanderpockets, die kennelijk ten onrechte trots zijn als ze 400 exemplaren bij elkaar hadden. “Welk een cultuurschat! Welk een vreugde”, noteert een niet nader te noemen Utrechtse antiquair cynisch in zijn gepubliceerde dagboek op 29 maart 1990. Ik begrijp dit soort dingen nooit zo goed. Ook ik ben enorm onder de indruk van de schoonheid van een bibliofiele uitgave of van een complete collectie van de Russische Bibliotheek van Van Oorschot. Een collectie Hermans in eerste druk is prachtig. Maar een boek is een boek en hoe leuk is het als mensen hun passie in boeken kwijt kunnen door een mooie serie pockets te verzamelen, of boekenweekgeschenken? Waarom daarop neerkijken? Dat motiveerde mij nog eens extra om hier aandacht te besteden aan zo'n weinig indrukwekkende serie waar ik toch wel wat verzameltijd in heb gestopt.

Vertellingen voor één nacht

Het Parool, 11-2-1994
Een voorbeeld in mijn bibliotheek van een dergelijke 'goedkope' serie die nog best lastig compleet te krijgen (en ook rommelig is gepubliceerd), is de serie Vertellingen voor één nacht die vanaf de eerste helft van de jaren '90 van de vorige eeuw door Meulenhoff werd uitgegeven. Voor - toen nog - een paar gulden per stuk waren deze klein formaat boekjes (15 x 10 cm) te koop in de boekhandel. Een kassakoopje, waarbij ik mij herinner dat de verschillende delen in een kartonnen display stonden zodat je ze eruit kon zoeken. Het waren boekjes ter promotie van het werk van verschillende Meulenhoff-auteurs. Soms een verhaal uit een bundel, soms een hoofdstuk uit een boek maar steevast een pocket met circa 75-90 pagina's. 
De afbeelding hiernaast is een artikel uit het Parool van 11 februari 1994 waarin MvN (Matthijs van Nieuwkerk?) opgetogen de serie aankondigt met vermelding van de prijs van vijf gulden. De schrijver noemt dit "een stuntje" en "goedkoper dan een broodje paling".  In een artikel in Trouw van december 1995 worden de Vertellingen voor één nacht aanbevolen als Sinterklaascadeautjes. Op dat moment verschenen vier nieuwe deeltjes (Bassani, Høeg, Levi, Mishima). Jaap de Berg memoreert in die aankondiging nog even dat de Vertellingen weliswaar goedkoop zijn, maar dat de mini-Penguins die op dat moment op de markt zijn slechts een rijksdaalder kosten en daarmee half zo duur zijn.

De boekjes werden herkenbaar vormgegeven waarbij de standaarduitvoering is:

  • formaat 10 x 15 cm
  • een fragment van een schilderij op het omslag die op een of andere manier slapen, de nacht of nachtrust symboliseert
  • de titel en auteur in een vierkant blok met witte kaderrand op verschillende plekken op het omslag
  • in veel gevallen een balk bovenaan de voorzijde waarin de naam van de serie staat
    Twee typen logo's op de rug van de 
    Vertellingen voor één nacht
  • het achteromslag bestond meestal - niet altijd - uit een foto van de auteur en een korte introductie van het werk
  • op de rug het logo van Meulenhoff (in twee varianten)
In de serie verscheen werk van Nederlandse, Vlaamse en internationale auteurs uit het Meulenhoff-fonds. Bijvoorbeeld Jan Wolkers, Maarten Biesheuvel, Carolijn Visser en Hermine de Graaf. Maar ook van Primo Levi, Gustave Flaubert en Luigi Pirandello.  

In het boek van Frank de Glas met de titel De regiekamer van de literatuur: een eeuw Meulenhoff 1895-2000 wordt beschreven hoe Meulenhoff in de jaren '80 en '90 verschillende reeksen startte (en stopte) in een poging nieuwe markten aan te boren. Onderdeel daarvan waren deze Vertellingen voor één nacht (vanaf 1994) en Gedichten voor één nacht (vanaf 1991), "eenmalige goedkope uitgaafjes bedoeld als promotie voor andere werk van de erin opgenomen auteurs". 

Ik heb tot nu toe 32 titels uit of verwant aan de reeks Vertellingen (en Gedichten) voor één nacht weten te vinden. De meeste van de titels zijn op dit moment gewoon verkrijgbaar via Boekwinkeltjes.nl, vanaf één euro. Maar zoals altijd zijn er uitzonderingen. Van de 21 uitgaven uit de kern van de reeks - ik kom daar zo op terug - waren de uitgaven Shanghai by night van Carolijn Visser en Minnebrieven van een Portugese non in de vertaling van Arthur van Schendel op het moment van schrijven van dit blog niet onmiddellijk te koop via Boekwinkeltjes.nl of Marktplaats. Dat maakt ze niet per se schaars, maar het is wel een signaal dat ze mogelijk schaarser zijn dan de andere deeltjes.

1: 21 Vertellingen voor één nacht

Het rommelig organiseren van de serie heeft te maken met de verschillende publicatievormen van de boekjes waardoor het soms arbitrair is of ze wel of niet in de serie thuishoren. Je zou kunnen zeggen dat de kern van de serie bestaat uit de boekjes die specifiek aangeduid worden als "Vertellingen voor één nacht" (in meervoud aangeduid), door en voor Meulenhoff zijn uitgegeven en regulier te koop waren in een boekhandel. Het formaat (lengte x breedte) is identiek en het gebruikte papier vergelijkbaar. Alle hebben het logo van Meulenhoff op de rug. Dit zijn de eerder genoemde 21 boekjes. Daarnaast zijn er drie deeltjes "Gedichten voor één nacht". 

Aan de foto is te zien dat de uitvoering redelijk uniform is, maar toch zijn er verschillen. Van de 21 boekjes volgen er 16 het format "schilderij gerelateerd aan nachtrust aan de voorzijde / auteursfoto aan de achterzijde". Bij 4 exemplaren (Flaubert, Gogol, Pirandello en Wilde) is qua vormgeving gekozen voor een fantasie-design dat op de voor- en achterzijde is aangebracht, zonder auteursfoto achterop. Bij één exemplaar (Van Schendel) is de voorzijde wel een schilderij, maar is de achterzijde effen. Wellicht is er bij de vier afwijkende ontwerpen voor gekozen om uit te drukken dat het om auteurs gaat die al langer overleden zijn en uit het buitenland komen. Hoewel Pirandello duidelijk van een andere generatie is dan de andere drie (Pirandello overleed in 1936, de andere in of voor 1900). Toch waren de andere buitenlandse auteurs in de reeks (Dahl, Høeg, Levi, Marquez, Mishima, Sacks, Vargas Llosa) bij de verschijning van de reeks ofwel nog in leven, of redelijk kort daarvoor overleden (Mishima in 1970, de anderen later). Maar of de sterfdatum het verschil in ontwerp heeft gemaakt? Het is ook niet zo dat deze uitgaven later in de serie verschenen. Aan het nieuwere Meulenhoff-logo te zien verschenen de 4 in het artikel in Trouw genoemde deeltjes als laatste (Bassani, Høeg, Levi, Mishima) en zij passen bij het standaardformat.

De lijst van 21 (in alfabetische volgorde van auteursnaam, veelal staat er geen verschijningsjaar vermeld) is als volgt:

  1. Giorgio Bassani - Lida Mantovani
  2. J.M.A. Biesheuvel - Giuliano
  3. Roald Dahl - Madame Rosette
  4. Gustave Flaubert - Een eenvoudige ziel
  5. N.W. Gogol - De mantel
  6. Hermine de Graaf - De zeevlam
  7. Peter Høeg - Reis naar een donker hart
  8. Oek de Jong - Lui oog
  9. Lieve Joris - Reis naar het Hart der Duisternis
  10. Rudy Kousbroek - De magische driehoek
  11. Primo Levi - Mijnheer Simpson
  12. Gabriel Garcia Márquez - In ons dorp zijn geen dieven
  13. Yukio Mishima - Rouw om het vaderland
  14. Luigi Pirandello - De lijfrente
  15. Renate Rubinstein - Een man uit Singapore
  16. Oliver Sacks - De wereld der onnozelen
  17. Arthur van Schendel (bew.) - Minnebrieven van een Portugese non
  18. Mario Vargas Llosa - De jonge honden van Miraflores
  19. Carlijn Visser - Shanghai by night
  20. Oscar Wilde - Lord Arthur Saviles misdaad
  21. Jan Wolkers - De wet op het kleinbedrijf

Naast deze 21 zijn er uitgaven die in meerdere of mindere mate als onderdeel van de reeks kunnen worden beschouwd. Ik onderscheid daarin een paar categorieën.

2: 3 Gedichten voor één nacht

Er zijn voor zover mij bekend drie boekjes verschenen met de opdruk "Gedichten voor één nacht", dit zijn bundels met verzamelingen van respectievelijk Chinese, Japanse en Spaanse poëzie. Qua uiterlijk zijn de boekjes aan de voorkant, behalve de titel van de reeks, identiek aan de Vertellingen. De schilderijen hebben echter geen verband hebben met nachtrust maar passen bij het land/cultuur waaruit de poëzie is geselecteerd. Ook het formaat en het papier is hetzelfde, inclusief het logo op de rug. In die zin horen zij dus thuis in de kern van de serie. Ik herinner mij dat ze gelijktijdig met de 21 deeltjes proza werden aangeboden (in dezelfde display), hoewel uit het boek van Frank de Glas blijkt dat ze drie jaar eerder verschenen. Maar het verschil in reeksnaam onderscheidt ze natuurlijk van andere. Daarnaast zijn dit alledrie nadrukkelijk vertaalde verzamelbundels van meerdere auteurs, waar het bij de Vertellingen steeds gaat om eigen werk van één auteur. Toch is achterin de drie bundels Gedichten een lijstje opgenomen waarin de beschikbare uitgaven van Vertellingen en Gedichten door elkaar staan vermeld, alsof het één serie is dus. 

De drie bundels zijn:

  1. W.L. Idema (keuze en vertaling) - De volle maan van het verleden. Klassieke Chinese gedichten
  2. J. van Tooren - Het zingen van de krekels. Japanse haiku
  3. Dolf Verroen - Sevilla mijn liefde! Coplas van Spanje

3:  Uitgaven alleen voor tijdschriftlezers

Naast de uitgaven van Meulenhoff zelf voor de boekhandel, zijn verschillende Vertellingen voor één nacht op een bijzondere manier verschenen, namelijk als bijlage bij een tijdschrift, als cadeau voor lezers. Uiterlijk zien deze uitgaven er bijna hetzelfde uit als de reguliere Vertellingen voor één nacht, maar in het colofon en soms op het omslag zijn kleine verschillen te zien. Zo staat er bij deze exemplaren niet "Vertellingen voor één nacht" (meervoud) maar "Vertelling voor één nacht" (enkelvoud) op het omslag. Ook ontbreekt het Meulenhoff-logo op de rug. 

Mij zijn op dit moment 6 van dit soort uitgaven bekend: één was een bijlage bij Psychologie Magazine, één bij Viva, en maar liefst vier uitgaven verschenen als bijlage bij het Vlaamse tijdschrift Elga. Wat het verzamelen van die laatste vier iets ingewikkelder voor mij maakt, is dat deze allemaal verschenen in België en nauwelijks in Nederland. Dat betekent dat het zoeken wordt bemoeilijkt omdat ze niet automatisch op boekwinkeltjes.nl of Marktplaats terechtkomen. Het is een kwestie van zoeken op Vlaamse tweedehandssites. In vijf gevallen volgen de pockets het format "schilderij op de voorkant /auteursfoto op de achterkant", maar slechts twee schilderijen verwijzen naar het thema nachtrust. In één geval (St Aubin de Téran) is er sprake van een afbeelding die zich over voor- en achterzijde uitstrekt.

Bij tijdschriften verschijnen regelmatig literaire uitgaven in de vorm van een kleine pocket. Specifiek van Viva heb ik bijvoorbeeld zelf nog een verhaal van Margriet de Moor staan dat met het blad werd meegestuurd (Op de rug gezien). Bij boekwinkeltjes.nl vind ik verhalen van Ronald Giphart en Herman Brusselmans die bij Viva verschenen. In al deze gevallen is de uitvoering echter wezenlijk anders dan die van de Vertellingen voor één nacht, zowel qua vorm als qua opmaak. 

Uitgaven verschenen bij tijdschriften:

  1. (Elga 1997) Jan Burke - Duivelse fantasieën
  2. (Elga juli 1994) Marilyn French - Dagboek van een slavin
  3. (Elga januari 1995) Lieve Joris - Amadou
  4. (Elga juli 1995) Carolijn Visser - Een tuin in de tropen
  5. (Psychologie Magazine november 1995) Oliver Sacks - Wel en niet zien
  6. (Viva juni 1995) Lisa St Aubin de Terán - Zee van verlangen

4: Overige uitgaven

De laatste twee boekjes zijn wat mij betreft echt randgevallen. Alleen op basis van het formaat en een aantal elementen van de uitvoering kan je volhouden dat ze verwant zijn aan de serie, maar het onderscheidende criterium "... voor één nacht" ontbreekt helemaal. Het vereist dus wat lenigheid in denken om ze erbij te zetten. Het gaat hier in de eerste plaats om een bundeltje verhalen met de titel Pennevruchten, dat je in 1995 cadeau kreeg bij aanschaf van een Parker 45 Matte Black. Hierin staan verhalen opgenomen van Adriaan van Dis, Maarten Biesheuvel, Fleur Bourgonje, Roald Dahl en Charlotte Mutsaers. De tweede is een boekje van Etienne van Heerden met daarin twee verhalen: De dolle hond en Kikuyu. Deze werd in 1997 door de Vlaamse Boekverkopersbond uitgegeven ter gelegenheid van de Boekenweek, met de focus op Zuid-Afrika. Het boekje van Van Heerden lijkt nog het meest op de uitgaven in de reeks: auteur en titel staan in een vierkant vak met witte omlijning, Er staat een schilderij op de voorkant en een auteursfoto op de achterkant. En in een horizontale balk staat wat het voor uitgave is. De uitgave Pennevruchten is echt een buitenbeentje; alleen het formaat en de uitgever stemmen overeen en eventueel het vierkante vak met titel en auteur (hoewel zonder witte rand). Maar in dit geval is ook het papier anders.

Nog iets over de auteurs

Het is altijd interessant om nog even een blik te slaan op de auteurs in de serie. Ik schreef al dat het een gemengd gezelschap is van Nederlandse, Vlaamse en internationale auteurs. Dat het deels Nederlandstalig werk is en deels vertaald. Maar los daarvan zijn er enkele auteurs die met meerdere werken zijn vertegenwoordigd:

  • Carolijn Visser, Lieve Joris en Oliver Sacks vinden we twee keer terug met werk in deze reeks. In alle gevallen zijn ze één keer te vinden in de kern van de verzameling (de 21 boekjes) en één keer in een bijzondere uitgave. Niet verrassend is de tweede uitgave van Oliver Sacks verspreid als bijlage bij Psychologie Magazine. Visser en Joris zijn beide meegestuurd met Elga magazine.
  • Nemen we ook de verhalen in de bundel Pennevruchten mee, dan hebben ook Maarten Biesheuvel en Roald Dahl twee vermeldingen in de reeks, één keer in de kerncollectie en dus één keer in een verzamelbundel.
  • Drie van mijn uitgaven zijn gesigneerd: de beide uitgaven van Lieve Joris en die van Oek de Jong.

Compleet of niet?

Zoals het gaat met dit soort uitgaven weet ik dus nooit of ik de serie al dan niet compleet heb. Zeker als het gaat om de bijzondere uitgaven buiten de kern van de serie. Ik ben redelijk zeker dat de kern van de serie Vertellingen voor één nacht is beperkt tot 21 titels en dat er 3 titels als Gedichten voor één nacht mogen worden beschouwd. Maar voor het aantal uitgaven dat met tijdschriften werd meegestuurd of anderszins als cadeau/speciale uitgave is gepubliceerd durf ik mijn hand niet in het vuur te steken. Zo ontdekte ik nog maar kort geleden het bestaan van de bundel Pennevruchten, nog daargelaten de vraag of deze eigenlijk wel echt tot de serie hoort. Het zal dus toch een kwestie blijven van zoeken in de bakken met miniboekjes bij antiquariaten en kringloopwinkels om te zien of er nog een exemplaar opduikt dat qua formaat, uitvoering, papier en/of opdruk als deel van deze verzameling mag worden beschouwd. Wat dat betreft helpt de catalogus van de Koninklijke Bibliotheek ook niet echt, want daarin staan maar 11 uitgaven gemarkeerd als onderdeel van de serie. Tussen die 11 staat ook één van de bijzondere uitgaven, dus kennelijk hanteert de KB de brede definitie van de serie. Zo beschouwd missen er dan nog minstens 21 deeltjes bij de KB.  Het betekent dat ik de rest heb toegevoegd aan mijn lijstje boeken dat ooit aan de KB zal worden gedoneerd, ter toekomstige aanvulling van de collectie daar.

Voor wat betreft de mij bekende 32 boekjes mis ik er nu nog eentje: de uitgave Duivelse fantasieën van Jan Burke is vooralsnog onvindbaar. Schrijver dezes houdt zich zoals altijd warm aanbevolen bij eenieder die het boekje heeft liggen en er afstand van zou willen doen...

02 januari, 2023

339 - Verrassende veilingvondst: Nescio

Vaste lezers van dit blog weten dat ik trouw verslag doe van mijn ervaringen bij boekenveilingen: de blijdschap wanneer ik mooie kavels heb gewonnen en langgezochte boeken aan mijn collectie kan toevoegen en de teleurstelling wanneer ik achter het net vis. Dat laatste komt trouwens vaker voor dan het eerste want ik probeer live meebieden met veilingen te vermijden om geen slachtoffer te worden van de gekte in de veilingzaal en zo meer te betalen dan ik eigenlijk zou willen of kunnen. Ik breng in de regel vooraf een schriftelijk bod uit en hoop er dan maar het beste van. Meestal loopt dat slecht af, maar regelmatig hou ik er toch een paar mooie boeken aan over.

Zo ook dit najaar bij de veilingen in november en december. Op basis van de catalogi van Bubb Kuyper, Zwiggelaar, Burgersdijk en Niermans en Van Stockum had ik in totaal op circa 25 lots geboden. Daarvan won ik er drie - ogenschijnlijk de opmaat voor een heel teleurgesteld stukje. Maar dat is dit niet, want ook dit najaar blijkt dat het niet gaat om de kwantiteit, maar vooral om de kwaliteit van het gekochte.

De aangename verrassingen hebben voor het grootste deel betrekking op Nescio. Ik kocht dit jaar twee kavels met Nescio-uitgaven: één bij Burgersdijk en Niermans en één bij Zwiggelaar. Het leverde een mooie uitbreiding van mijn collectie op.

Een voorloper/inspirator van Nescio?

Bij Burgersdijk en Niermans kocht ik een exemplaar van de curieuze uitgave Studentenhaver van Tjebbo Franken. Dat dit boek wordt gelinkt aan Nescio heeft te maken met een artikel van Sander Bink op de website rond1900.nl, waarin wordt betoogd dat het boek Studentenhaver mogelijk een inspiratie is geweest voor Nescio bij het schrijven van zijn debuut. NRC Handelsblad pikte dit verhaal op en publiceerde er over in 2013 (achter betaalmuur maar hier is een omleiding).

Tjebbo Franken (1883-1966) was een Haarlemse arts en schrijver. Hij studeerde rond 1900 in Amsterdam en was daar lid van de in 1902 opgerichte studentenvereniging P.A.L.L.A.S. Franken heeft verschillende boeken op zijn naam staan over uiteenlopende onderwerpen, zoals Het bloembollenboek (1930) maar ook een roman over Frans Hals en het boek Tusschen leven en dood. Lief en leed uit een dokterspraktijk (1929). Die laatste titel bevat een serie schetsen over gebeurtenissen in zijn dokterspraktijk. Dat genre was hem niet vreemd, want voor het blad Propria Cures schreef hij kort na de eeuwwisseling diverse schetsen uit het studentenleven, à la Klikspaans Studenten-typen, maar dan uit het fin de siècle. Kort na 1900 werden deze gebundeld in Studentenhaver. Uit het Amsterdamsche Studentenleven (Amsterdam, Scheltens & Giltay). Mogelijk in 1909, hoewel de KB vermeldt dat het boek ca 1902 verscheen. Het staat echter als "nieuw verschenen" in 1909 in verschillende uitgaven voor boekhandelaren. Overigens is het boek opgedragen aan P.A.L.L.A.S.

Sander Bink betoogt dat met name de schets van het "'t Mode-dekadentje" in de bundel en ook het verhaal "Bohémien" (zie afbeelding) opvallende parallellen met het werk van Nescio laten zien. Hij schrijft: 

Ze hebben namelijk her en der wel wat weg van het werk van Frankens leeftijdsgenoot Nescio, met name vanwege de licht weemoedige Amsterdamse setting, het constante gebruik van ‘-ie’ (‘had-‘ie’, ‘werd-‘ie’, ‘gaf-‘ie). Een verschijnsel dat wij hier eerder ‘proto-Nescio’ noemden, maar het is wellicht juister om te zeggen dat Nescio, die rond 1900 in Amsterdam studeerde en werkte, in zijn taal waarschijnlijk meer bij zijn schrijvende omgeving aansloot dan doorgaans gedacht wordt. Dat hij met kop en schouders boven zijn schrijvende tijdgenoten uitsteekt blijft daarmee onveranderd. Opvallende parallel zijn ook de verkleinwoordjes, al dan niet in de titels van de verhalen: ‘bourgeoistje’, ‘renteniertje’, ‘doktertje’, ‘dekadentje’. (...) ‘Japi’ heet Nescio’s legendarische uitvreter, wiens verhaal voor het eerst in De Gids van januari 1911 werd gepubliceerd, die de volmaakte bohémien wil zijn. ‘Jaapie’ heet Tjebbo Frankens bohémien en over wie ‘Janse, de koekebakker van op de hoek een mening heeft. En als Jaapie plots vertrokken is met ‘s’n tasch en sès skone boorde en z’n tandenborstel en s’n twee nieuwe overhemde’ vreest men: ‘och got meneer, as-ie zich maar niet gaat verdrinke.’ (p.160) ‘Op een zomermorgen om half vijf, toen de zon prachtig opkwam, is hij van de Waalbrug gestapt’ schrijft Nescio over het einde van zijn Japi. (...) Ook Frankens Jaapie is een uitvreter, die ondanks chronisch geldgebrek graag reist. (...) Kortom, een Jaapie, een koekenbakker en een dichtertje in één verhaal dat staat in een in 1909 bij een grote Amsterdamse uitgeverij verschenen boek? Het is op z’n minst een curieus toeval! In ieder geval kan Nescio het verhaal gelezen hebben. Ook is het mogelijk dat Nescio uit dezelfde Amsterdamse studentikoze bron of verhalen daarover heeft geput. Maar kom dáár maar eens achter! Misschien in de archieven van P.A.L.L.A.S of Propria Cures? Wie het kan vinden mag het zeggen. 

Mooie observaties en op zijn minst opmerkelijk. Reden genoeg om deze bundel toe te willen voegen aan mijn Nescio-collectie en ik was blij dat het werd aangeboden bij Burgersdijk en Niermans. Ruim zes jaar geleden werd exact dit exemplaar aangeboden bij Catawiki. Ik herken het aan het ingeplakte ex-libris van Paula Winkler (1889-1939) die het boek in 1909 tot haar eigendom maakte. Toen was de opbrengst 130 euro, nu samen met De Roos-uitgave van Nescio kostte het 100 euro (exclusief veilingkosten). Een verzamelaar die zijn collectie van de hand doet of wellicht is overleden? Het boek geeft er geen antwoord op.

In de uitgebreide biografie over Nescio van Lieneke Frerichs die in 2021 verscheen wordt de wording van de verhalen De uitvreter en Titaantjes uitvoerig beschreven en daarin staat geen enkele verwijzing naar Franken of Studentenhaver. Frerichs laat zien hoe de verhalen van Nescio zich geleidelijk aan ontwikkelden, op basis van verschillende eerdere schetsen. Daaruit blijkt een authentieke ontwikkeling, nog steeds met mogelijke invloed van diverse verschenen verhalen uit die periode maar zonder dat één ervan nadrukkelijk wordt aangewezen. De oer-vorm van Nescio's verhalen was al ruim voor het verschijnen van Franken's boek zichtbaar zo lijkt Frerichs te betogen. 

Een onverwachte luxe editie

Een tweede kavel van Nescio kocht ik bij Zwiggelaar. Bij dit kavel ging het mij eigenlijk vooral om de drie door Joost Swarte geïllustreerde Nescio-uitgaven in een cassette. Ik heb de losse exemplaren al omdat deze onafhankelijk van elkaar waren verschenen, maar later verscheen deze set en die heeft niet alleen de geïllustreerde cassette, maar ook nog een poster met schetsen van Swarte voor deze uitgaven. Oorspronkelijk verscheen deze cassette in 2007, maar toen ben ik vergeten 'm te kopen en sindsdien staat hij op mijn zoeklijst. De nieuwprijs was destijds €35, het enige exemplaar dat nu op boekwinkeltjes.nl staat kost €90. Mijn inschatting is dat ik de overige boeken in dit kavel weer door zou kunnen verkopen, waardoor ik wellicht mijn investering weer terug zou verdienen en uiteindelijk (veel) minder zou uitgeven dan de gevraagde €90 bij boekwinkeltjes.nl. In het kavel bij Zwiggelaar zit immers ook een tweede druk van Nescio's werk, de beroemde uitgave uit 1933 met bandontwerp van P.A.H. Hofman. Het is een van de exemplaren in heellinnen, helaas zonder buikbandje. Na toezending van dit kavel bleek dit exemplaar fraaier te zijn dan de tweede druk die ik zelf heb staan. Hier kon dus een ruil plaatsvinden waardoor de kwaliteit van mijn collectie weer wat is verhoogd.

De grootste verrassing in het kavel bleek echter het exemplaar van Mene Tekel te zijn. Van Mene Tekel heb ik al verschillende exemplaren, zoals de eerste druk uit 1946, de tweede druk uit 1947 met stofomslag en uiteraard ook de door Joost Swarte geïllustreerde editie. Ik dacht eerst dat het exemplaar in dit kavel een tweede druk was, maar dan zonder stofomslag. Bij het vergelijken van mijn nieuwe exemplaar en de exemplaren in mijn kast bleek er iets vreemds aan de hand te zijn: het blauwe linnen waarin deze Mene Tekel was gebonden past noch bij de eerste, noch bij de tweede druk. Bovendien leek het papier anders én was het exemplaar een paar millimeter hoger en breder. Kortom, hier was iets vreemds aan de hand en dit diende uitgezocht te worden. In de kavelbeschrijving van Zwiggelaar werd geen melding gemaakt van dit boek of een bijzonderheid daarbij, daar kwam ik dus niet verder mee.

Luxe editie, eerste druk en tweede druk van Mene Tekel

Ook een eerste zoektocht op internet leverde niks op. Maar de combinatie van de zoektermen "Mene Tekel" en "blauw linnen" bracht mij uiteindelijk bij.... mijn eigen blog! Wat bleek: meer dan een decennium geleden was ik ook al aan het jagen op Nescio-kavels bij het kwartet boekenveilingen Bubb Kuyper, Zwiggelaar, Van Stockum en Burgersdijk en Niermans. In mijn bijdrage van december 2011 deed ik er verslag van, waarbij sprake was van grote treurnis doordat ik vrijwel alle kavels waar ik op had geboden was misgelopen. Eén van de boeken die ik niet had kunnen kopen was een in blauw linnen gebonden luxe editie van Mene Tekel, die zowel bij Van Stockum als bij Bubb Kuyper werd aangeboden. Bij Van Stockum had ik niet geboden, maar bij Bubb Kuyper wel en daar ben ik overboden door Fokas Holthuis, zoals hij toegaf in een reactie onder dat bericht op mijn blog uit 2011. In de nieuwsbrief van Fokas Holthuis eind 2011 stond voor €225 een (ander) exemplaar met signatuur van Fred Batten. In catalogus 79 van Fokas Holthuis uit 2016 stond weer een ander (ongesigneerd) exemplaar, dit keer voor €325. Dit exemplaar is dus een mooie vondst in een verzamelkavel bij Zwiggelaar. 

Dat najaar van 2011 leverde trouwens een serie veilingen op met een groot aantal door mij begeerde boeken. Wat ik erg hoopvol vind is dat ik veel van de boeken die ik toen misliep, inmiddels toch bezit. Het exemplaar van Bloesemtak dat ik toen niet won bij Zwiggelaar kocht ik afgelopen jaar via Catawiki. De eerste druk van Nescio die ik toen misliep, kocht ik twee jaar later alsnog. De tweede druk van Nescio’s hoofdwerk heb ik intussen dus ook. Tien jaar geleden liep ik overigens ook een eerste druk van Karakter mis en het toeval wil dat ik ook deze keer dit boek misliep. Bij Zwiggelaar werd een eerste druk met stofomslag aangeboden. Getaxeerd op 100-200 euro bood ik 300, maar het boek ging weg voor 400. Jammer, maar volgende keer beter. Ik hoop in mijn stukje van najaar 2031 te kunnen melden dat ik het boek alsnog heb kunnen kopen.

Het derde gewonnen kavel

Het grootste nieuws van dit najaar kwam uit de beide Nescio-kavels die ik kocht. Maar ik won nog een derde kavel: bij de boekenveiling onder de naam Van Stockum (tegenwoordig onderdeel van het Venduehuis Den Haag) kocht ik een leuk kaveltje met uitgaven van Stichting de Roos. Het ging mij daarbij vooral om de extra's in het kavel: efemera van/over Stichting de Roos, ter uitbreiding van de efemera die ik al heb. Zoals een mooie poster met aankondiging van de tentoonstelling over de Roos in Museum Meermanno in 1973 en de uitgave Bij tien tekeningen van S.H. de Roos uit 1949 van G.W. Ovink, strikt genomen geen uitgave van De Roos maar natuurlijk wel over de naamgever van deze stichting. Ook kon ik een ongenummerde De Roos-uitgave in mijn kast vervangen door een genummerde, zodat mijn collectie ook op dat punt weer iets in kwaliteit is toegenomen.

18 november, 2022

338 - Winkeldagboek deel 3: 40 jaar beslommeringen in een antiquariaat

Het zong al een tijdje rond in bibliofiele kringen, maar nu is het dan toch eindelijk zover: het derde deel van het vermaarde Winkeldagboek is verschenen, zoals altijd geschreven door René Hesselink en Hans Engberts (†2011) van het Utrechtse antiquariaat Hinderickx en Winderickx. De donderdag van het verschijnen stond ik toevallig voor de etalage van Hinderickx & Windericks (H&W) aan de Oudegracht in de befaamde eurobakken te loeren, toen René ineens drie exemplaren van het winkeldagboek in de etalage legde, recht voor mijn neus. Met een briefje erop met de prijzen voor de paperback en voor de gebonden versie. Vers uit de doos gehaald waarschijnlijk, dus opgewekt stapte ik vervolgens naar binnen om naar de gebonden versie te vragen. Die bleek echter nog niet beschikbaar; pas een dag later zou die in de winkel zijn. Gelukkig stond mijn naam al op een lijst voor deze gebonden editie, zodat ik zaterdag alsnog een gesigneerd exemplaar in mijn brievenbus vond. Hoewel er nog ruim 100 boeken op mijn leesstapel liggen, kreeg dit nieuwe winkeldagboek natuurlijk onmiddellijk voorrang. De paperback is trouwens overal te koop, maar de gebonden editie alleen bij H&W. En drie gebonden (en gesigneerde) delen op een rijtje is uiteindelijk toch het mooiste.  

Naast de drie gepubliceerde winkeldagboeken verscheen er in 1997 al een oerversie. In een oplage van 250 werd bij “De Gecroonde Cnoop” ook al een winkeldagboek gepubliceerd. De Gecroonde Cnoop verwijst overigens naar een lantaarnconsole op de gevel van het pand waarin het antiquariaat is gevestigd. Het werkje verscheen ter gelegenheid van het 15-jarig bestaan van het antiquariaat. Die uitgave is vooral een verzameling anekdotes uit de boekhandel, zonder datum. Nog niet echt een dagboek dus. Dat format ontstond pas bij de publicatie van het eerste grote winkeldagboek in 2003.

De belangrijkste vraag bij dit deel was of de heren er in zijn geslaagd om het hoge niveau van de eerste twee delen vast te houden. Dat is zonder twijfel gelukt. Het winkeldagboek wemelt nog steeds van de zeurkousen in de winkel, allerhande opvattingen over mede-antiquariaten, verzamelaars, klanten en literaire persoonlijkheden en natuurlijk klaagzangen over omzetten. Hoewel het overall prima gaat met het antiquariaat (28 september 2010: “Hinderickx & Winderickx, de enige winkel ter wereld met dit gruwelijke probleem: te veel klanten). Het levert nog steeds verslavend leesvoer vol mooie anekdotes over het leven aan de Oudegracht. En duidelijke meningen over van alles. Paperbacks bijvoorbeeld (17 augustus 2008: "Wij willen geen paperbacks meer, want u wilt ook geen paperbacks. Weg met de paperback! Dood aan de paperback!), Kees Fens (18 juni 2008: "Zijn zinnen leken zowel aan het begin, als in het midden en aan het eind te kunnen beginnen") en ontrouwe verzamelaars die hun met hulp van H&W bij elkaar gescharrelde collectie Hermans uiteindelijk elders verkopen (6 oktober 2008: "Ik ben er even wezen kijken, maar ik werd bijkans misselijk. Ik geloof dat dit de meest verraderlijke daad is die mij in 25 jaar antiquariatenbestaan is geleverd"). En dit is nog maar 2008, het laat zich raden wat er in de rest van het boek zoal wordt geschreven. Mooi vond ik ook de klacht over lezers die hun tweedehands boeken laten signeren (ja, ik voel mij aangesproken). Hans schrijft:

In de kelder aan het werk voor de markt in Deventer, maak ik me kwaad op die zgn. verzamelaars die met hun tassen vol boeken signerende schrijvers lastigvallen. (…) Echt goede schrijvers werken niet mee aan deze vervalsing, die namelijk de schijn van nabijheid wekt. Als ze het wel doen is het uit naïeve goeiigheid. Daarom tref je weinig signaturen van de groten en eindeloos veel van de kleinen aan. (Dit na hele stapels vals gesigneerde boeken te hebben afgeprijsd of weggegooid)

Natuurlijk heb ik direct gekeken of ik genoemd ben in dit deel van het winkeldagboek. Ik heb teruggezocht welke aankopen ik bij H&W heb gedaan om te kijken of ik als klant de heren heb kunnen verleiden een aantekening te maken. Want Nick ter Wal schreef het al in 2007 naar aanleiding van het tweede winkeldagboek: "De directeuren van dit antiquariaat kunnen geweldig schrijven. Sommige anekdotes vergeet ik nooit. Filosofischer dan deel één, maar helaas minder omvangrijk. Wie hun winkel bezoekt, loopt het risico vereeuwigd te worden. Doen dus." Helaas bleek dit in eerste instantie bij mij niet het geval. Kennelijk ben ik zo'n doorsnee klant dat ik alleen terugkom in de optelsom van de dagomzet. In dit deel van het winkeldagboek constateren de schrijvers ook al dat de enige klachten die ze over het winkeldagboek krijgen, komen van mensen die vinden dat ze ten onrechte niet genoemd zijn. Zoals ik. Het lijkt er op dat er behoorlijk wat klanten zijn die de winkel bezoeken met de hoop niet allen een paar fraaie boeken te kopen, maar ook vereeuwigd te worden in het winkeldagboek. Hoewel het voor anderen weer een belemmering is. Op 11 september 2014 schrijft René namelijk:

Ooit, toen wij Winkeldagboek 1 publiceerden, dachten we dat zo’n boek goede reclame voor de winkel zou zijn, maar het omgekeerde bleek het geval. Veel klanten durfden niet een boekwinkel te betreden waar je het risico liep in een boek terecht te komen. De lafaards! Uiteindelijk is het allemaal toch goed gekomen toen deel 2 verscheen, waarin wij onszelf beschrijven als net zulke beklagenswaardige sukkels als de klanten.

Overigens is de behoefte aan / de zorg over genoemd worden de uitbaters van H&W ook niet vreemd. Op 13 april 2010 schrijft René:

Na de Geschiedenis van het Nederlandse antiquariaat heeft Buijnsters nu zijn Geschiedenis van de Nederlandse bibliofilie gepubliceerd. Benieuwd of H&W daar in voorkomt, kwam ik het volgende tegen: (...) "Een bijzonder verschijnsel werd daarmee het Utrechtse winkelantiquariaat Hinderickx & Winderickx. (...)"

Onverwacht bleek ik vervolgens bij het lezen van het winkeldagboek toch een vrij uitgebreide vermelding daarin te hebben. Op dinsdag 28 juli 2009 schrijft René namelijk:

Op een aantal blogposts, of hoe heet zoiets, heeft zich een discussie ontwikkeld over onze minachting voor boekenweekgeschenken. Deze discussie speelt zich af op de 'spot' van 'Sneuper'. (Waarom moet dat toch altijd zo laf anoniem, dat geblog?) De negatiefste reactie, van ene Frits, is dat wij 'bijzonder onaangename zelfingenomen kleinburgers' zijn en deze Frits zou 'niet graag' in onze winkel komen. Wij worden verdedigd door Nick ter Wal, van Artistiek Bureau, en Kees Thomassen. De laatste schrijft over mij: 'Hij is niet eens een heel extravert mens, maar als je eenmaal door zijn gereserveerdheid heen kijkt, blijkt hij een aardig en geestig iemand. Niks kleinburgerlijk!'

Diezelfde 'Sneuper' heeft in een eerdere bijdrage aan zijn blog heel enthousiast geschreven over onze winkeldagboeken. Hij noemt Wdb2 een 'heel leuk en leesbaar boek', 'om niet te zeggen: geniaal'. Sneuper wil graag in ons Wdb genoemd worden. Nou, bij deze.

Ik moest erg lachen om de opmerking “Nou, bij deze”. 13 Jaar lang was ik onwetend over het feit dat ik het winkeldagboek dan toch had gehaald, al is het onder de noemer "laf anoniem". Alsnog heel erg bedankt daarvoor, ik voel mij vereerd! De bijdrage die door René wordt aangehaald met de discussie over boekenweekgeschenken staat hier. Mijn eerdere bijdrage over het tweede winkeldagboek waarin mijn hele aardige woorden staan staat hier. Ik vervolgde die laatste bijdrage met de woorden "verplicht leesvoer voor boekenliefhebbers". Die aanprijzing is door René in alle bescheidenheid weggelaten. Het mag inmiddels genoegzaam bekend zijn dat alledrie (of allevier) de delen van het winkeldagboek verplicht leesvoer zijn voor boekenliefhebbers, dat hoeven ze niet over te schrijven uit mijn blog. De genoemde reacties van Nick ter Wal en Kees Thomassen staan trouwens niet onder mijn blogposts, maar komen ergens anders vandaan.


Mijn laatste wens is nu nog dat er een verwijzing naar mij op de webpagina van H&W komt, bij het overzicht van reacties op het winkeldagboek. Zoals de verwijzing op de pagina over Oude Gracht 234 naar het blog van boekengek, maar dan naar dit stukje bijvoorbeeld. Inclusief deze bijdrage heb ik al twaalf keer over de verschillende winkeldagboeken geschreven. Daar mag toch wel wat tegenover staan?

Naast dat in dit deel meer dan de vorige keer sprake is van het overlijden van schrijvers (Mulisch, Haasse, Kousbroek, Zeeman. Zwagerman), klanten (Jan, Jan, Serge) en collega-antiquaren, staat dit deel natuurlijk in het teken van de ziekte en het overlijden van Hans Engberts. Hans overleed op 29 november 2011, precies 29 jaar nadat H&W als antiquariaat is begonnen, toen nog aan de Herenstraat in Utrecht: op 29 november 1982 dus. Bij de datum van 3 december 2011 staat de afscheidstoespraak van René bij de uitvaart. Hij zegt onder meer:

Op 29 november 2011, vroeg in de ochtend, kwam er na 29 jaar met de dood van Hans een einde aan ons compagnonschap. Hij vond het niet erg om dood te gaan, zei hij een paar weken geleden. Hij vond het vooral erg voor Ursula, voor zijn moeder en voor mij. Hij had gelijk. Hij heeft nu rust - voor zover de eeuwigheid iets met rust te maken heeft - maar wij moeten door. Zonder Hans. Hindericx & Winderickx zal wel blijven bestaan, maar zonder Hans zal dat een bestaan zijn in een andere dimensie. zijn invloed, zijn geest, zijn ziel, hoe moet ik het noemen, zullen wel altijd in H&W aanwezig blijven - en dan doel ik niet alleen op de boeken die nog jarenlang verkocht zullen worden voor door Hans erin geschreven prijzen.

En op 5 december 2011 schrijft hij bedroefd:

Had iemand toen voorspeld dat we het 29 jaar zouden blijven doen, dan hadden we hem hartelijk uitgelachen, maar nu, achteraf, is 29 jaar veel te weinig. Ik had met Hans oud willen worden in ons antiquariaat.

Maar H&W ging inderdaad door, en het winkeldagboek ook. In de eerste periode na het overlijden van Hans nog wat onregelmatiger. Al snel werd echter de draad weer opgepakt, natuurlijk met regelmatig herinneringen aan Hans. Elk jaar op 29 november wordt er in het winkeldagboek even bij stilgestaan. Niet alleen René schreef, maar er zijn ook andere bijdragenden. Zoals Wim Hazeu, Roosje en op 12 mei 2012 voor het eerst Roland Fagel:

Mijn eerste en volledige winkeldag in dit Hansloze Tijdperk begon op uiterst Hanzige wijze: ik stak de sleutel in het slot van de winkeldeur juist op het moment dat de domklok elf kreunde.

En zo gaat het leven aan de Oudegracht verder. Met herkenbare observaties, zoals op 8 september 2016:

Het zijn frustrerende tijden voor een serieuze antiquaar die ik toch ook ben. De afgelopen weken heb ik duizenden euro's uitgegeven aan bibliotheken van overleden klanten en de winkel zit boordevol goede boeken, maar het enige wat het volk koopt is de rommel uit de ééneurobakken. Ik schrijf nu wel 'rommel', maar het zijn soms best goede boeken die in de bakken verdwijnen, bijvoorbeeld omdat we er meerdere exemplaren van hebben en de mensen het verdommen er meer dan één euro voor te betalen. 

De 287 pagina's van dit winkeldagboek zijn moeiteloos uit te lezen. We lezen over de doorgaande verschuiving van de winkel naar internetverkoop (en dat er dus teveel pakjes moeten worden gemaakt), over de lockdown en over kaalslag onder Utrechtse antiquariaten. Je kunt het lezen in één lange zit desnoods, maar waarom zou je dat doen? Gewoon in kleine hapjes genieten. Want zoals René zelf zegt, op 12 september 2022, het is immers:

(...) een bijzonder leuk boek, evenals de vorige delen. Denk ik. Jammer dat ik het zelf geschreven heb. Ik zou het graag lezen.

Ik heb het in elk geval weer met veel plezier gelezen. Toch merkte ik tegen het einde dat de schwung er een beetje uit liep. Juist de dynamiek tussen René en Hans, hun verschillende opvattingen over het antiquariaat en hun bijdrage daarin maar ook hun gemeenschappelijke visie op de wereld (de klanten, de boeken, de collega’s in het vak) maakt het dagboek sterk. En uiteraard mist dat een beetje de laatste 11 jaar. Maar hoe dan ook een prestatie van formaat om gedurende 40 jaar geheel authentiek verslag te doen van het leven in een boekenantiquariaat en dat in drie kloeke delen te boekstaven. Ondanks al het gemopper maakt het eindeloze werken met boeken dat je toch bijna zelf een antiquariaat zou gaan beginnen. Bijna, niet helemaal.

02 november, 2022

337 - De hel van de bibliofiel en Andrew Lang's boeken over boeken

Charles Asselineau, foto door
G.F.T. Nadar (collectie Getty Museum)
Deze week ontving ik alweer de zevende uitgave van de Stichting Desiderata voor mijn bibliotheek en de redactie is er weer in geslaagd om volledig aan haar eigen doelstellingen te voldoen,  namelijk "het schrijven, samenstellen, vertalen en uitgeven van boeken die, qua inhoud en vorm, een onvoorwaardelijke liefde voor het boek weerspiegelen". Het zojuist verschenen werk van Charles Asselineau met de titel De hel van de bibliofiel is een schitterend boek dat zo verrijkt is, dat het veel meer is dan alleen de heruitgave van het beroemde 19e-eeuwse verhaal over de nachtmerrie van de bibliofiel. Niet alleen Asselineau’s verhaal is er namelijk in opgenomen, maar ook twee verhalen die hierdoor zijn geïnspireerd, namelijk Het vagevuur van een bibliofiel door Andrew Lang en Een boekenveiling in Hotel Drouot door Octave Uzanne. De thematiek van deze twee verhalen is dan ook nauw verwant aan dat van Asselineau en zijn ook direct door Asselineau’s verhaal geïnspireerd. Wat mij betreft een uitstekende keuze om deze drie verhalen samen te bundelen in één uitgave. Martin Hulsenboom zorgde voor de vertalingen uit het Frans en het Engels.

Maar wacht, er is meer! Van de eerdere Desiderata-uitgave De bibliomaan van Charles Nodier wisten we al dat aan het verhaal uitgebreide biografische en bibliografische bijlagen werden toegevoegd, zodat het verhaal in de historische en culturele context kon worden geplaatst. Dat is nu weer gebeurd, maar in de overtreffende trap. Over hoe die overtreffende trap er uit ziet, laat ik graag de stichting zelf aan het woord omdat die het mooier kan zeggen dan ik. "Het onderzoek naar de motieven in het verhaal leidt nu tot allerlei uitweidingen over de bibliofolklore: over boekenveilingen, bibliofobie, boekrestauratie, boekprentkunst en bibliofiele genootschappen. Ook de illustratoren die de ‘leesmerrie’ en ‘boekendemonen’ in beeld hebben gebracht krijgen ruim aandacht. In de eerste plaats is dat de illustrator van ‘De hel’, Léon Lebègue, een zo goed als vergeten briljante prentkunstenaar. Maar ook de demoontjes van Albert Robida verschijnen hier, en de afbeeldingen bij ‘De hel’ van de Tsjechische kunstenaar Hugo Steiner-Prag. In totaal bevat deze uitgave meer dan 160 afbeeldingen in kleur. Daarnaast zijn de drie verhalen toegelicht met Nederlandstalige bronnen die verwant zijn aan de inhoud, waaronder Willem Bilderdijk, die uitlegt hoe een nachtmerrie te werk gaat, en dominee Eliza Laurillard, die ingaat op zijn angst voor de vergetelheid." Ed Schilders heeft zich behoorlijk uitgeleefd in de “bibliomane aantekeningen”, een titel met een dubbele betekenis: De aantekeningen gaan over bibliomanie, maar de inhoud van de aantekeningen getuigen ook van een stevige bibliomaniakele werkwijze - de vrees is dat Ed Schilders zelf ook stevig aan bibliomanie lijdt. Het resultaat: het oorspronkelijke relatief korte verhaal van Asselineau is uitgedijd tot een kaleidoscopisch boek van 220 pagina’s, die ook nog eens is voorzien van een uitgebreid notenapparaat, waarin de boekenliefde uitbundig wordt beleden. 

Maar dan nu het verhaal zelf. Het verscheen in 1860 in boekdruk als L’Enfer du bibliophile, maar werd nooit eerder in het Nederlands vertaald. Asselineau vertelt over een nachtmerrie waarin een boekenvriend tegen wil en dank eerst door een demon gedwongen wordt waardeloze boeken aan te schaffen voor een te hoge prijs. Vervolgens belandt hij in de hellecirkels van de boekbinder (om de rommel zeer luxe te laten inbinden) en het veilinghuis (waar hij belachelijke prijzen betaalt voor boeken die hij niet wil hebben). Ten slotte is hij getuige van de plundering van zijn bibliotheek omdat hij de rekeningen van het veilinghuis en de boekbinder niet kan betalen.. 

Octave Uzanne werd geïnspireerd door het verhaal van Asselineau en schreef het verhaal Een boekenveiling in Hotel Drouot waarin een verzamelaar getuige is van de veiling van zijn eigen bibliotheek en tot zijn verbijstering ziet dat zijn met zorg verzamelde schatten voor schamele bedragen worden verkocht. Bij het ontwaken realiseert hij zich dat hij voor het slapen Asselineau’s verhaal heeft gelezen.

Het opgenomen  verhaal van Lang heeft als originele titel A bookman’s purgatory en vertelt over de nachtmerrie van Thomas Blinton, die ook hem overvalt nadat hij het verhaal van Asselineau over de hel van de bibliofiel heeft zitten lezen. In zijn droom herbeleeft hij dit verhaal op zijn eigen wijze, in grote lijnen volgt dit het verhaal van Asselineau. Ook Blinton wordt door een demon gedwongen tot aankopen waar hij helemaal niet op zit te wachten en moet op een veiling exorbitant bieden op boeken die hij niet wil hebben.

In alle gevallen gaat het om de ijdelheid en de hebzucht van de verzamelaar die door een demon wordt voorgesteld en die de verzamelaar dwingt om te doen wat hij eigenlijk niet wil, maar toch moet. Ed Schilders laat in de aantekeningen zien dat deze drie auteurs beslist niet de eerste zijn die dergelijke nachtmerries beschrijven. Een keur aan auteurs trekt voorbij die op een of andere manier dergelijke nachtmerries hebben verbeeld.

Iets over de drie auteurs

In dit boek staan verhalen van drie auteurs centraal. De thematiek van de verhalen komt overeen en de drie auteurs staan ook allemaal bekend als bibliofiel maar verder zijn de verschillen immens. Peter IJsenbrant verzorgde uitgebreide biografische schetsen van de drie auteurs. In het kort:
  • Charles Asselineau (1820-1874) was een Franse schrijver die bevriend was met onder meer de schrijver Beaudelaire. Hoewel voorbestemd als arts, koos hij de letteren. Zijn publicaties kenden een grote diversiteit, maar hij specialiseerde ook in het uit de vergetelheid halen van schrijvers die volgens hem ten onrechte in de schaduw stonden. Zijn passie was de romantiek, de literatuur tot 1830. Ook schreef hij fantasyverhalen waarin dromen een belangrijke rol spelen. Na Baudelaire’s dood publiceerde hij een nieuwe editie van Les fleurs du mal en een biografie over Bauedelaire. Asselineau’s grote passie was de bibliofilie en de dagelijkse jacht op boeken voor zijn bibliotheek.
  • Octave Uzanne (1851-1931) was ook een Franse schrijver, maar vooral bibliofiel die veel schreef over boeken en bibliofilie. Hij werkte mee aan talloze bibliofiele boeken en tijdschriften. Bibliofilie en vrouwen, dat was de focus van zijn werk. Bekend zijn dan ook zijn werken over vrouwenmode. Zijn boek over de Parijse bouquinistes kon desondanks op veel kritiek rekenen van de bouquinistes zelf. Lang bleef zijn werk onvertaald voor de Nederlandse lezer, totdat de Carbolineum Pers in 2018 de bibliofiele uitgave Bibliofiele verhalen publiceerde. Uzanne kreeg tijdens zijn studie in Parijs de smaak van het verzamelen van boeken te pakken. Hij richtte onder meer vier tijdschriften op en publiceerde veel boeken over boeken en bibliofilie, maar schreef ook romans en gaf verschillende ongepubliceerde werken van verschillende Franse auteurs uit.
  • Andrew Lang (1844-1912) was een Schotse journalist, dichter, schrijver, criticus en antropoloog. Hij is niet per se bekend als boekenverzamelaar, maar vooral als verzamelaar/kenner van sprookjes en volksverhalen, mythes en religie. Daar publiceerde hij dan ook verschillende bekende werken over zoals The blue fairy book (1899), The red fairy book (1890) en The green fairy book (1892) - in totaal 12 verschillende kleuren. Daarnaast publiceerde hij ook over Schotse geschiedenis. Hij werd beschouwd als een “born man of letters” en was goed op de hoogte van de Engelse en Franse literatuur. Hij heeft een indrukwekkende rij boeken op zijn naam staan maar publiceerde ook in allerhande tijdschriften.
Aangezien Andrew Lang goed vertegenwoordigd is in mijn bibliotheek, wil ik bij hem iets langer stilstaan.

Andrew Lang's boeken over boeken

Ondanks dat Lang vooral bekend is geworden door zijn Fairy books heeft hij behoorlijk wat boeken over boeken geschreven. In 1881 verscheen bijvoorbeeld The Library, waarin Lang ingaat op verschillende aspecten van het verzamelen van boeken, als een soort handleiding voor verzamelaars (denk hierbij aan het bekende ABC for Book Collectors van John Carter of de klassieker in ons taalgebied Het verzamelen van boeken: een handleiding van P.J. Buijnsters). Daarnaast verschenen nog verschillende andere titels, waarvan ik er vijf in mijn bezit heb. Helaas niet The Library, maar wel Old friends: essays in epistolary parody (1892), Ballads of Books (1888), Letters to dead authors (1886), Adventures among books (1905) en Books and bookmen (waarover hieronder meer). 

Het verhaal “A bookman’s purgatory” verscheen oorspronkelijk in Lang’s bundel Books and bookmen (hier integraal te lezen). Het is een goede gewoonte dat ik van de publicaties van Stichting Desiderata al een variant bezit. Zoals van de uitgave van Ewoud Sanders over Marmier’s maaltijd voor bouquinistes en natuurlijk van de hilarische uitgave Hayward Ho!. Maar bij het verhaal van Lang is het nog erger want dat bezit ik al drie keer. Ik heb namelijk drie versies van Lang’s bundel in mijn kast: uit 1886, 1887 en 1899. De reden dat ik ze alledrie heb gehouden, is omdat ik in het algemeen moeite heb met kiezen en de uitgaven ook wel wat van elkaar verschillen. Dat wil zeggen, als het gaat om de inhoudsopgave. De bijdragen zelf, als ze meermalen voorkomen in de verschillende bundels, zijn voor zover ik kan zien identiek aan elkaar. 

De uitgave van 1886 is de Amerikaanse editie, verschenen bij Coombes in de serie "Books for the Bibliophile". Ik kan niet veel andere uitgaven vinden in deze serie, eigenlijk alleen Ballads of Books. Bij Coombes verschenen en opgedragen Brander Matthews, later opnieuw uitgegeven door Longmans, Green and Co en toen opgedragen aan "The Viscountess Wolseley". De uitgave van Books and Bookmen uit 1887 van Longmans is de eerste Engelse uitgave, en die van 1899 de tweede Engelse uitgave (met de ondertitel "a new impression"). Het lijkt erop dat Lang gedurende zijn leven nog wat gehusseld met de samenstelling van deze titel. Ik heb voor dit blogstukje maar eens een analyse gemaakt van de verschillen en overeenkomsten, waarbij ik de overeenstemmende uitgaven hetzelfde kleurtje heb gegeven. In de tabel vind je de drie inhoudsopgaven naast elkaar.
















De verschillen tussen de drie uitgaven zijn zichtbaar. Zowel de uitgave van 1886 als 1899 bevatten unieke bijdragen (de witte vakjes). Eigenlijk is alleen de eerste Engelse druk van 1887 de enige zonder echt unieke bijdragen. Theoretisch zou die dus wegkunnen, maar het is de eerste Engelse druk en daarom toch een beetje zonde om die af te stoten. Opmerkelijk is trouwens dat in het voorwoord van de Amerikaanse 1886-editie Lang expliciet zegt: 

The author does not book-hunt any more; he leaves the sport to others, and with catalogues he lights a humble cigarette. The game has grown too scarce; the preserves are for the rich. (...) I have ceased to hope for better luck; let younger or more sanguine men pursue the fugitive tract and the rare quarto. (...) No more morocco for me, or tooling, nor first editions; all these are vanity and (as a rule) bad bargains. Be not in a hurry to buy, young men and maidens, or your shelves, like mine, will be overcrowded with the melancholy harvest of inexperience and young desire". 

Hij lijkt afscheid te nemen van het fenomeen verzamelen en zijn bibliofiele leven, ook met een beetje spijt van wat het opleverde ("melancholy harvest") achter zich te laten. Maar vervolgens verschijnen er toch nog verschillende boeken over boeken van zijn hand. Eerst de heruitgave van Ballads of Books in 1888, maar in 1892 nog Old friends: essays in epistolary parody en in 1905 Adventures among books

De eerste Engelse editie van Books and Bookmen verschijnt zoals gezegd een jaar na de Amerikaanse editie. In de Engelse uitgave staat een voorwoord, waarin enige uitleg wordt gegeven over het verschil in inhoud. 

The essays in this volume have, for the most part, already appeared in an American edition. The essays on "Old French title-pages" and "Lady book-lovers" take the place of "Book binding" and "Bookmen at Rome". 

Meer toelichting wordt niet gegeven. Waren de verdwenen bijdragen ondermaats? Waren er problemen met rechthebbenden (de stukken verschenen eerder in tijdschriften)? Het wordt allemaal niet verteld. Wel wordt de herkomst van de verschillende andere hoofdstukken gegeven, die dus veelal eerder verschenen als bijdragen in tijdschriften. Maar zelfs dan blijft van sommige de herkomst onbekend, zoals "To F.L." en "Ghosts in the library".  Vermeld wordt wel dat "A bookman's purgatory" eerder verscheen in Longman's magazine (in 1883)

In 1899 wordt het voorwoord uit 1887 grotendeels herhaald, maar er wordt geen verklaring gegeven voor het verschil in inhoud tussen de bundels uit 1887 en 1899. Niet duidelijk is waar "Rich and Poor" en "Doris's books" ineens vandaan komen. Eveneens is onduidelijk is waarom "Curiosities of Parish Registers" uiteindelijk toch moet verdwijnen, nadat het in de eerste twee bundels wel stond. 

Tot slot

Ondanks de overdosis Andrew Lang die nu in mijn bibliotheek ontstaat, is deze uitgave van Stichting Desiderata hoe dan ook een aanwinst. Want het levert mij twee auteurs die tot nog toe ontbraken in mijn bibliotheek, naast Asselineau is dat Ocatave Uzanne. Van die laatste zou ik heel graag nog een paar titels op de plank willen hebben, want hij schrijft fascinerend over boeken en bibliofilie. Maar helaas zijn de uitgaven van Uzanne over bibliofilie gewild en dus schaars en dus duur, zodat ik hoop op een mazzeltje op een toekomstige veiling of een toevallige vondst in een of ander morsig antiquariaat. Maar gelukkig heb ik tot die tijd nu in elk geval met deze uitgave mijn eerste tekst van Uzanne in bezit.

Hoewel mijn verwachtingen bij de aankondiging van dit boek al hoog gespannen waren heeft deze uitgave ze toch opnieuw overtroffen. Ik kan mij niet voorstellen dat er een lezer van mijn blog is die zich nog niet heeft aangemeld bij Stichting Desiderata. Maar zo wel, dan sommeer ik deze lezer zich te melden bij het secretariaat, als je je boekenliefde tenminste ook maar enigszins serieus neemt. Ik kan gewoon niet zo goed begrijpen waarom je het risico zou willen lopen om nieuwe publicaties als deze mis te lopen. Uiteindelijk wil je ze toch hebben en zie er dan nog maar eens aan te komen. Maar genoeg daarover, mij rest nu niks anders meer dan te wachten op de volgende verrassende keuze vanuit de redactie van deze stichting. Misschien weer een tekst van Uzanne? Of wellicht iets Brits, zoals Dibdin? Of toch maar iets Duits, zoals Uffenbach, Brügel, Von Zobeltitz? Een Italiaan zoals Fogazzaro? Er zijn nog genoeg boeken waarin de boekenliefde centraal staat die wachten om te worden ontsloten. Ik heb het volste vertrouwen dat er een goede keuze zal worden gemaakt.

30 september, 2022

336 - Bibliofiele Bordewijk-uitgaven

Ferdinand Bordewijk (1884-1965) is een schrijver van een breed oeuvre waarbinnen zich niet bijster veel bibliofiele uitgaven bevinden die tijdens zijn leven zijn verschenen. Hij beschouwde zijn schrijverschap  als zijn secundaire beroep: “Ik ben eerst advocaat, dan schrijver”. Wellicht dat dit effect had op het beperkte aantal bijzondere uitgaven van zijn werk. Toch is er in de loop van de jaren - postuum - genoeg verschenen om er een aanzienlijke stapel van te maken. Recent heb ik weer een mooi bibliofiel exemplaar gekocht en dat is een goede gelegenheid om een aantal van deze uitgaven op een rijtje te zetten. Ik doe dat overigens niet chronologisch, maar in een willekeurige, maar wel geordende, volgorde die geen diepere betekenis heeft dan dat ik ze op deze manier uit de kast heb gehaald.

Allereerst is natuurlijk de vraag: wat is eigenlijk een bibliofiele uitgave en wanneer mag je een uitgave als bibliofiel beschouwen? Niet elk schaars werkje is meteen bibliofiel (al wordt dat wel vaak gezegd) en niet elk bibliofiel werk is schaars. Er zijn verschillende definities van bibliofiele werken, maar ik leen van Perkamentus een citaat uit een werk van Aat Vervoorn, met de toepasselijke titel Een bibliofiel boekje. Aat hanteert de volgende definitie:

een uitgave die op grond van typografische verzorging en/of boekband bijzondere waarde heeft voor boekenverzamelaars; vaak in beperkte oplage, al dan niet genummerd

In dit overzicht probeer ik zo dicht mogelijk bij die definitie van bibliofiele uitgaven te blijven. Een werk dat hier wat mij betreft dus buitenvalt, is Paarlen avond, een facsimile uitgave van een manuscript van Bordewijk, uitgegeven door de Haagse Kunstkring in 1978. In een oplage van 1000 verschenen en niet in de handel, dus je zou het bibliofiel kunnen noemen. Maar het is niet een uitgave waar heel veel bijzondere zorg aan is gegeven qua typografie of band: het is een gewone paperback op A4-formaat, maar niet meer dan dat. Desondanks blijft deze uitgave tot op de dag van vandaag inspireren. Ik focus hieronder echter vooral op de bijzondere uitgaven in mijn bibliotheek die duidelijk als bibliofiel mogen worden gekenmerkt.

Naast de verspreide bibliofiele uitgaven van verschillende drukkers en uitgevers, bestaan er ook nog de uitgaven die de laatste jaren zijn verschenen bij het Bordewijk-genootschap. Dit genootschap ijvert voor het vergroten van de belangstelling voor het werk van Bordewijk (en zijn vrouw, de componiste Johanna Bordewijk-Roepman). Voor de leden van het genootschap verschijnen geregeld publicaties die als bibliofiel mogen worden beschouwd gelet op de beperkte oplage, de zorgvuldige productie en de exclusieve verspreiding. Maar aangezien ik geen lid ben van het genootschap bezit ik die uitgaven niet. Wel bezit ik enkele aan het genootschap gerelateerde uitgaven, zoals hieronder blijkt. Waarschijnlijk zal ik de genootschap-uitgaven in de toekomst wel bezitten, want ze verschijnen vast een keer op een veiling en dan sla ik toe. Ik zal in deze blog tegen die tijd een aanvulling opnemen om van dit heugelijke feit verslag te doen. Maar in onderstaand overzicht ontbreken deze uitgaven nu nog.

Nieuwste aankoop: Bloesemtak (1991)

Laat ik beginnen met het voorstellen van mijn jongste aanschaf, de bibliofiele uitgave van Bloesemtak uit 2002. Dit exemplaar werd uitgegeven door De Distelkamp & Arethusa Pers, als 162e uitgave van deze pers. De oplage bedraagt 125 exemplaren, waarvan 115 Arabisch genummerd (ik heb nummer 79). Het boek is gebonden in half marokijnleer met batikpapier voor de platten, en voorzien van zijden kapitalen. Het boek bevat vijf etsen, vervaardigd en gedrukt door Wim van der Meij. Het zetwerk (lood), het drukwerk en het bindwerk is vervaardigd door Geert van Daal in zijn Atelier De Distelkamp.

Naast dat ik Bloesemtak een van de mooiste romans van Bordewijk vind, is dit in alle opzichten een prachtige uitgave. Een robuust boek, met veel liefde gemaakt en met schitterende details. Het stond al een hele tijd op mijn verlanglijstje en toen het recent bij Catawiki werd aangeboden sloeg ik toe. Vervolgens bleek ik het rechtstreeks van Geert van Daal te hebben gekocht, wat deze aankoop alleen nog maar meer bijzonder maakt.


Verschenen tijdens het leven van Bordewijk

Zoals ik hierboven al aangaf is het aantal bibliofiele uitgaven van Bordewijk niet heel groot, en de meeste daarvan zijn na zijn dood verschenen. Maar enkele bijzondere uitgaven verschenen nog tijdens zijn leven, veelal als luxe uitgaven die naast handelsedities verschenen. Er is echter een uitzondering, en dit is direct misschien wel een van de meest zeldzame Bordewijk-uitgaven. Het is de aparte uitgave van het verhaal Mijnheer Pem heeft een droom uit de bundel Tien verhalen.

Mijnheer Pem heeft een droom

Ik leerde voor het eerste over het bestaan van dit boek via Reinder Storm, tijdens een Bordewijk-symposium in de Koninklijke Bibliotheek. Hij vertelde hoe hij als een detective het spoor volgde van deze uitgave om deze uiteindelijk bij de maker zelf te vinden en uiteindelijk toe te voegen aan de KB-collectie. Ik schreef er destijds een blog over, waarbij ik hetzelfde spoor als Storm volgde naar de oorspronkelijke maker van het boekje, Harry Tuinhof in Wormerveer. Voor mij een makkie, omdat Storm de wegwijzers al had neergezet. De conclusie van toen was echter dat het boekje veel te duur voor mij was en ik heb het daarom niet gekocht. Maar tot mijn grote vreugde werd een exemplaar binnen een jaar aangeboden op Marktplaats, en van daar af was het nog maar één stap naar mijn bibliotheek. Sindsdien heb ik trouwens nooit meer een exemplaar ergens aangeboden gezien.

Mijnheer Pem heeft een droom is door Harry Tuinhof gemaakt bij wijze van proef voor zijn grafische opleiding. Het boekje is nooit bedoeld geweest voor publicatie en onbekend is hoeveel exemplaren er van zijn, maar het zullen er niet veel zijn.

 

Het is trouwens niet zo dat
Mijnheer Pem heeft een droom de heilige graal van een Bordewijk-collectie is. Dat is zonder twijfel de bundel Paddestoelen uit 1916, het debuut van Bordewijk dat verscheen onder het pseudoniem Ton Ven. Ik ken één particulier die dit bundeltje heeft, en dat is Robert Gaarlandt - de meest bekende Bordewijkverzamelaar en tevens oprichter van het Bordewijk-genootschap. Hij heeft zijn collectie zelf beschreven in een mooie catalogus ter gelegenheid van een tentoonstelling van Bordewijk-uitgaven in 2007 in de Pieterskerk in Leiden. Ik heb het dichtbundeltje in zijn collectie mogen zien en het is een bijzondere ervaring om dat mee te maken. Overigens heb ik al eerder geschreven dat de collectie van Gaarlandt elke aspirant Bordewijk-verzamelaar wanhopig maakt: de man heeft alles, van alles het mooiste en ook nog verschillende unica die per definitie onverkrijgbaar zijn (zoals het auteursexemplaar van Karakter). Maar voor wie over de schok van de Gaarlandt-collectie heen is, zoals ik, is er nog heel wat aardigs te verzamelen. Als je maar niet de illusie hebt dat je ooit compleet bent, of in de buurt komt van wat Gaarlandt bezit.

Een uitgave van Bordewijk die uiteindelijk misschien nog wel zeldzamer is dan Paddestoelen (d.w.z. de uitgave uit 1916, want in 1961 verscheen Paddestoelen opnieuw, alleen met een andere inhoud) is de uitgave Marion Quinn uit 1924. Na lezing van een eerste versie van dit blog merkte Reinder Storm op dat ik deze titel was vergeten te noemen. Dat had ik in eerste instantie bewust gedaan, vanwege het volstrekt unieke karakter (en daarmee de onbereikbaarheid) van dit werk. Dit is uiteindelijk toch een blog die over mijn boekencollectie gaat en ik schat in dat het al moeilijk wordt om ooit aan een exemplaar van Paddestoelen (1916) te komen. Maar een exemplaar van een boek waar er maar één van bestaat wordt wel heel lastig… Maar de suggestie van Storm is terecht: dit boek hoort toch in dit overzicht thuis.
Tijdens de bijeenkomst waar ik hoorde over het bestaan van Meneer Pem heeft een droom hoorde ik dus ook over de merkwaardige uitgave Marion Quinn. Het verhaal hierover verscheen ook in De Parelduiker. Deze uitgave werd in 1984 geschonken door een particulier aan het Letterkundig Museum en kwam later bij de KB terecht. Maar de titel werd in geen catalogus, fondsoverzicht, literatuurlijst of wat dan ook genoemd. Wat was dit voor uitgave? Naspeuringen wezen uit dat dit verhaal het eerste was in Bordewijk’s derde bundel Fantastische vertellingen uit 1924 en dat hier waarschijnlijk een “titeluitgave” van was gemaakt: losgesneden uit de bundel, titelpagina ervoor, bandje erom en klaar is de nieuwe uitgave. Dat kon met dit verhaal omdat het vooraan de bundel stond, dan begint de paginanummering ook logisch bij 1. Met het tweede verhaal gaat het niet meer, omdat je dan een boekje maakt met een paginanummering die begint ergens bij 138. Desondanks resteren nog genoeg vragen. Waarom is dit gedaan? Welke rol speelde Bordewijk zelf hierbij? Hoeveel exemplaren van Marion Quinn zijn er gemaakt en hebben de tijd overleefd? Titeluitgaven worden namelijk meestal van restanten van de oplage gemaakt, de oplage van deze derde bundel was 600. Hoeveel daarvan bleven onverkocht en werden versneden?  In welk jaar is dat eigenlijk gebeurd (ook omdat bekend is dat in 1941 de onverkochte exemplaren van de tweede en derde bundel Fantastische Vertellingen naar Nijgh en Van Ditmar gingen)? Wat is er met de andere twee verhalen gebeurd? Zwerft ergens in een tweedehandsboekwinkel in Nederland in een duister hoekje nog een exemplaar van Marion Quinn rond? Bestaat de kans dat een tweede exemplaar ooit de weg vindt naar mijn bibliotheek?

Twee Bezige Bij-uitgaven

In en net na de oorlog verschenen twee uitgaven bij De Bezige Bij, waarover ik twijfelde of ik ze bibliofiel kan noemen, maar die ik toch in dit rijtje opneem: ik kan afvinken dat ze in beperkte oplage en genummerd verschenen en een verzamelwaarde hebben. De uitgaven zijn ook bijzonder qua boekband, dus ze komen door de selectie. Bovendien waren de series waar ze in verschenen door De Bezige Bij bedoeld als bibliofiele reeks.

In 1944 verscheen de uitgave Verbrande erven in beperkte oplage illegaal onder het pseudoniem Emile Mandeau in de serie Quosque Tandem (ik heb nummer 69 van 525 exemplaren). Dit verhaal werd later opgenomen in de bundel Bij gaslicht. De Bezige Bij startte in 1943 met de reeks Quousque Tandem, met als logo de letters QT. De boekverzorging was in handen van binderij Danner uit Utrecht. Papier werd geleverd door Van Gelder papiergroothandel. De QT-reeks bepaalde het gezicht van de Bezige Bij tijdens de oorlog. De serie bestond uit vijftien mooie, kostbare boekjes waar de mensen nogal wat geld voor over hadden omdat ze anders toch weinig met hun geld konden doen. Op initiatief van het Bordewijk-genootschap is van deze publicatie in 2016 een fotografische herdruk verschenen bij het Fonds Historische Publicaties in Schiedam (het verhaal speelt immers volledig in Schiedam). Ook deze heruitgave verscheen in een oplage van 525.

Na de oorlog startte De Bezige Bij met tweede bibliofiele serie, dit keer onder de naam Tandem Aliquando. In de aanbiedingsfolder van De Bezige Bij van eind 1945 staat: 

Quousque Tandem, Hoe lang nog, in oorlogstijd door ons uitgegeven, thans gevolgd door Tandem Aliquando, Eindelijk dan toch, in vrijheid. De reeks staat onder redactie van Anton van Duinkerken en Halbo C. Kool. In deze serie zal werk verschijnen van bekende Nederlandsche auteurs.


Wim Schouten beschrijft in zijn herinneringen in Een vak vol boeken hoe deze tweede serie geen succes werd, daarvoor was het teveel een allegaartje van verschillende uitgaven. Uiteindelijk verschenen slechts enkele uitgaven in de reeks, waaronder in 1946 Veuve Vesuvius. Deze uitgave werd geïllustreerd door Fiep Westendorp. Ook dit keer bestond de oplage uit 525 exemplaren (waarvan nummer 323 bij mij staat). Veuve Vesuvius werd later nog een keer door de Bezige Bij heruitgegeven als kleine pocket. 

Luxe uitgaven

Van verschillende reguliere Bordewijk-uitgaven zijn bij het verschijnen tegelijkertijd luxe-uitgaven verschenen. Gelet op de bijzondere zorg die er aan deze uitgaven is besteed en de beperkte oplage beschouw ik ze als bibliofiel. Hiervan bezit ik er drie:

Haagse mijmeringen - dit bundeltje is sowieso al een enigszins speciale uitgave. Het verscheen namelijk in 1954 ter gelegenheid van het 100-jarig bestaan van de ‘s-Gravenhaagsche Boekhandelaren Vereniging. De oplage was echter vrij groot: 12.500 exemplaren volgens het colofon. Dit boekje is dan ook verre van zeldzaam en wordt tot op de dag van vandaag in menige uitverkoopbak van antiquariaten neergezet. Het is een eenvoudige paperback op klein formaat. Maar naast de handelsuitgave verschenen er ook nog 150 luxe exemplaren, gebonden met stofomslag en op beter papier. Ik heb een van die 150 exemplaren, die ook nog eens gesigneerd is door Bordewijk - iets wat sowieso niet zo vaak gebeurt. Ik kocht mijn exemplaar in 2012 bij Bubb Kuyper.

Tien verhalen - Ook voor de bundel Tien verhalen geldt dat het in de basis al een niet-reguliere uitgave was, maar ook verre van zeldzaam. Deze bundel werd in 1956 uitgegeven door Elseviers Weekblad in een onbekende oplage, als vrij goedkope paperback. Je kunt geen kringloopwinkel voorbijlopen of er staat een exemplaar (of van een van de andere door Elseviers Weekblad goedkoop uitgegeven boeken zoals Schuim en asch van Slauerhoff of Voorbijgangers van Top Naeff). Maar naast de reguliere uitgave verscheen ook hiervan een  luxe uitgave, in steviger omslag en genummerd. Van de honderd exemplaren heb ik nummer 55.

Vertellingen van generzijds - De laatste luxe uitgave die ik heb, verscheen in 1950. De bundel Vertellingen van generzijds is weliswaar een luxe editie, maar niet eentje die tegelijkertijd met een handelseditie verscheen. De uitgave van 1950 is zeker bibliofiel te noemen: gedrukt op fraai papier, voorzien van een papieren omslag en met een kartonnen foedraal (die meestal ontbreekt vanwege de kwetsbaarheid), in een oplage van 350 genummerde exemplaren (waarvan ik nummer 29 heb). De handelseditie van deze bundel verscheen 11 jaar later, in 1961. Het is mij niet duidelijk waarom de verschijning van de bundel in 1950 is beperkt tot 350 exemplaren en de handelseditie pas 11 jaar later verscheen. Het colofon geeft er geen uitsluitsel over en wat speurwerk in de bibliografie van Bordewijk bracht mij ook niet dichter bij het antwoord. Ik zie in Delpher wel verschillende recensies van de bundel alsof het een regulier verschenen werk is, dus niet bij bijzondere gelegenheid. Waarom zou Bordewijk deze toch redelijk exclusieve uitgave zo hebben laten verschijnen?

(‘t Ongure) Huissens

Er zijn literaire werken die vaker dan andere worden uitgegeven. Dit geldt voor meer schrijvers: er zijn verhalen die steeds in allerlei verschillende uitgaven terugkomen. Voor Bordewijk geldt dit voor het verhaal Huissens. Dit verhaal verscheen voor het eerst in september 1935 als novelle in de reeks van De Vrije Bladen, toen nog met de titel ‘T Ongure Huissens. Vervolgens werd het opgenomen in de verhalenbundel De wingerdrank uit 1937. In die bundel staat trouwens ook het verhaal IJzeren Agaven, dat eveneens in de reeks De Vrije Bladen werd uitgegeven, en het verhaal Keizerrijk dat ook al later apart is uitgeven. De wingerdrank is echt een bundel met ‘greatest hits’, zou je kunnen zeggen. Maar Huissens spant de kroon qua aparte uitgaven.

In 1965 verscheen Huissens als aparte uitgave bij Stichting de Roos. Het werd een bijna vierkant boek, in linnen gebonden. Deze uitgave werd geïllustreerd door Mart Kempers en de typografie was van H.P. Doebele. Zoals altijd verscheen deze in een oplage van 175 genummerde exemplaren. Uit de catalogus van Fokas Holthuis leen ik de opmerking dat Bordewijk zelf uiterst tevreden was over deze uitgave, blijkens een knipsel uit het Nieuwsblad voor de Boekhandel van 25 maart 1965: “Voor de illustraties door Mart Kempers weet ik maar één kwalificatie: geniaal”.

In 1982 verscheen postuum wederom een bibliofiele uitgave van het verhaal, ditmaal bij Nijgh en Van Ditmar. Tegelijkertijd met een handelseditie van 3000 exemplaren verscheen een bibliofiele editie in een oplage van 200. Deze was genummerd (ik heb nummer XX) en gesigneerd door illustrator Kurt Löb. 

De Roos-uitgaven

Verschillende bibliofiele uitgaven van Bordewijk verschenen bij Stichting de Roos. Ik noemde hierboven al Huissens, maar dat is niet de enige aan Bordewijk gerelateerde uitgave. In 1981 verscheen De Joodse cel, eerder verschenen in de tweede bundel Fantastische vertellingen in 1923. Bij Stichting de Roos verscheen het verhaal separaat, geïllustreerd door Karin Bouthoorn. Ook dit keer was de typografie in handen van H.P. Doebele. De “cel” in de titel staat overigens niet voor een gevangenis, maar voor een muziekinstrument.

Naast de twee aparte Bordewijk-uitgaven van de Roos speelde Bordewijk eerst nog een rol bij de uitgave Gaspard la nuit, van Aloysius Bertrand. Deze verscheen in 1956 bij De Roos, 9 jaar voordat Huissens een Roos-uitgave werd. Bordewijk schreef voor Gaspard la nuit een (Franstalige) inleiding. Het is niet zo vreemd dat Bordewijk hiervoor was gevraagd, want de bundel van Bertrand was ook voor hem een belangrijke inspiratiebron. In Bordewijk's uitgave De korenharp, nieuwe reeks uit 1951 had hij al vertalingen van 15 gedichten uit de bundel van Bertrand opgenomen. Hoewel dit wel degelijk een bibliofiele uitgave is, is het wat mij geen bibliofiele Bordewijk-uitgave. Daarvoor speelt Bordewijk hier een te secundaire rol. Desondanks mag het boek in geen enkele Bordewijk-collectie ontbreken.

Wat wel als bibliofiele Bordewijk-uitgave mag gelden is De Roos & Ferdinand Bordewijk, een jaarwisselingsgeschenk voor leden van De Roos voor 2017. Dit is de bewerkte tekst die Rickey Tax, hoofd collecties van het museum Meermanno Westreenianum, uitsprak tijdens een Literaire Brunch in de Koninklijke Schouwburg in december 2015. In vogelvlucht wordt de relatie tussen Bordewijk en Stichting de Roos / Chris Leeflang beschreven, in het bijzonder als het gaat om de drie uitgaven die ik hiervoor noemde. Tax citeert volop uit de briefwisseling tussen Leeflang en Bordewijk, maar ook met de betrokken uitgevers (waaruit blijkt dat over de publicatie van De Joodse cel nog een behoorlijk gedoe ontstond met De Bezige Bij en de erven Bordewijk).

Een laatste verbinding tussen De Roos en Bordewijk vinden we in De Roos-uitgave De drempelschroom verdrijven - Literaire activiteiten in de jaren 1932-1973 bij boekhandel Broese onder Chris Leeflang. Hierin is aandacht voor onder meer lezingen die auteurs als Bordewijk, Hella Haasse, Godfried Bomans en anderen gaven in de Utrechtse boekhandel. Maar wederom: dit is weliswaar een bibliofiele uitgave, maar geen bibliofiele Bordewijk-uitgave. Overigens bezit ik een handtekening van Bordewijk in de bundel Kristal 1935, die gezet is tijdens één van de bijeenkomsten in Broese die in deze uitgave wordt beschreven. Om precies te zijn ging het om de bijeenkomst op 2 november 1935. Ik schreef er 14 jaar geleden een blog over.

De Bosbespers

Niet alleen bij Stichting de Roos verschenen verschillende bibliofiele Bordewijk-uitgaven, ook de Bosbespers uit Oosterbeek heeft ijverig Bordewijk-uitgaven gepubliceerd. De Bosbespers is een initiatief van Rody Chamuleau. In 1982 verscheen over deze uitgeverij een artikel in Trouw, waaruit blijkt dat de uitgever zijn pers zelf als hobbyproject beschouwt, maar desondanks in hoog tempo mooie boekjes maakt. Hij heeft daarbij oog voor het bijzondere, bij voorkeur 19e-eeuws, en maakt er werk van deze ‘literaire curiosa’ te ontsluiten.  Zelf heb ik acht uitgaven van de Bosbespers, waarvan de meeste Bordewijk-gerelateerd.

De oudste titels kunnen wij mij betreft niet echt de kwalificatie bibliofiel dragen. In 1983 verscheen Vijf kleine verhalen, met een voorwoord van J.A. Dautzenberg. Op zichzelf een mooi boekje, maar wat mij betreft niet bibliofiel. Dat geldt ook voor De hoogten van Doyle, de trog van Bordewijk, een uitgave uit 1988 waarin Mieke Tillema ingaat op plagiaat in het werk van Bordewijk, aan de hand van vergelijking van de twee genoemde verhalen in de titel. Ik vind de scheidslijn tussen bibliofiel en niet-bibliofiel in dit geval lastig, omdat ook in deze uitgaven op zich bloed, zweet en tranen van een margedrukker zitten. Maar ik mis in dit geval de bijzondere typografie of band of de expliciete beperkte oplage. 

Anders wordt het met de uitgave Schaduw, Stemming en Stil Water van Elly Beukenhorst-Kamp uit 1989, over de door Bordewijk bedachte Haagse straatnamen. De auteur schrijft een uitvoerige inleiding over de achtergrond van het initiatief van Bordewijk om in 1955 in een brief aan het Haagse college van B&W een lange lijst met namen voor te stellen. Ook geeft zij de volledige lijst met de door Bordewijk voorgestelde namen weer. Ik heb dit boekje, verschenen in een oplage van 150, tijdens het Bordewijk symposium waar ik hoorde over het bestaan van Meneer Pem heeft een droom door Elly Kamp laten signeren. Een aantal voorstellen van Bordewijk is uiteindelijk overgenomen, in de Haagse wijk Mariahoeve ligt een aantal straten met Bordewijkiaanse namen, zoals Hongarenburg en Ursulaland. In Mariahoeve ligt overigens ook de Bordewijklaan.

In 2005 verscheen bij de Bosbespers Vrouwenhaar, een uitgave t.g.v. de Beurs voor Kleine Uitgevers in het Amsterdamse Paradiso op 11 december 2005. In deze bundel staan drie niet eerder gepubliceerde verhalen van Bordewijk afkomstig uit zijn nalatenschap, voorafgegaan door een inleiding van Rody Chamuleau. Ik schreef er eerder deze blogpost over. 

Twee jaar later verscheen de uitgave Dames, een nieuwjaarsgeschenk in beperkte oplage van de Bosbespers en de Ravenberg Pers. Het bijzondere van het verhaal Dames is dat het beschouwd kan worden als het debuut van Bordewijk. Dit verhaal verscheen in 1907 in het Studenten Weekblad Minerva, met als auteur ene “F.B.”. In het colofon van dit boekje staat dat “gezien de spel- en interpunctie eigenaardigheden is hier met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid sprake van het schrijfdebuut van F. Bordewijk”. Het zou nog tot 1916 duren voordat het bundeltje Paddestoelen uiteindelijk zou verschijnen als zijn officiële debuut.

Tot slot is hier nog Tijding van Fer te noemen, eveneens uit 2007. Het is de Bordewijk-uitgave met de kleinste oplage die ik heb, namelijk 24 genummerde exemplaren (ik heb nummer 15, helaas een paperback en niet de gebonden versie). Ook deze uitgave bevat materiaal uit de nalatenschap van Bordewijk. Ook over deze uitgave is meer te lezen in een eerder blog.

Overige bibliofiele uitgaven

Er zijn naast dit alles nog een paar noemenswaardige bibliofiele Bordewijk-uitgaven. Twee ervan zijn afkomstig van de Avalon Pers, beide uit 1984.

De eerste is Straatnamen. Net als de eerder genoemde uitgave van Elly Beukenhorst-Kamp staan ook hierin de door Bordewijk voorgestelde straatnamen voor de gemeente Den Haag centraal. In de Avalon-uitgave wordt de inleiding van Bordewijk weergegeven zoals verschenen in de rubriek "Vrij spel" in Het Vrije Volk in 1956 (te lezen via Delpher). Deze uitgave verscheen in een oplage van 100, waarvan ik nummer 6 heb. Ik zoek desondanks nog één van de 28 Romeins genummerde exemplaren.

De tweede is De publieke fotolach, een jaarwisselingsgeschenk verschenen in een oplage van 125 ongenummerde exemplaren. Dit verhaal verscheen eveneens eerder in de rubriek "Vrij spel" van Het Vrije Volk in 1956 en was nog niet eerder uitgegeven. Ook deze tekst is via Delpher te lezen. Graag zou ik van deze uitgave nog één van de 25 gebonden exemplaren bezitten.

In 1980 verscheen een geïllustreerde herdruk van het verhaal Blokken, dat eerst was verschenen in 1931. Deze uitgave verscheen in een oplage van 350 en werd ontworpen en geïllustreerd door Frans de Jong. Alle exemplaren werden door hem gesigneerd en genummerd (ik heb nummer 10). Opvallend bij deze uitgave is het glimmende paarse omslag, tevens een van de kwetsbaarste onderdelen. Het omslag is gevoelig voor krasjes en vlekken dus het valt niet mee om een vlekkeloos exemplaar te vinden. Een andere herdruk van Blokken is de facsimile uitgave van de eerste druk die in 1986 bij Nijgh en Van Ditmar verscheen. Enkele jaren eerder verscheen trouwens ook al een facsimile van Bint, ter gelegenheid van de 100e geboortedag van Bordewijk. Deze laatste verscheen in een oplage van 2000 exemplaren. 

Bij De Galgpers verscheen in 2011 op initiatief van - wie anders dan - Robert Gaarlandt in een oplage van 40 exemplaren het werkje Zeer geachte heer. Drie brieven. Vermoedelijk is dit de enige uitgave die ooit bij de Galgpers verscheen. Deze uitgave behelst drie brieven van Bordewijk ‘in facsimile’, gericht aan C.W. Freriks, Karel Reijnders en Ch.J. Enschedé en toegelicht in het boekje. De bijlagen bestaan uit drie met de hand uit de Schrijfmachineletter gezette brieven van Bordewijk, met behulp van scanner en printer voorzien van de oorspronkelijke briefhoofden en Bordewijks handtekening.  

De laatste bibliofiele uitgave in mijn bezit in dit blog verscheen in 2015 bij De Korenmaat in Haarlem: Oog in oog met Bordewijk van L.H. Wiener. In 2015 was het vijftig jaar geleden dat F. Bordewijk overleed. Het Bordewijkgenootschap organiseerde een herdenking, waarbij L.H. Wiener een toespraak hield, waarin hij de – bescheiden – herinneringen aan zijn ontmoeting met de schrijver vertelde, maar vooral de confrontatie aanging met het werk van de bewonderde auteur. Bint en Rood Paleis zijn de meesterwerken waardoor Wiener het meest geraakt werd en die hem de literatuur binnen trokken. Dit is helaas niet een van de 25 luxe uitgaven, maar een van de 150 reguliere uitgaven die desondanks wel door de auteur en de illustrator (het boek bevat een linoportet van Pita Snoeck) werden gesigneerd. 

Tot mijn verbazing is dit blog uiteindelijk langer geworden dan ik vooraf dacht. Ik blijk nog een behoorlijke stapel bibliofiele Bordewijk-uitgaven te bezitten. Maar ik heb er dan ook circa dertig jaar over gedaan om ze bij elkaar te krijgen. En dan nog heb ik van veel uitgaven niet de luxe gebonden uitgave te pakken. Mijn eerste bibliofiele Bordewijk-uitgave was Verbrande erven, dat ik ooit kocht bij het helaas niet meer bestaande antiquariaat Aioloz in Leiden. En de tot nu laatste is Bloesemtak. Gemiddeld kocht ik zo ongeveer elke anderhalve jaar een bibliofiele Bordewijk-uitgave, naast de reguliere uitgaven die ik natuurlijk ook heb staan. Het zal mij benieuwen hoeveel er de komende 18 maanden aan zullen worden toegevoegd. Ik hoop dat daar in elk geval de bibliofiele uitgave De zwoeger bij zal zitten. Want op deze in 1984 verschenen heruitgave in een oplage van 30 van een gedicht dat eerder in Maatstaf verscheen, heb ik nog niet de hand kunnen leggen. En als dat niet kan, wellicht een gebonden/luxe exemplaar van een bibliofiel werk dat ik al bezit.

Naschrift oktober 2024

Het duurde iets langer dan het gemiddelde van 1,5 jaar maar na 2 jaar heb ik uiteindelijk De zwoeger aan mijn collectie kunnen toevoegen. Het is nummer 16 van de oplage van 30, en het werd aangeboden door het Haagse Colette. Fijn om weer eens iets moois uit dit Haagse icoon te kunnen halen.