26 maart, 2021

316 - Antiquariaat Dick Zandbergen (150.000 boeken) stopt ermee

Ik heb op dit blog al vaker melding gemaakt van verdwijnende antiquariaten (zoals hier en hier) maar het is helaas eerder regel dan uitzondering geworden. De eigenaren worden ouder en overlijden (zoals recent André Swertz), de klanten worden ouder en overlijden ook, wat weer te zien is aan het aanbod in kringloopwinkels en veilinghuizen. Toch is het elke keer weer een schok als het bericht kom dat er een einde komt aan nog een antiquariaat. Zoals op de dag dat ik een e-mail kreeg van Dick Zandbergen dat ook hij de deuren definitief gaat sluiten.

Dick Zandbergen is een naam die al heel lang verbonden is aan mijn bibliotheek. Ik weet niet meer wanneer ik mijn eerste boek bij hem kocht, maar vanaf dat moment kreeg ik regelmatig berichten van hem in mijn mailbox. En steevast kwam zijn naam voorbij bij mijn zoektochten op boekwinkeltjes.nl. Het leek wel of Dick bijna elke titel op voorraad had die ik zocht, ook nog eens voor een schappelijke prijs. Ik herinner mij dat hij jaren geleden lange lijsten rondstuurde met beschikbare boeken, waarbij je je dan op specifieke lijsten kon abonneren. Even terugzoekend in mijn mail zie ik dat ik mij op 2 maart 2008 aanmeldde voor de lijst “Nederlandse literatuur”, op de kop af 13 jaar geleden. Trouw las ik de binnenkomende lijsten door om te zien of er wat van mijn desiderata opstonden. Na verloop van tijd stopte de lijsten en was de voorraad integraal beschikbaar via boekwinkeltjes.nl.

Binnen bij Dick Zandbergen
In de afgelopen jaren bestelde ik er met regelmaat boeken, waardoor ik intussen enkele tientallen exemplaren bezit afkomstig van dit antiquariaat. Mijn relatie met Dick Zandbergen was echter puur digitaal, ik was nog nooit in het antiquariaat zelf geweest. Dat veranderde door de aankondiging dat er voor de sluiting nog een uitverkoop zou plaatsvinden. Tot 3 april 2021 kunnen bezoekers zich aanmelden, alle boeken gaan weg met 60% korting... daar moest ik natuurlijk bij zijn. En zo was dan toch de dag aangebroken dat ik koers zette naar de Straatweg in Maarssen, om een eerste en laatste blik te werpen in dit antiquariaat.

Ik ben het type boekenliefhebber dat niet alleen een lijstje bijhoudt van boeken die ik nog moet hebben, maar ook waar ze op dat moment te koop zijn. Zodat ik, als ik behoefte heb om boeken te kopen (die behoefte heb ik elke dag) en het geld beschikbaar is (dat is helaas niet elke dag), ik direct weet waar ik welke boeken moet kopen. Op dat lijstje stond ook regelmatig “Dick Zandbergen” achter de boeken. Met dat lijstje ging ik op weg naar Maarssen, en het is maar goed dat ik het bij mij had anders was ik vermoedelijk zo overweldigd geweest door de enorme hoeveelheid boeken in het antiquariaat, dat ik misschien wel zonder boeken was weggegaan... 

Een loods op een mooie locatie bij een boerderij met zo’n 150.000 boeken, aldus Dick zelf. Ik denk dat het er meer waren, want ik heb zelden zo’n enorme hoeveelheid boeken gezien: kasten in lange rijen, planken die tot ruim 4 meter de lucht in gaan en vaak nog dubbele rijen. Maar: alles netjes gesorteerd op alfabet en elk boek geprijsd. Wat een monnikenwerk moet het zijn om die enorme boekenberg zo op orde te houden. En gelukkig maar, want hoe kan anders ooit nog een boek teruggevonden worden? Toch ben ik regelmatig in antiquariaten met veel minder boeken geweest die helemaal niet goed gesorteerd waren. Maar hier wel: alle boeken in strak gelid, alle categorieën boeken goed aangegeven en daardoor kan er in elk geval systematisch gezocht worden.

Torenhoge boekenkasten
Zoals gezegd, gelukkig had ik mijn lijstje bij mij, anders zou ik niet hebben geweten waar ik had moeten beginnen. Nu wist ik globaal waar ik moest zijn, zodat de expeditie kon beginnen. Er ontstond een patroon: op weg naar de juiste letter van het alfabet, constateren dat de gewenste schrijver op vier meter hoogte staat en vervolgens trap op en trap af klimmen om de boeken bij elkaar te verzamelen. Ik bedacht mij dat dit voor Dick dagelijks werk moet zijn geweest, aangezien hij de meeste boeken online verkocht en dus eindeloos de ladders op en af moest om de bestellingen klaar te maken. Ik vond het in elk geval een interessante ervaring om zo hoog boven de boeken te zweven. Het mooie was in elk geval dat er daardoor gebeurde wat er in elk goed antiquariaat gebeurt: je vindt er niet alleen de boeken die je wilt hebben, maar je vindt ook de boeken die je niet zocht.

Het stapeltje dat ik apart legde groeide gestaag. Wat Nederlandse literatuur, nieuwjaarsgeschenken van uitgeverijen maar vooral boeken over boeken. Gelukkig was er een hele kast met typografie, bibliografie en andere boeken over boeken. Daar heb ik een forse stapel boeken uitgehaald. Na ongeveer twee uur dwalen door het antiquariaat zette ik er een punt achter. Ik had zo’n 35 boeken gevonden, die ik voor de uitverkoopprijs van 98 euro mocht meenemen (de oorspronkelijke waarde was dus zo’n 250 euro). Geen geld voor deze stapel! Ik vond het nog een hele oogst, maar realiseerde mij ook dat in een antiquariaat met 150.000 boeken mijn stapeltje niet echt een verschil zou maken... Wat in hemelsnaam gebeurt er met de andere 149.965 boeken?



Wat heb ik dan zoal gekocht in deze uitverkoop? Een hele diverse oogst is het, met deels boeken die je bij wijze van spreken op elke straathoek kan krijgen en deels boeken die veel moeilijker zijn te vinden of waar ik het bestaan niet van kende. 
Voor mijn Tommy Wieringa collectie vond ik bijvoorbeeld een mooie Engelse vertaling van Joe Speedboot. Uit een ooghoek zag ik een flinke plank Gerrit Krol en ik herinnerde mij dat ik Rondo Veneziano nog wilde lezen, dus die mocht er ook bij (die zocht ik al sinds wij twee jaar geleden op vakantie gingen naar Venetië maar op één of andere manier bleek het lastig vindbaar). Op mijn lijstje stond verder vermeld dat in het antiquariaat een gesigneerd exemplaar van Chaim Potok’s De familie Slepak moest staan, en tot mijn vreugde stond die er nog. Ook die kon op de stapel. 

Interessanter waren de vondsten bij Bordewijk. Ik vond een exemplaar van de Bzztôh-uitgave Zeven fantastische vertellingen die ik tot mijn verbazing nog niet had. Leuker was dat ik een facsimile vond van de eerste pagina van Bordewijk’s roman Noorderlicht, uitgegeven door het Nederlands Letterkundig Museum en Documentatiecentrum in 1987. Kennelijk gaven zij een hele serie van dit soort facsimiles uit van eerste pagina’s van bekende romans, want dit was nummer 16 in de serie. Curieus is nog wel de foutieve spelling op het omslag, daar staat als auteursnaam F. Borderwijk. En toch is er besloten om geen nieuw omslagje te maken, of niemand had het destijds gezien. Ik had in elk geval nog nooit van deze uitgave gehoord, en was blij met de vondst. Ernaast stonden onder meer de Bordewijk-studie van Hans Anten (Het bekoorlijk vernis van de rede) en een exemplaar van het tijdschrift Oog in ‘t Zeil met een hoofdartikel over Bint en ook die pronken nu op mijn Bordewijk-plank.

Zoals gezegd heb ik geruime tijd doorgebracht bij de boeken over boeken. Naast een aantal titels van mijn lijstje - zoals H de la Fontaine Verwey’s De verdwenen antiquaar en De boekvormer van Reinold Kuipers - stonden er nog genoeg verrassingen bij. Ik noem er een paar: 

  • De vormgeving van het algemene boek door W.A. Dwiggins (oplage 300). Dit is een lezing uit 1949 van de beroemde letterontwerper over verschillende aspecten van boekvormgeving. Dwiggins was iemand met een duidelijke visie op boekontwerpen, maar als het om het algemene boek gaat ziet hij ook de begrenzing: "Als boekverzorger maak je iets wat een beetje duurzamer is dan een krant, en niet veel langer meegaat den een tijdschrift." En dat heeft gevolgen voor de aanpak door de ontwerper: algemene boeken worden niet voor de eeuwigheid gemaakt. Matthieu Lommen verzorgde een nawoord en mooi detail is dat het boekje is gezet in een door Dwiggins ontworpen letter, de electra. Uit het colofon blijkt dat ook dit boekje een deel is uit een serie door Adriaan de Jonge Typografie. Een snelle blik op boekwinkeltjes.nl leert mij dat er inderdaad nog enkele titels uit deze reeks worden aangeboden, maar veel zijn er niet beschikbaar. 
  • Bibliofiele boekillustratie door Kurt Löb waarin de auteur de lezer meeneemt in het werk van een boekillustrator. Dit boekje is interessant omdat ik veel door Kurt Löb geïllustreerde boeken in mijn collectie heb, zoals veel van Stichting de Roos en veel van de serie nieuwjaarsgeschenken van Zetcentrale Meppel met Russische klassieken. Naast het werk van een boekillustrator bevat het ook een schets van de ontwikkeling van Stichting de Roos. Waardoor een dilemma ontstaat: zet ik deze uitgave nu bij de deelcollectie Boeken over boeken of bij de deelcollectie Stichting de Roos?
  • Boeken, veel boeken en mensen van Menno Hertzberger. Deze stond al een tijdje op mijn lijstje. Het boekje verscheen ter gelegenheid van het afscheid van Ton Croiset van Uchelen als bestuurslid van de Vrienden van de UBA in 2008. Het bevat een niet eerder gepubliceerde tekst van Menno Hertzberger waarin hij een inkijkje geeft in de wereld van het antiquariaat tussen 1920 en 1970. Enkele jaren later kreeg Ton Croiset van Uchelen trouwens de Menno Hertzbergerprijs. Sommige dingen die Hertzberger beschrijft zijn tijdloos, zoals de verzuchtingen van boekhandelaren over veranderende tijden: "Het hedendaagse levenspatroon leent zich weinig voor een liefhebberij als het aanleggen van een boekencollectie: de huizen zijn er niet meer geschikt voor, er is een voortdurende stroom van vermaak, afleiding, informatie (...)" Let wel, dit komt uit 1970, niet uit 2021. Er lijkt in een halve eeuw weinig veranderd te zijn...
  • De gelegenheidsuitgave Versluys tussen oud en nieuw door Enno Endt, uitgegeven t.g.v. het samengaan van uitgeverij Versluys met de intussen failliete Uitgeverij Kwadraat. Erin zit een handgeschreven kaartje van Enno [Endt] en Lieneke [Frerichs], waarbij we de laatste natuurlijk kennen als biograaf van Nescio. Met als gevolg wederom een dilemma: moet ik dit boekje bij de boeken over boeken zetten, of bij alle publicaties van Lieneke Frerichs over Nescio? Grappig is dat ook de aanbiedingsbrief van Uitgeverij Versluys erbij zat, waarin wordt benadrukt dat de oprichter van de uitgeverij beslist een aardiger kerel was dan uit het boekje van Endt blijkt: "Wij zouden u dan ook niet het nieuwe jaar in willen laten gaan zonder u een wat evenwichtiger beeld mee te geven van onze oprichter".
  • Het curieuze boekje Het antiquariaat en de woordbouwers (oplage 200), uitgegeven bij de opening van antiquariaat De Boekenvriend (dat gelukkig nog steeds bestaat) en dat de relatie tussen taalvernieuwing en de functie van het antiquariaat beschrijft: "Het antiquariaat bewaart oude taal, oude woorden, maar kan dit in feite alleen maar doen wanneer de taal zich telkens vernieuwt. Zou de taal sterven, dan zou het antiquariaat ook een gewisse dood tegemoet gaan." Aan het boekje zijn 650 nieuwe, verrassende of opmerkelijke woorden toegevoegd, alfabetisch geordend: van aanspreekpunt tot zwemparadijs. 
  • De Van der Selm-lezing van Cor van Bree met de titel De lotgevallen van de Codex Argenteus waarin het fascinerende verhaal van dit 6e-eeuwse Gotische handschrift wordt verteld, vanaf het ontstaan in Ravenna tot aan de huidige verblijfplaats Uppsala (en één blad in Speyer).

En zo stapelde ik nog een tijdje door. Ik ben blij dat ik nog een laatste kans heb gekregen om te neuzen in dit antiquariaat. In verschillende kranten verscheen overigens een artikel over het sluiten van het antiquariaat, met een korte video die een beeld geeft van de immense boekenvoorraad. Eerder verscheen al deze korte video over het antiquariaat.

05 maart, 2021

315 - Het einde van de Slibreeks

Ko de Jonge met de volledige reeks

Wat ik al enige tijd vreesde, blijkt inderdaad waarheid: de Slibreeks is na ruim 40 jaar ter ziele.

Nog niet zo heel lang geleden schreef ik hoe mijn voorliefde voor series en verzamelen een nieuwe uitweg had gevonden: ik ging de Slibreeks verzamelen. Ik vond het een fascinerende serie: mooie boekjes met oorspronkelijke teksten en kunst, uitgegeven in een relatief kleine oplage (de oplage varieerde van 500 tot 1500 exemplaren) en in principe betaalbaar, zeker tweedehands. Kortom, de ideale ingrediënten voor een boekenverzamelaar die doelgericht op zoek gaat naar ontbrekende deeltjes. 

Al snel kon ik een paar grote slagen slaan: een antiquariaat in Deventer bood de eerste 50 deeltjes aan voor een weggeefprijs, een ander antiquariaat verkocht mij zo'n 30 deeltjes voor een vergelijkbaar laag bedrag en toen had ik de helft van de beschikbare delen al in bezit (en een hele stapel dubbele exemplaren). En vervolgens kon ik mij richten op de vertrouwde activiteiten, en met succes: op Marktplaats vond ik verschillende exemplaren, op de befaamde eurotafel van de boekenmarkt op het Lange Voorhout lagen een paar deeltjes, toen ik nog in een antiquariaat terechtkon vond ik er hier en daar één. Kortom, ik had het naar mijn zin met het verzamelen.

Toch vond ik het verdacht dat er na deeltje 154, van de hand van Elisabeth Tonnard, al een tijdje geen nieuwe deeltjes meer waren verschenen. Ook was de productie van de uitgaven overgegaan van het Zeeuws Centrum voor Beeldende Kunst naar uitgeverij Den Boer / De Ruiter. Dit omdat het CBK geen subsidie meer kreeg voor de uitgaven. Maar zonder subsidie bleek het ook voor Den Boer / De Ruiter te hoog gegrepen om de reeks voort te zetten. En zo bleef het bij 154 deeltjes (of om precies te zijn: 153 deeltjes, want nummer 100/101 was een dubbelnummer, op een afwijkend A4-formaat). Er waren trouwens meer afwijkende formaten: het overgrote deel van de Slibreeks verscheen op A6 formaat, maar de nummers 102-135 verschenen op A5 formaat, onder de noemer 'Slibreeks groot'. Waarom dit was is mij niet bekend. In de aankondiging van deeltje 102 in 2002 wordt alleen gezegd dat de reeks een nieuw uiterlijk heeft en "voortaan twee keer zo groot" zal zijn. Dat "voortaan" heeft vervolgens 10 jaar geduurd, want in 2012 werd de Slibreeks weer uitgegeven op het oorspronkelijke A6-formaat.

Ik las al deze informatie in een artikel uit de Provinciale Zeeuwse Courant, als Zeeuwse krant het geëigende platform om aandacht te besteden aan een Zeeuwse bibliofiele reeks. In het artikel komt Teun de Lange aan het woord, die vanaf de start bij de reeks betrokken was. Hij zegt:

Aan de ene kant gaat het me aan het hart dat we moeten stoppen. Ik heb het gevoel dat er nog plaats is voor bibliofiele uitgaven. Aan de andere kant, het boekenlandschap is enorm veranderd. De meeste dichters hebben tegenwoordig een eigen website. Het is goed geweest, we moeten er niet nostalgisch over doen.
Ik denk dat het inderdaad goed was. Het is al met al een mooie serie geworden, die nu 76 centimeter boekenplank bezet. Maar ik wil best nog wel even nostalgisch worden. Want het is een bijzondere serie geweest die hele uiteenlopende publicaties heeft opgeleverd. En die serie had best nog een tijdje door mogen gaan wat mij betreft. Dus het gaat mij wel aan het hart dat er gestopt wordt. En ook nog bij een zinloos getal: 154. Was dan doorgegaan tot een mooi rond getal...

Een hele bijzondere uitgave, en tevens de meest kostbare uit de serie, is 'De wind' van kunstenaar Marinus Boezem. De uitgave (nr. 131) bestaat uit een gevouwen, stevige kaft waarop een weerkaart is afgedrukt. Deze omslag herbergt een boekje waarin per pagina één van de tien windtypen met kenmerken wordt beschreven alsmede een audio CD. Op de CD zijn 9 verschillende soorten wind te horen. Ik vond een betaalbaar exemplaar van deze uitgave op Marktplaats nadat ik al langere tijd een zoekactie had uitstaan.
Andere uitgaven waar over het algemeen een hogere prijs voor wordt gevraagd zijn Zwarte Netten van Konstantin Paustovski (nr. 65), De stok van Oek de Jong (nr. 138) en de twee uitgaven van J.M.H. Biesheuvel in de reeks - nummer 1 en nummer 150. Zwarte Netten kwam ik na lange tijd tegen op boekwinkeltjes.nl evenals de uitgave van Oek de Jong, beide als onderdeel van een pakketje uitgaven van de Slibreeks. Dat wil zeggen: ik vond al eerder exemplaren op boekwinkeltjes.nl maar ik had geen zin 20 of 30 euro per stuk voor deze uitgaven te betalen.

Er zijn verschillende auteurs die tekenden voor meerdere uitgaven in de Slibreeks: ik noemde al J.M.H. Biesheuvel maar daarnaast ook Rutger Kopland (nrs. 54 en 95), Hans Warren (nrs. 15 en 129), Wim Hofman (nrs. 36 en 118) en Francisca van Vloten (nrs. 49 en 85). Deze opsomming maakt al duidelijk dat de reeks een mengeling van bekendere en minder bekende namen omvat, debutanten en gelauwerde kunstenaars, proza, poëzie en diverse vormen van beeldende kunst. Het ene boekje bevat een kort verhaal, het volgende bestaat uitsluitend uit foto's en weer een andere is een reeks gedichten of een essay over een typisch Zeeuws onderwerp.

Tussen al deze diversiteit heb ik uiteraard wel een paar persoonlijke favorieten. Zoals Slibreeks 124, een uitgave van het kunstenaarsduo Gert den Toom en Ivo de Boer, met als titel 'De zin van alle boeken'. Deze uitgave met het thema 'verbeelding' kent vijf verschillende omslagen, zodat de lezer naar keuze een eigen boek kan verbeelden. Of Slibreeks 97, een mail-art project van Ko de Jonge waarbij 25 kaarten met een deel van een foto van de skyline van Domburg in twee stappen werd aangevuld tot een complete afbeelding. Het setje terugontvangen kaarten is opgenomen in deze uitgave onder de titel Horizon-taal.

Ik heb de serie nog niet compleet: twee exemplaren mis ik nog. Beide zijn relatief simpel te verkrijgen voor een schappelijke prijs bij boekwinkeltjes.nl. Maar ik stel het voltooien van de serie nog even uit en wacht op het moment dat ik de boekjes 'in het wild' tegenkom op een boekenmarkt, in een antiquariaat of op een of andere onverwachte plek. Zodat ik na de lockdown het verzamelen van deze serie in stijl kan afsluiten door ze analoog in een winkel of bij een kraam te kopen.

12 februari, 2021

314 - Stichting Desiderata - genootschap voor boekenliefhebbers - ziet het licht

Volgens de laatste telling van het CBS kent Nederland in het eerste kwartaal van 2021 36.760 verenigingen en stichtingen. Dat is een lichte stijging ten opzichte van het laatste kwartaal van 2020, om precies te zijn met 225 verenigingen en stichtingen. Mij boeit het aantal verenigingen en stichtingen in Nederland in beperkte mate, maar voor één van die 225 aanwinsten maakte ik toch een sprongetje. Want ook de Stichting Desiderata heeft in deze periode  het licht gezien! 

Zowel de naam als het logo geven het al weg: de Stichting Desiderata richt zich op boeken en boekenliefhebbers. Het noemt zich dan ook "genootschap van boekenvrienden". En aangezien ik een boekenvriend ben voelde ik mij direct aangesproken. Mijn advies aan de lezers van dit blog is ook om zich onmiddellijk te melden bij de Stichting. Ik zal hieronder vertellen waarom.

Ik zag de aankondiging van het genootschap vroeg in dit jaar op Facebook in de tijdlijn van Peter IJsenbrant (samen met Ed Schilders en Martin Hulsenboom de redactieraad van de Stichting) en wat mij vooral aansprak was de combinatie van boekenliefde, humor en vrijblijvendheid. Maar laten we vooral de initiatiefnemers zelf aan het woord laten:

(...) Genootschap van Boekenvrienden, een gezelschap van excellente en beschaafde lieden, erudiet, met brede interesse, goede smaak en gezegend met een grenzeloze liefde voor het boek. (...) Het bijzondere aan het lidmaatschap van Desiderata is dat het geen enkele verplichting kent. Het is gebaseerd op de volledige vrijheid van deelname en kan slechts gezien worden als het voorrecht tot dit genootschap te behoren.
Desiderata is opgericht met het doel af en toe mooi verzorgde boeken over het onderwerp 'liefde voor het boek' te publiceren. Als lid van Desiderata krijg je steeds de unieke mogelijkheid op deze boeken in te tekenen, geheel vrijblijvend en nooit dwingend.
(...) Het lidmaatschap van Desiderata wordt vooral leuk en verrassend, en bij lang niet alles wat je gaat ontvangen dient er te worden afgerekend. En het lidmaatschap is tegelijk iets waar je je niet voor hoeft te schamen, integendeel, het biedt je de mogelijkheid je te onderscheiden in gesprekken met vrienden, op feestjes, bij first dates of bij sollicitatiegesprekken.

De redactieraad van de Stichting
Dat klinkt natuurlijk op zichzelf al geweldig. Maar de initiatiefnemers hebben al eerder bewezen raad te weten met het produceren van boeken die de liefde voor het boek bezingen. Al eerder schreef ik over de uitgave Biblio-sonnetten van Paul Verlaine waar zij alledrie aan meewerkten evenals het vermakelijke Boeken uit de doeken, naast andere uitgaven van de Stichting P.J. Cools die ik intussen in bezit heb. Dus ik heb mijzelf in het volste vertrouwen per kerende mail aangemeld als enthousiast begunstiger van de stichting. 

Nu intussen de website online is ben ik mij er nog bewuster van dat ik tot de juiste doelgroep behoor, want ik voldoe aan alle criteria die op de website aan aspiranten worden voorgelegd: 
"Gaat u in iedere vreemde stad naarstig op zoek naar de beste boekwinkel? Laat u, regen en wind trotserend, geen boekenmarkt schieten? Denkt u aan een antiquariaat als u zich het paradijs verbeeldt? Bekijkt u dwangmatig de ruggen van de boeken die in meubelzaken als decoratie dienen? Wilt u graag weten welk boek een geportretteerde in de hand houdt? Draagt u een mondmasker met boekenprint? Ervaart u geluk door alleen al naar uw boekenkast te kijken? Als u minstens een van deze vragen bevestigend beantwoordt, bent u verloren. Dan bent u, net als wij, besmet met het boekenvirus."
Dat de Stichting een genereuze inslag heeft bleek wel uit het feit dat ik onmiddellijk een mooi boekje met de titel Desiderata ontving, dat een column van Ed Schilders bevat die eerder in de Volkskrant verscheen onder de titel Wensen. Het boekje is op mijn naam gedrukt en geldt daarom als bewijs van lidmaatschap van de Stichting.

Daarmee was mijn eerste waardevolle aanwinst al binnen. Halsreikend kijk ik echter uit naar het eerste aangekondigde project van de Stichting, een publicatie gewijd aan de Franse schrijver, bibliothecaris en bibliofiel Charles Nodier. De uitgave bevat een vertaling van het beroemde verhaal Le Bibliomane van Nodier, een essay over het fenomeen bibliomanie van de hand van Ed Schilders en een biografische schets over Nodier. Een goede keuze, want de originele uitgave van Nodier staat al een tijdje op mijn eigen lijst met desiderata en dit is een mooie opstapje naar het vinden van dat origineel voor mijn eigen bibliotheek.

Om de tijd te kunnen doden totdat de uitgave van Nodier binnenkomt word ik in elk geval bijna elke dag via Facebook getrakteerd op een boekgerelateerd bericht van de stichting. Ik ben benieuwd hoe het genootschap zich in de komende (post-covid) periode gaat ontwikkelen als digitale en fysieke ontmoetingsplaats voor bibliofielen. En als het zulke mooie uitgaven blijft produceren vrees ik dat het voorgespiegelde gratis lidmaatschap nog wel eens een kostbare aangelegenheid zou kunnen worden...

29 januari, 2021

313 - Nescio's hoofdpersonen verbeeld

De schrijver Nescio heeft verschillende kunstenaars geïnspireerd. De Titaantjes als groep, de figuur Japi de Uitvreter, de schilder Bavink.. Zij zijn de verhalen van Nescio ontstegen. Natuurlijk kennen we allemaal het nummer Nescio van de Nits, waarin een alternatief einde op het verhaal van de Uitvreter wordt bezongen: Japi maakt  in het nummer geen eind aan zijn leven als hij van de Waalbrug springt, maar zwemt de rivier af en zet zijn leven elders voort. Bekend zijn ook het beeld van Hans Bayens van de Titaantjes in het Oosterpark in Amsterdam, de plek waar een deel van het verhaal is gesitueerd, en het beeld van Ronald Tolman in Ubbergen dat is geïnspireerd op het verhaal Dichtertje. En uiteraard de illustraties van Joost Swarte bij de verschillende heruitgaven van het werk van Nescio. Overigens is hij niet de enige illustrator die zich aan het werk van Nescio heeft gewaagd: in 2011 verscheen de facsimile van de tweede druk van Nescio's werk met tekeningen van de schilder Johan Eshuis, in de uitgave van De Roos uit 1970 staan illustraties van Pieter Groot en Jaap Vegter illustreerde de uitgave De X geboden uit 1971.

Er is gelukkig nog steeds belangstelling voor de schrijver Nescio, die dit jaar al 60 jaar is overleden, en er verschijnen nog geregeld aan Nescio gerelateerde uitgaven. Voor een Nescio-verzamelaar zoals ik is het nog wel eens lastig het overzicht te behouden, en daarom ontgaat mij nogal eens dat er iets is verschenen. Ik klaag daar dan ook regelmatig over op dit blog en het houdt mijn verlanglijst actueel. Het probleem is dat veel Nescio-uitgaven in kleine opgaves verschijnen en er meer Nescio-liefhebbers zijn dan de oplages toelaten, met als gevolg dat de uitgaven die ik zoek zelden op de markt komen, of tegen hoge prijzen.

Recent heb ik toch nog twee mooie en schaarse uitgaven aan mijn Nescio-collectie mogen toevoegen. Voor de verandering was ik net iets oplettender dan andere verzamelaars (of bereid dieper in de buidel te tasten)

Johannes Zwolsman

De eerste uitgave is van Arno Kramer met de titel Weemoed en verlangen - over Nescio, Bavink en Johannes Zwolsman. Het verscheen in 1984 bij gelegenheid van de expositie "Tekeningen van Johannes Zwolsman (Nescio's Bavink)" in Deventer. De schilder Bavink uit de verhalen van Nescio is onder meer gebaseerd op Johannes Zwolsman, een jeugdvriend van Grönloh. Over welke schilder in Bavink is te herkennen, is al meer geschreven: Ype Koopmans schreef het boek. Japi en Bavink en de doorbraak van de moderne kunst, waarin de verwantschap tussen Bavink en Emanuel van Beever wordt beschreven. 

In zijn verhalen gaat Nescio in op verschillende aspecten van het werk van Bavink, maar het meest in het oog springend is de frustratie van Bavink als hij zich realiseert dat het onmogelijk is om een zonsondergang te schilderen. Nescio beschrijft zijn laatste ontmoeting met Bavink in Amsterdam. Bavink is dronken, en verliest langzaam zijn verstand:

Wij stonden stil buiten de kap en keken naar de zon. „Zie je die zon, Koekebakker?” De zon was bijzonder duidelijk, hij stond recht voor ons uit en dicht bij, zoo groot en zoo rood was-i nog nooit geweest. Hij raakte bijna de rails van den spoorweg, hij maakte geen flikkeringen meer op de dingen, en alleen in de matglazen ruiten van den locomotievenstal, rechts van den spoorweg, was een dof schijnsel.
‘Je denkt dat ik dronken ben?’ Dat dacht ik inderdaad. ‘Het maakt geen verschil, Koekebakker, als ik nuchter ben, begrijp ik er toch ook niks van.’ ‘Begrijp jij wat die zon van mij wil? Vier-en dertig ondergaande zonnen heb ik tegen de muur staan, achter elkaar, omgekeerd. En toch staat-i daar weer iederen avond.’ (...)
Op een morgen zat-i wezenloos te staren voor z'n laatste zonsondergang. Ik kwam op z'n hok met Hoyer. Hij herkende ons niet. Hij leek maar naar die zon, een groote, koude, roode zon, die in wolken onderging. ‘Hij kijkt me maar aan, wij begrijpen geen van beiden wat we van elkaar moeten.’ Verder kwam-i niet.

Arno Kramer geeft aan dat verschillende aspecten van Bavink terugkomen in het werk van Zwolsman, maar de zonsondergangen nu juist niet. Voor zover bekend heeft Zwolsman zich niet aan zonsondergangen gewaagd. Ype Koopmans plaatst de zonsondergangen dan ook in een ander perspectief, namelijk in de kunststroming luminisme. De luministen stelden tentoon in 1908 in het Stedelijk en dat kan heel goed tot inspiratie bij Grönloh hebben geleid. Van alle luministen gingen Mondriaan, Leo Gestel en Jan Sluijters in hun stralend kleurgebruik het verst. Grönloh was redelijk goed bekend met kunstenaarskringen in Amsterdam in het begin van de 20e eeuw en modelleerde zijn hoofdpersonen naar verschillende kunstenaars uit die tijd. In het Avondlog wordt het mooi geduid:

Koekebakker, de kantoorbediende, de verteller, die met open mond volgt wat de bohémiens uithaalden op de Jan Steenzolder – aan de ‘Avenue Jean Brique’, waar ook Bavink woonde - of in het 'hol' van schilder Jopie Breemer. Japi's en Bavinks bij de vleet. Zo droomde Grönloh het zich ook, daar op kantoor bij de Holland-Bombay Trading Company aan de Keizersgracht, in 'het dal der plichten'. Aan die conclusie ontkom je niet.

Verschillende aspecten van kunstenaars waar de kantoorklerk Nescio met open mond naar keek zijn dus verenigd in onder andere Bavink, maar zeker ook de Uitvreter. Bavink is een beetje Zwolsman, een beetje  Van Beeven, een beetje Jopie Breemer en - wie weet - een beetje Mondriaan. Deze uitgave uit 1984 bevat in elk geval enkele tekeningen van Zwolsman die de sfeer van de verhalen van Nescio goed weten te vatten.

Ik kocht dit boek bij een inboedelveiling, waar het onderdeel was van een kavel met meerdere literaire uitgaven. Voor de meeste had ik geen belangstelling en die heb ik dan ook subiet doorverkocht. Ik heb al vaker gezegd dat bibliofilie niet duur hoeft te zijn, en dat geldt ook hier: uiteindelijk heb ik de rest van de boeken voor het vijfvoudige doorverkocht dan wat ik zelf voor het kavel had betaald (!!). Daarmee kwam deze Nescio voor 0 euro in mijn bezit en kreeg ik in feite zelfs nog geld toe. Het publiek bij inboedelveilingen is uiteraard heel anders dan die bij gespecialiseerde boekenveilingen. Een dergelijke grote winst heb ik maar zelden meegemaakt. En het kwam goed uit, want ik had mijn oog inmiddels laten vallen op de volgende Nescio-uitgave, die heel wat duurder was.

Ronald Tolman

De tweede uitgave was heel wat kostbaarder. Het is de gezamenlijke uitgave van Phoenix en Galerie de Verbeelding uit 1990. De titel is een citaat uit de Uitvreter: Op een zomermorgen om half vijf, toen de zon prachtig opkwam, is hij van de Waalbrug gestapt.  

In een oplage van 40 exemplaren bevat het 3 genummerde en gesigneerde etsen van Tolman, in een prachtige cassette. Dit is nummer 7 van de 40 exemplaren.


Deze uitgave stond al heel lang op mijn verlanglijstje. Ik wist van het bestaan ervan omdat het werk in verschillende uitgaven over Nescio wordt aangehaald. Ik wist ook dat ik geduld moest hebben: dit werk komt niet vaak op de markt en is dan zeer gewild. Ik sprong dan ook op toen ik het plotseling in de najaarscatalogus van Bubb Kuyper zag, en voor € 230 (exclusief veilingkosten) was het van mij. Het boek werd in de zomer van 2020 ook door Fokas Holthuis aangeboden in de nieuwsbrief met het thema Phoenix. Dat exemplaar was bijzonderder dan het mijne, omdat het nummer 1 van de oplage was én de originele prospectus was bijgevoegd. Uit de nieuwsbrief  van Fokas leer ik dat volgens de prospectus de originele prijs van dit werk destijds 875 gulden was. Ik herinner mij dat ik de uitgave in de nieuwsbrief had zien staan, maar te duur vond. Wat het moest kosten weet ik niet meer, maar het was volgens mij meer dan wat ik er bij Bubb Kuyper voor betaalde. Maar als ik toen al de goede deal had gemaakt met de doorverkoop van het kavel uit de inboedelveiling, had ik zeker ook bij Fokas toegeslagen, al was het maar vanwege de compleetheid. Nu weet ik dat ik alsnog de prospectus mis.

Zoals ik hiervoor al aanhaalde, is Ronald Tolman niet alleen de maker van deze etsen, maar ook van het beeld dat een hommage is aan Nescio, in Beek bij Nijmegen, met de titel: Een groot dichter zijn, en dan te vallen. De titel van dat beeld is een verwijzing naar het verhaal Dichtertje, waar die woorden uit komen. In het verhaal gaat het als volgt verder:

Maar er kwam nooit wat van, want als je een dichtertje bent, dan loopen de mooiste meisjes altijd aan den overkant van de gracht. En zoo werd z'n heele leven één gedicht, wat ook vervelend wordt.

De  melancholie van Nescio, maar ook zijn treffende manier van formuleren en zijn fijne ironie blijven talloze kunstenaars inspireren. Bavink, de Uitvreter, Dichtertje en de anderen: ze zijn niet meer weg te denken uit onze cultuur.

11 januari, 2021

312 - Uit de nalatenschap van Adri Offenberg (5): Koppermaandag

In deze vijfde en laatste aflevering van vondsten in de bibliotheek van Adri Offenberg richt ik de schijnwerper op weer een ander type uitgaven. Ik merk bij mijzelf hoe leuk het is om in de verschillende soorten uitgaven te duiken en met achtergrondinformatie te presenteren. Zo blijkt maar weer dat over elk boek een mooi verhaal te vertellen is, en dat dit losstaat van de waarde van het boek. Voor mij is de waarde van een boek niet wat het op een veiling of bij een antiquariaat opbrengt, maar vanuit welke achtergrond het gemaakt is en wat het ons leert. Natuurlijk is over een kostbaar boek ook veel te vertellen, maar ik hou er nu eenmaal van om op onverwachte plekken betaalbare boeken te vinden en die in de spotlights te zetten.

Koppermaandaguitgaven

Deze keer staat een handvol koppermaandaguitgaven centraal. Koppermaandag is de eerste maandag na driekoningen en van oudsher een feestdag voor gilden, waarop de drank rijkelijk vloeide. De naam stamt waarschijnlijk van kopperen dat "feestvieren" of "smullen" betekent, via kop dat staat voor "beker". De enige gilde bij wie koppermaandag als speciale dag intact is gebleven, is het drukkersgilde. En bij dit blog, want deze bijdrage verschijnt op Koppermaandag 2021. Koppermaandaguitgaven zijn dan ook uitgaven met een lange historie: drukkers produceerden al in de 18e eeuw dergelijke uitgaven. Wikipedia verwoordt het als volgt: 

De gezellen van de drukkers drukten als proeve van vakbekwaamheid een speciale prent met een heilwens erop, de Koppermaandagprent, die zij op Koppermaandag aan de meesterdrukkers en de eigenaar van de drukkerij overhandigden. In de 19e eeuw werden koppermaandagprenten aan relaties gestuurd, als geschenk. In de loop van de 20e eeuw ging het ritueel vrijwel verloren, doordat men in plaats van Koppermaandagprenten, Kerst- en Nieuwjaarskaarten ging versturen. Na de Tweede Wereldoorlog werd het gebruik deels weer in ere hersteld. In 1948 gebeurde dat in Haarlem, de stad van Laurens Janszoon Coster, en in 's-Hertogenbosch, Arnhem en Gouda, daarna vanaf 1949 in Drenthe [door Henk Prakke], en later ook in Noord-Brabant, Zeeland en in Groningen. Verscheidene contribuanten van de Stichting Drukwerk in de Marge vervaardigen Kopperuitgaven. 

Een mooie studie van Paul Abels over Goudse koppermaandaguitgaven sinds de 19e eeuw staat hier. Abels schrijft: 

Dergelijke prenten waren oorspronkelijk bedoeld om bij wijze van Nieuwjaarswens door drukkergezellen te laten afgeven bij voorname burgers in de stad, in ruil waarvoor zij een klein bedrag kregen ten behoeve van een te organiseren feest. Een dergelijk gebruik was eind achttiende eeuw populair in veel bredere kring. In Gouda liet de schutterij rond de jaarwisseling bijvoorbeeld ook voor een soortgelijk doel steevast een fraaie prent met gedicht drukken, die langs de deuren verkocht werd.

Een overzicht van 421 koppermaandagprenten uit de periode 1700-1989, voorzien van een historische inleiding, geeft de publicatie van J. de Zoete & M. Versteeg: Koppermaandagprenten. Verkenning van een Nederlandse grafische traditie (1991).

De vijf koppermaandaguitgaven

Ik vond een vijftal koppermaandaguitgaven, alle geproduceerd door Uitgeverij de Buitenkant. Deze kleine collectie laat direct al mooi de diversiteit zien van dergelijke uitgaven. In het verleden hadden koppermaandaguitgaven al uiteenlopende verschijningsvormen: prenten, wandkalenders, kleine boekjes. maar ook deze vijf recente koppermaandaguitgaven van Uitgeverij de Buitenkant zijn heel verschillend.

De uitgave uit januari 2017 is een klein boekje met de titel Nou al uitgecopperd? waarin de koppermaandaguitgaven zelf het centrale thema vormen. Het is dan ook geschreven door Johan de Zoete, dezelfde als die ik hiervoor aanhaalde als auteur van het standaardwerk over koppermaandaguitgaven uit 1991. In dit werkje schrijft hij niet alleen over de geschiedenis van koppermaandaguitgaven, maar beschrijft hij ook zijn frustratie toen hij net na het verschijnen van zijn boek in de kelder van het Koninklijk Verbond van Grafische Ondernemingen (KVGO) een map vol onbekende koppermaandagprenten vond. De uitgave is voorzien van afbeeldingen van talloze koppermaandaguitgaven. De Zoete schrijft:

Het boek [de hiervoor genoemde uitgave uit 1991], met een opsomming van al die drukkerijen, was net uit, het KVGO zelf was medefinancier en -uitgever en nu kwamen deze prenten tevoorschijn! Voor een deel ook nog eens van andere drukkerijen dan we tijdens ons onderzoek hadden kunnen vinden. Het spreekt vanzelf dat ik 'not amused' was om het voorzichtig te zeggen. In het door mij aan het KVGO uitgebrachte rapport kon ik weinig anders dan voorstellen deze prenten onmiddellijk aan de UBA te schenken, maar dat vond men iets te kort door de bocht. Ze zouden ter veiling worden gebracht. Ik vond het een schande. (...) Het lukte de UBA gelukkig om op de veiling alle prenten die we nog niet hadden aan te kopen.

En even verder:

Maar ook het Drukkerijmuseum Meppel had nog een partijtje oude koppermaandagprenten liggen, zo bleek. Dat soort dingen blijkt altijd nadat er een boek over uitgekomen is, nooit daarvóór.

Al deze nieuwe vondsten werden toegevoegd aan de collectie in de UBA, dat daarmee de grootste collectie koppermaandaguitgaven in Nederland bezit. Met enige zelfspot haalt de auteur tot slot naar aanleiding van deze ervaringen zijn eigen standaardwerk aan:

En antiquaren: pas op! U kunt wel zeggen 'not in De Zoete/Versteeg', maar dat wil nog niet zeggen dat die ene prent niet toch al in de collectie van de UBA aanwezig is..

Ik heb deze aanduiding opgezocht en deze wordt inderdaad letterlijk een keer gebruikt door Bubb Kuyper, bij kavel 57 van de najaarsveiling 2018. En de waarschuwing van Johan de Zoete blijkt terecht, want de uitgave waar het over gaat (Hulde aan Laurens Jansz. Koster. Opgedragen aan de instellers van dit Eeuwfeest uit 1823) staat kennelijk niet in het boek van De Zoete, maar is wel degelijk aanwezig in de UBA en wellicht dus door De Zoete kort na publicatie opgevist uit de kelder van het KVGO of bij het Drukkerijmuseum.

De tweede koppermaandaguitgave is uit 2003 en heeft een hele andere vorm: het is de herdruk van het diploma van Lion Cachet uit 1892 op ware grootte. De achtergrond hiervan is de volgende. In 1892 was er een tentoonstelling voor het boekenvak in Amsterdam en aan Lion Cachet, Gerrit Dijsselhoff en Theo Nieuwenhuis was gevraagd een diploma in hout te snijden. De opdrachtgevers waren niet blij met het resultaat. "Alle nieuwe kunst wordt eerst niet begrepen", werd toen gezegd en dat is dan ook de titel van het boek dat Ernst Braches over deze diploma's schreef en dat in 2003 bij Uitgeverij de Buitenkant is verschenen. De titel verwijst naar de Nieuwe Kunst, oftewel de Nederlandse Art Nouveau, waarvan deze diploma's zo ongeveer aan de basis stonden. Deze koppermaanaguitgave schetst de achtergrond van het verschijnen van het boek van Braches op een vouwblad, en voegt daarbij dus de facsimile van het diploma van Cachet.

De derde uitgave is uit 2016 en ook deze is weer heel anders van opzet. Het is een hommage aan de typograaf en letterontwerper Bram de Does, die eind 2015 overleed. Op bijna transparant papier is een fraai ontwerp van Bram de Does gedrukt, vergezeld van een aanbiedingskaartje. Over Bram de Does is veel meer te vertellen dan ik in een paar terloopse zinnen zou kunnen doen. Belangrijk om te vermelden is dat hij de ontwerper is van de bekende letters Trinité (1982) en Lexicon (1992) die veelvuldig worden gebruikt in boeken, tijdschriften en kranten en geroemd worden om de gedetailleerde uitvoering. De Lexicon is bijvoorbeeld gebruikt als letter voor Van Dale's Groot woordenboek uit 1992.

Ook de vierde uitgave is gerelateerd aan Bram de Does. De uitgave Kaba-ornament uit 2005 is wederom een voorproefje van een later te verschijnen werk over het Kaba-ornament, waar De Does drie decennia mee had geëxperimenteerd. Deze uitgave bestaat grotendeels uit reproducties van de schetsen van experimenten van Bram de Does met één asymmetrisch ornament en zijn spiegelbeeld. De tekst in het boekje is uiteraard gezet in de door De Does ontwerpen letter Trinité.
De vijfde koppermaandaguitgave heeft ook typografie als onderwerp en bevat wederom een tekst van Johan de Zoete, net zoals de eerste uitgave die ik noemde. Deze tekst, uit 2014, is de inleiding op een herdruk van een aantal pagina's uit een letterproef van Frederic Nelson Phillips uit 1929. Dit boek (dat hier integraal door te bladeren is), toont niet alleen verschillende lettertypen van de drukkerij van Phillips maar ook de toepassing ervan in diverse teksten, advertenties, etc.. Het boek kwam in 2013 in het bezit van De Zoete. Het enthousiasme voor de kwaliteit van die uitgave leidde tot deze koppermaandaguitgave, waarbij vervolgens de lezer werd uitgedaagd om een eigen letterproef te maken van een favoriete letter. De Zoete schrijft:
Van de tien mooiste inzendingen maken wij de Koppermaandaguitgave 2015. Sluiting voor de inzending is 1 december 2014. De mooiste inzending komt in aanmerking voor de eerste Nelson Phillips Bokaal, die uiteraard uitgereikt zal worden op Koppermaandag 2015.
Het is mij niet bekend of deze bokaal ooit is uitgereikt. Naast deze vijf koppermaandaguitgaven vond ik geen andere bij Adri Offenberg dus helaas mis ik de uitgave van 2015. Ook online is hier geen vermelding van te vinden. 

Ik vind het mooi om te zien hoe de verschillende koppermaandaguitgaven van De Buitenkant het drukkersvak en typografie centraal zetten. Helemaal volgens de traditie van dergelijke uitgaven. 

Tot slot

Het was leuk om door het stapeltje boeken heen te graven dat ik mocht meenemen uit de nalatenschap van Adri Offenberg en de achtergrond ervan uit te lichten. Het is daarmee een kleine hommage geworden aan iemand die ik nooit persoonlijk heb gekend, maar van grote betekenis is geweest voor het boekenvak en een boekenverzameling achterliet die de oogst was van een leven lang verzamelen. Natuurlijk zijn deze uitgaven die ik in de afgelopen vijf blogs heb uitgelicht in het geheel niet representatief voor de bibliotheek zoals die oorspronkelijk was of voor de kwaliteit van boeken die er in stonden. Maar deze kleine selectie maakt wel duidelijk dat het een veelzijdige bibliotheek was. En voor mij vormen deze boeken hoe dan ook een waardevolle aanwinst van mijn bibliotheek. En ik hoop te hebben laten zien dat over werkelijk elk boek een verhaal te vertellen is omdat even graven tal van interessante feiten blootlegt over herkomst, context of betekenis van de boeken. En dat is wat verzamelen van boeken zo boeiend maakt.

27 december, 2020

311 - Uit de nalatenschap van Adri Offenberg (4) - oorlogspublicaties

In het vierde deel over de boeken die ik vond in de bibliotheek van Adri Offenberg kijk ik naar weer een nieuwe categorie: boeken die clandestien werden gedrukt tijdens de Tweede Wereldoorlog. 

Over clandestiene uitgaven

In de oorlogsjaren waren de mogelijkheden voor het publiceren van boeken door schaarste aan grondstoffen en bepaling van de bezetter steeds meer beperkt: uitgevers staakten hun uitgaven of gingen over tot het produceren van clandestien drukwerk. Er verschenen tijdens de oorlog dus zowel legale, als clandestiene als illegale drukwerken. En er is een verschil tussen clandestien en illegaal drukwerk. Illegaal drukwerk richt zich rechtstreeks tegen de bezetter. Clandestien drukwerk kon ook een heel onschuldige inhoud hebben, maar onttrekt zich aan het toezicht en de toestemming door de bezetter. Tijdens de oorlog verschenen circa 1000 clandestiene uitgaven. Sommige uitgevers waren hier heel actief in (zoals De Blauwe Schuit met circa 40 uitgaven, De Bezige Bij met circa 70 en Stols met 54) en er waren ook auteurs van wie veel uitgaven verschenen, zoals Bertus Aafjes. De Blauwe Schuit, met als drukker Hendrik Werkman, was  feitelijkde eerste clandestiene uitgeverij van Nederland (de naam Werkman leeft trouwens nog voort). Op de site van de KB lees ik:

Illustratie van De Blauwe Schuit
De Blauwe Schuit, Stols en andere collega-uitgevers verspreidden niet of nauwelijks illegale uitgaven. Hoewel ook van de uitgaven van de Mansarde Pers beweerd werd dat met de opbrengst een aantal onderduikers in leven werd gehouden, hebben vermoedelijk toch alleen de uitgaven van De Bezige Bij een illegaal karakter, doordat de opbrengst ten goede kwam aan het verzet. Van de 54 clandestiene uitgaven van Stols zijn er bijvoorbeeld slechts vijf als illegaal aan te merken, gericht tegen de bezetter, de overige hadden een min of meer onschuldig karakter.
De opbrengst van de uitgaven van De Bezige Bij werd nog gebruikt om het verzet te financieren, bij andere uitgeverijen was er dus vooral sprake van commerciële belangen. De prijzen van clandestiene uitgaven waren hoog als gevolg van de schaarste in de oorlogsjaren (aan papier, aan inkt, aan drukkers, aan alles). De journalist en schrijver H.M. van Randwijk deed tijdens de oorlog in het verzetsblad Vrij Nederland het merendeel van de clandestien uitgegeven bundeltjes die niet expliciet tot verzet opriepen overigens af als 'esthetische ijdeltuiterij'. 

Op de eerder genoemde pagina van de website van de KB wordt ingegaan op het bijzondere boek tijdens de Tweede Wereldoorlog. Ook wordt uitgebreid beschreven hoe uitgevers werkten en tegen welke problemen ze opliepen. Interessante overzichten geven verder ook de boeken van Lisette Lewin - Het clandestiene boek 1940-1945 (hier integraal te lezen), Piet Calis - Het ondergronds verwachten. Schrijvers en tijdschriften tussen 1941 en 1945 (hier integraal te lezen) en natuurlijk het standaardwerk van Dirk de Jong - Het vrije boek in onvrije tijd (hier integraal te lezen). Naar de lijst die Dirk de Jong in zijn boek hanteert wordt in catalogi regelmatig verwezen. Ook ik zal dat in dit stukje doen. Overigens waren er op het overzicht van De Jong genoeg aanmerkingen. Zo is er het verwijt dat hij te weinig aandacht gaf aan uitgaven van Joodse oorsprong. Echter, veel Joodse uitgaven verschenen bijzonder genoeg legaal. Lisette Lewin schrijft in de catalogus bij de tentoonstelling Op de rand van de afgrond met uitgaven in de Bibliotheca Rosenthaliana die tijdens de bezetting verschenen (waar Adri Offenberg curator was, en hij was tevens co-auteur van deze catalogus):
Dat verwijt is niet helemaal terecht. Het is waar dat er clandestien joodse boekjes en geschriftjes zijn gedrukt, maar de meeste van de 58 titels die in deze catalogus staan zijn legaal uitgegeven. Ze hebben een K-nummer, dat wil zeggen dat ze zijn gedrukt met toestemming van het Departement van Volksvoorlichting en Kunsten. Want de Duitsers die eind mei 1940 direct begonnen met het straffen van boekhandelaars die werk van Heine of andere joden in de etalage lieten liggen, waren zo cynisch dat ze het uitgeven van judaïca niet alleen toestonden maar zelfs aanmoedigden. (...) Achterin de catalogus staat een chronologisch jaaroverzicht. Een schokkende cijferreeks: 14 titels in 1940, 33 in 1941, drie in 1942, drie in 1943, één in 1944, drie in 1945 (twee zonder jaar). Er was aan het eind bijna niemand meer over. Veel namen in de lijst van biografische notities over degenen die aan de uitgaven hebben meegewerkt hebben de toevoegingen: omgekomen, gedeporteerd, gefusilleerd, vrijwillige dood tijdens W.O. II. 
Behalve de uitgaven van De Blauwe Schuit (de complete originele uitgaven van Chassidische Legenden I en II van Werkman brengt makkelijk zo’n 30.000 euro op) en enkele andere uitgaven, zijn ondanks de kleine oplagen clandestiene publicaties niet per se zeldzaam en kostbaar. Terwijl ik dit stukje maak, loopt de najaarsveiling 2020 van Bubb Kuyper. In de catalogus van die veiling staan 7 lots met clandestiene uitgaven. Eén lot is onverkocht gebleven, een ander lot bevat circa 200 clandestiene uitgaven en dit lot bracht 850 euro op - net iets meer dan 4 euro per stuk. De andere 5 lots brachten wisselende bedragen op, omgerekend een tientje tot een paar tientjes per stuk.

Zes gevonden clandestiene uitgaven

Bij Adri Offenberg vond ik verschillende publicaties die ofwel clandestien zijn, ofwel op de grens van de bevrijding zijn gepubliceerd. Interessant zijn een zestal clandestiene uitgaven:
Illustratie uit "Zomerdag"

1. Aldert Witte - Voor- en tusschenspel (De Jong 941). Dit is een genummerd (33 van 125) en gesigneerde uitgave. Volgens het titelblad uitgegeven door Uitgeverij Spaanders in 1940, maar in feite in 1944 geproduceerd.  Van 1943-1945 leidde Aldert Witte de clandestiene en bibliofiele uitgeverij d'Uylen-spieghelpers. Daar verschenen 9 clandestiene uitgaven, waaronder deze. De bundel is hier integraal te lezen.
2. Aldert Witte - Zomerdag (De Jong 952). Eén gedicht met illustratie in een kartonnen omslag. Ook dit is een genummerd (42) en gesigneerd exemplaar, waarbij zowel Aldert Witte als illustrator Nico Berkhout signeerden en verschenen bij de uitgeverij van De Witte. Hier is het te lezen.
3. Theo van Baaren - Versteend zeewier (De Jong 61). Van de oplage van 270 werden 120 exemplaren gesigneerd, dit is een genummerd (62) en gesigneerd exemplaar, met de ingekleurde illustraties. Theo van Baaren was samen met Gertrude Pape tijdens de oorlogsjaren betrokken bij het clandestiene tijdschrift "De schone zakdoek". Deze bundel is hier integraal te lezen.
Colofon uit de uitgave
"De legende van het spookschip
De vliegende Hollander" (1944)
4. A. Nonymus - Het lied der minne van vroeger en nu (De Jong 511). In het colofon blijkt iets van de omstandigheden waarin boeken tot stand kwamen. Er staat: "In December van het jaar O.H. negentienhonderd vierenveertig, toen de oorlog woedde binnen onze grenzen en overstroomingen, honger en koude ons volk in bittere nood brachten en bovendien gas en electriciteit niet meer beschikbaar waren, toen heeft de U.M. "In den Bloemhof" te Wassenaar deze bundel minnedichten uitgegeven met het doel, den lezer enkele oogenblikken van vergetelheid te schenken." In andere uitgaven van A. Nonymus staan vergelijkbare teksten (zie afbeelding). Het boekje is hier te lezen. Achter de naam A. Nonymus ging de illustrator Johan van Eikeren schuil, die voor de oorlog onder meer verantwoordelijk was voor de Corvey-uitgave Het model voor de uitgever. Lisette Lewin schrijft in haar boek:
Twee maanden voor de bevrijding begon Van Eikeren een boekje te schrijven dat in een kleine, genummerde oplage verscheen in juli 1945. Het heet Perijkelen bij de verzorging van het boek in de oorlogsjaren of het relaas van hollandse onversaagdheid in tijden van nood uit de ervaring opgetekend en is gedrukt op hetzelfde harige paardedeken-achtige papier als veel van die oorlogsboekjes. De schrijver heeft het motief voor het kaftje zelf in linoleum gesneden. Hij is al jaren dood. Voor dat boekje mogen we hem dankbaar zijn. Als geen ander heeft hij het uitgeversleven in bezet Nederland beschreven.
5. De uitgave met misschien wel de langste titel is De Zes Vlyghen - synde eene Versaemelingh van Lofsanghen, Heekelvaersen ende Rymen waerin besonghen wort, de Minne, 't Schoone Vrouwmens, de Waerelt, de Seevaert, de Krygh ende eenighe andere Saecken/oftewel cleyne Strontjens van Lastighe Vlyghen op de craecksindelycke Vensterdoecken van Hollands Burgherdeugt alle tesaemen geschreeven van onder andere Jan G. Elburg en Aldert Witte (hier te lezen). Ook dit werk is uitgegeven door de Uylen-Spieghel-Pers van Aldert Witte, in een oplage van 200 exemplaren.
6. Garmt Stuiveling - Wordend kristal. Verschenen in maart 1945 in een beperkte oplage, waarvan 70 exemplaren genummerd. Dit is een ongenummerd exemplaar en helaas is de voorzijde van het omslag losgescheurd. Maar ook deze is online te lezen.
 
Bijzondere vondst is nog dat ik de uitgave Zehn kleine Meckerlein vond. Deze uitgave van de Carlinapers uit 1974 is een facsimile uitgave van de clandestiene uitgave die in 1943 door A.A. Balkema werd uitgegeven. Het is de tekst van een uit een concentratiekamp gesmokkeld liedje. Helaas ontbreekt één van de 10 losse vellen en dit is daarmee een incompleet exemplaar. Het origineel verscheen in een oplage van 40 en is een voorbeeld van een nu kostbare clandestiene uitgave. Medio 2020 werd een exemplaar uit 1943 voor 900 euro geveild bij Zwiggelaar.

Ik vond ook nog twee uitgaven door de graficus Henri Friedländer die op de grens van de bevrijding verschenen. De eerste is De overweldiger. Hoofdstuk I en II van het boek Habakuk, als een van de weinig Joodse auteurs opgenomen in De Jong onder nummer 637 (en trouwens ook in de catalogus Op de rand van de afgrond onder nummer 40). Blijkens het colofon weliswaar vertaald en gezet in de oorlogswinter 1944-1945 maar gedrukt in de zomer van 1945. De tweede is Zijn einde. Jesaja XIV:3-21 dat kort na de oorlog verscheen in een oplage van 500, waarvan 100 genummerd (dit is nummer 40). 

Mijn andere clandestiene uitgaven

In mijn eigen bibliotheek had ik al een aantal uitgaven staan die tijdens de oorlog zijn verschenen. Een deel ervan zijn legaal verschenen uitgaven, zoals de Stols-uitgave van Petrarca's Madonna Laura waar ik eerder over schreef en de bij Nijgh & Van Ditmar in 1941 verschenen titels Vluchtige begroetingen en De kleine Rudolf van Aart van der Leeuw en Apollyon van Bordewijk.

Van Bordewijk heb ik daarnaast de door hem onder het pseudoniem "Emile Mandeau" geschreven werkje Verbrande erven (De Jong 532) dat in 1944 bij de Bezige Bij verscheen in 525 genummerde exemplaren (ik heb nummer 63). Daarnaast heb ik één van de gelegenheidsuitgaven die Chris Leeflang produceerde voor vrienden en bekenden, het bij de jaarwisseling 1944-1945 verschenen Jaarlied van Bredero (De Jong 117).

Een uitgave uit mijn bibliotheek die niet clandestien was, maar het wel werd, is het boekenweekgeschenk 1941. Citerend van de website Neerlandistiek.nl: "Ter gelegenheid van de boekenweek 1941 verscheen de bloemlezing Novellen en gedichten, samengesteld door Victor E. van Vriesland en Emmy van Lokhorst. Het kwam uit in een oplage van 67.000 exemplaren, en was bestemd voor iedereen die van 1 tot 8 maart 1941 voor fl. 2,50 aan boeken kocht. Op 27 februari publiceerde de NSB-krant Het Nationale Dagblad een artikel waarin schande wordt gesproken over de aanwezigheid van verzen van ‘den Jood Maurits Mok‘. Van Vriesland, een van de samenstellers, was ook van joodse komaf. Een nationaal-socialistisch boekhandelaar doet op 28 februari zijn beklag bij de uitgever, de Vereeniging ter bevordering van de belangen des boekhandels: “Een mooi gebonden werkje […] om een aantal Jodendichters […] naar voren te kunnen brengen.” Uiteindelijk werd de uitgave door de Duitsers teruggeroepen en vernietigd, behalve 20.000 exemplaren die al bij lezers waren. Ook deze is daarom niet echt zeldzaam, en wordt ook nu nog tweedehands ruimschoots aangeboden.

Een collectie clandestiene uitgaven?

Het lijkt erop dat zich nu een kleine collectie clandestiene uitgaven in mijn bibliotheek vormt. Een doel zou kunnen zijn om alle 1019 uitgaven in de lijst van De Jong te verzamelen (+ de 58 in de catalogus van de UBA). Dat is niet mijn plan. Als ik het genoemde kavel met 200 exemplaren bij Bubb had gekocht, had ik daar nog een behoorlijke stap in kunnen zetten. Maar voor nu is het mooi om deze kleine vertegenwoordiging in mijn bibliotheek te hebben en zo iets meer zicht te krijgen op de moeilijke omstandigheden waaronder ze tot stand kwamen.  

11 december, 2020

310 - Uit de nalatenschap van Adri Offenberg (3) - de bibliotheek van Johan Polak

Bibliofielen zijn altijd nieuwsgierig naar het boekenbezit van andere bibliofielen. Vandaar mijn fascinatie voor de bibliotheek van Adri Offenberg waar ik nu al het derde blog over schrijf, maar ik heb bijvoorbeeld in het verleden ook de veilingcatalogi van de bibliotheken van Boudewijn Buch en Gerrit Komrij gekocht om een beeld te krijgen van hun boekenbezit. In de bibliotheek van Adri Offenberg vond ik een mooie verrassing: de tweedelige veilingcatalogus van de veiling van het boekenbezit van Johan Polak.

De veiling werd in 1993 verzorgd door het helaas niet meer bestaande veilinghuis Beijers in Utrecht. Het is enkele jaren geleden opgegaan in het Venduhuis Utrecht, maar ook dat heeft de activiteiten intussen gestaakt.

Johan Polak en zijn bibliotheek

Johan Polak (1928-1992), de legendarische uitgever met een prachtig fonds aan klassieke uitgaven, boekenliefhebber, verzamelaar, oprichter van Athenaeum Boekhandel en nog veel meer. Er is veel over hem geschreven en vaak is geprobeerd om ook de verborgen kanten van zijn leven aan het licht te brengen. Toch raakt onvermijdelijk iemands naam langzamerhand vergeten. In 1998 schrijft Toon Möller dat na zijn dood en de veiling van de boeken "een zachte motregen van vergetelheid over Johan Polak [begon] te vallen." Toch blijft Polak de verbeelding prikkelen. In 2017 verscheen de biografie over het leven van Johan Polak van de hand van Koen Hilberdink, die eerder in 2012 ter gelegenheid van het 50-jarig bestaan van uitgeverij Athenaeum, Polak & Van Gennep het boekje Boekenmanie schreef, over de geboorte van Johan Polak als uitgever. In een artikel in Vrij Nederland uit 2008 over "het raadsel Johan Polak" wordt een fraai beeld van zijn leven gegeven.

Duidelijk was dat de bibliotheek van Polak bij zijn leven verboden gebied was voor iedereen behalve Polak zelf. In het artikel in Vrij Nederland staat een mooie anekdote van Jan Siebelink, die Polak als zijn leermeester beschouwde:

(een deel van) de Polak-bibliotheek
Omdat Polak een hypochonder was en omdat hij graag overdreef, geloofde niemand hem als hij weer eens zei dat hij op het punt stond dood te gaan. Maar hij was wel degelijk ziekelijk, ondervond Siebelink. ‘Ik at eens bij hem in zijn villa in Muiderberg en toen ik tegen een uur of tien weg wilde gaan, zei hij: ik wil dat je blijft. Hij had pijn doordat hij niet kon plassen, hij bleef een halfuur weg en dan had hij er weer een druppel uitgeperst. Ik heb ’s nachts bij hem gewaakt. Toen hij was ingedommeld, ben ik zijn bibliotheek binnengegaan, die grensde aan de slaapkamer. Verboden gebied, al helemaal zonder witte handschoenen. Ik heb de kostbaarste boeken bekeken, onder andere een plaquette van Mallarmé, gedichten geïllustreerd door Édouard Manet. Er waren nog maar twee gave exemplaren van op de wereld: één in de bibliotheek van het Vaticaan, en één bij Johan Polak. De volgende dag belde hij me, niet om me te bedanken voor mijn goede zorgen, maar om me streng te berispen. Ik had de boeken kennelijk niet helemaal tot op de millimeter ingeschoven. Hij wist precies waar ik met mijn vingers aan gezeten had.’

In De parelduiker schreef antiquair Steven Bakker in 1998 ook over de "mythische bibliotheek" van Polak, waar hij één keer mocht binnenkomen. Hij leverde regelmatig boeken aan Polak. Over de collectie Polak zegt hij: "Polak was een hartstochtelijk liefhebber geweest, hij verzamelde niet op compleetheid, hij kocht wat hij mooi vond, to please himself."

De veiling bij Beijers

Het lijkt erop dat het door Siebelink stiekem aangeraakte boek nummer 382 van de veiling was, de uitgave L'après-mide d'un faune uit 1876. Edouard Manet wordt hierbij genoemd. Geschat op 5.000 tot 6.000 gulden bracht het uiteindelijk 11.000 gulden op, het dubbele dus. Verder stonden er 2.056 andere nummers in de catalogus, in twee delen gepubliceerd. In de door mij gevonden exemplaren vond ik nog wat extra's: een losse index van de kavels (met sorteringen op soort (klassieken, series vertalingen), auteurs, uitgevers, drukkers, binders, etc., een opbrengstenlijst van de veiling en een verdrietig kaartje van het veilinghuis met de mededeling dat alle biedingen van Adri Offenberg bij deze veiling helaas werden overboden. Welke biedingen dat waren is niet meer te achterhalen, in de catalogi stonden in elk geval geen aangekruiste nummers of andere vermeldingen die een indicatie geven van titels waar Adri Offenberg (of de bibliotheek die hij vertegenwoordigde) belangstelling voor had.

In het eerder aangehaalde artikel in De parelduiker is Steven Bakker vrij duidelijk (en dodelijk) over de opzet van de veiling én de catalogus. Steven Bakker zegt: 

Het zal wel altijd een raadsel blijven waarom de Stichting Johan Polak heeft besloten de ‘volledige’ bibliotheek, op de collectie literaire autografen na, in haar geheel te laten veilen bij het Utrechtse veilinghuis Beijers. (...) De totale opbrengst, meer dan twee miljoen gulden, had dus hoger kunnen uitkomen als de stichting zich terdege had voorbereid, als zij zich uitvoeriger had laten adviseren, als zij de tijd had genomen. Slechts vijfentwintig boeken werden afgehamerd op tienduizend gulden of meer. (...) Beide veilingcatalogi blonken niet bepaald uit in kwaliteit. Ze waren verlucht met slechts 21 kleurenfoto's en 18 zwartwit-opnamen; de indeling was rommelig, de lengte van de beschrijvingen liet te wensen over, de richtprijzen waren bijzonder laag en niemand had zich er om bekommerd een inleiding op de bibliotheek of een fotoportret van de eredoctor zelf op te nemen. Uit niets bleek dat er ook maar enige extra zorg was besteed aan beide bijzondere veilingcatalogi, waarvan de oplage maar liefst 4300 exemplaren bedroeg. Alles duidde op een haastklus, die bovendien natuurlijk weer niets had mogen kosten. Johan Polak, de uitgever van bijzonder fraai vormgegeven boeken, moest eens weten welk een ‘eerbetoon’ hem ten deel was gevallen! Zowel de Stichting Johan Polak als het veilinghuis Beijers heeft een unieke kans voorbij laten gaan om deze omvangrijke boekenschat - ‘the bibliophile life-work of the collector’, zo staat op de titelpagina van de eerste catalogus te lezen - volledig tot zijn recht te laten komen, om hem voor de allerlaatste maal te laten schitteren.

Kort verslag in Trouw, 14-5-1993
Als ik de opbrengstenlijst naast de veilingcatalogus leg, kan ik mijn ogen toch nauwelijks geloven. Ik wist al dat de veiling van de boeken een recordopbrengst opleverde, het tienvoudige van wat was beoogd (en dus waren de richtprijzen inderdaad veel te laag). Maar het ging in een aantal gevallen echt heel hard. Geen wonder dat er voor Adri Offenberg niets te halen was. Het eerste nummer op de veiling, een humanistisch handschrift met een tekst van Cicero, was geschat op 3.000 tot 4.000 gulden. Het werd afgehamerd voor 35.000 gulden, inderdaad tien keer zoveel. Nou, dan is de toon voor de veiling wel gezet. Nummer 2, een handschrift met een tekst van Juvenalis ging bijna net zo hard: geschat op 5.000 tot 6.000 gulden, werd het afgehamerd op 48.000. Ik kan mij zo voorstellen dat er binnen een paar minuten na de start van de veiling een tevreden veilingmeester, een opgewonden zaal en heel veel teleurgestelde boekenliefhebbers waren die hadden gehoopt een boek uit de bibliotheek van Johan Polak te bemachtigen. Ook ik zou dat graag gewild hebben, net zoals ik blij ben met boeken uit de bibliotheek van Boudewijn Büch en die van Gerrit Komrij. De veiling van de bibliotheek van Büch (in 2005) brachten trouwens ook veel meer op dan vooraf gedacht, die van Komrij in 2012 daarentegen minder dan gedacht. Het bezit van een boek uit het bezit van Büch, Polak, Komrij of Offenberg (of uit die van de Nijhoffs) voelt als een eerbetoon aan een bijzondere boekenliefhebber en geeft extra betekenis aan het boek als je weet dat het ooit in zo'n bibliotheek heeft gestaan. In het geval van de veiling van de boeken van Polak zou dat blijkbaar een kansloze missie zijn geweest. Hoewel: niet alles is verkocht, er van uitgaande dat alle ontbrekende nummers op de opbrengstenlijst niet verkocht zijn: ik had nog nummer 42 kunnen kopen, een postincubel gedrukt door Aldus in 1523, geschat op 300-400 gulden. Of nummer 1382, het verzameld werk van Marsman in 3 delen, voor 200-250 gulden. Van de 12 nummers van Albert Verwey bleven er trouwens 7 onverkocht, voor deze dichter was in 1993 al weinig belangstelling meer. De gedachte dat ik voor zo'n 300 gulden een Aldus-uitgave had kunnen hebben is trouwens wel onverdraaglijk...

Gerrit Komrij mijmert trouwens zelf ook over de veiling van de boeken van Polak. In Halfgod verzamelaar staat een stukje uit 1992. Komrij zegt:

Moet, na mijn dood, een collectie die met noeste vlijt is verzameld, die het unieke stempel draagt van mijn persoonlijkheid en die, op die manier, nooit meer bij elkaar komt, op de wind verwaaien? Moet die niet ondergebracht worden in een bibliotheek, op een instituut, in een stichting, zodat er niet nóg eens iemand zo veel energie in hoeft te investeren en ze voor iedereen beschikbaar blijft? (...) Maar er zijn ook gevaren. (...) Dat de ijdelheid van de collectioneur, na diens dood, groter blijkt dan de waarde van zijn verzameling. Moet ik, zeggen de aanhangers van de andere richting, jonge en nieuwe verzamelaars niet juist hetzelfde recht en dezelfde kans gunnen op de verwerving van zeldzame erken als ik tijdens mijn leven heb gehad? Dezelfde momenten van spanning en angst in de veilingzaal? Draag ik daarmee de gezegende fakkel van het bibliofiele jachtinstinct niet verder? Wordt door een eeuwigdurende hergroepering niet het gehalte van alle verzamelingen vergroot? (...) Ik weet niet wat ik er op mijn sterfbed van zal denken, maar zolang ik nog verzamel, is het duidelijk dat ik naar de laatste zienswijze neig. Uit eigenbelang.

Komrij voegde de daad bij het woord en maakte al afspraken over de veiling van zijn boeken voor zijn overlijden. En ook de boeken van Büch en Polak zijn onderdeel geworden van de "eeuwige hergroepering". Een bijzonder geval uit de veiling van Polak's boeken is nog een auteursexemplaar van Elsschot's Villa des Roses uit 1913, met een opdracht aan Anna van der Tak. Door Beijers in de catalogus gezet voor 400 tot 600 gulden werd het afgehamerd op 21.000 gulden (!!). Zo ongeveer het veertigvoudige dus. Zestien jaar later werd hetzelfde boek geveild bij Bubb Kuyper. Het stond daar in de catalogus voor 20.000 - 25.000 euro (ruim het dubbele, als je de overgang van guldens naar euro's er in verwerkt). Het werd geveild voor € 18.500,-. Overigens vertelt het Belgische Knack dat dit exemplaar nu in bezit is van Thijs Wierema. Zij slaan de veiling bij Bubb over als het gaat om de route van de veiling van Polak naar de bibliotheek van Wierema. Was het dan toch een ander boek bij Bubb?

De veilingcatalogi weerspiegelen verder het beeld dat al bestond van het boekenbezit van Johan Polak. Veel klassieke auteurs, luxe uitgaven, zeldzame uitgaven en een breed spectrum aan literaire werken van over de hele wereld. Met per land ook nog deelcollecties van auteurs (zoals bij de Duitstalige literatuur Hugo van Hoffmansthal en Franz Kafka, bij Nederlandstalige literatuur voor 1880 Joost van den Vondel en literatuur na 1880  Louis Couperus (waarvan een in perkament gebonden eerste druk van De boeken der kleine zielen, in vier delen werd afgehamerd op 3.000 gulden bij een richtprijs van 700-800 gulden. Een vergelijkbaar exemplaar bracht in 2009 bij De Eland/Van Gendt 7350 euro op).

Nog meer catalogi

Naast dit inkijkje in het boekenbezit van Johan Polak heb ik recent nog wat andere boekencatalogi aan mijn collectie boeken over boeken toegevoegd. Bij de boeken van Adri Offenberg stond ook nog de Catalogus van boeken uit de nalatenschap van Jan van Krimpen. Dit werkje is in 1966 uitgegeven door de Universiteitsbibliotheek Amsterdam (UBA), en dan is het maar een kleine stap naar de boekenkast van Adri Offenberg als voormalig conservator van de Bibliotheca Rosenthaliana, die is ondergebracht bij de Amsterdamse Universiteitsbibliotheek. Het is een vrij droge opsomming van de boeken die nu in de UBA zijn opgenomen, zonder verdere toelichting of commentaar. Dit boekje stond naast een verwante uitgave: Jan van Krimpen 1892-1958. Een keuze uit de collectie. Samengesteld door Mathieu Lommen en uitgegeven door de Universiteitsbibliotheek in 1992. De beroemde typograaf en grafisch ontwerper Jan van Krimpen had na zijn plotselinge overlijden in 1958 zijn archief, correspondentie en handschriften aan de UBA nagelaten, en bovendien kreeg de UBA de mogelijkheid als eerste te kiezen uit zijn boekerij. In de inleiding bij de uitgave van 1992 staat:

De overige boeken - ca. 300 uit typografisch oogpunt of anderszins opmerkelijke en zeldzame werken - werden door de Vereniging van Vrienden van de UBA aangekocht en op de jaarvergadering van 25 februari 1962 door de toenmalige voorzitter, Mr. A.J. d'Ailly, als geschenk no. 37 aan de UB overgedragen. Van dit geschenk verscheen in 1966 een door mevr. E.W. Theissen samengestelde catalogus.

Mij lijkt dat de genoemde uitgave van E.W. Theissen de catalogus is die ik heb gevonden, want die is uit 1966, zo blijkt uit de titelpagina. Er wordt echter nergens vermeld wie de opsteller is, maar het lijkt mij sterk dat er meer dan één catalogus in dat jaar vanuit de UBA is verschenen over de boeken van Jan van Krimpen. In de uitgave uit 1992 wordt een breder beeld gegeven van de collectie Van Krimpen: niet alleen boeken uit zijn bibliotheek, maar ook andere uitgaven van en over Van Krimpen die aanwezig zijn in de UBA. Terzijde: Mathieu Lommen, de samensteller van de uitgave uit 1992, kennen we natuurlijk ook als samensteller van het jubileumboek over Stichting de Roos waarvan ik twee exemplaren in de kast heb staan: de handelseditie en de gelimiteerde uitgave voor leden van Stichting de Roos.

Tot slot kocht ik zelf onlangs via Marktplaats het boekje Een gedenksteen voor Plantijn en Van Raphelingen te Leiden (1965) van E. van Gulik en H.D.L. Vervliet. In dit boekje wordt ingegaan op de pioniersrol van Christoffel Plantijn en zijn schoonzoon Franciscus van Raphelingen voor het ontstaan van een drukkers- en boekhandelscultuur in Leiden. Het verscheen bij de onthulling van de plaquette in de Vrouwensteeg in Leiden, waar nu sociëteit Minerva is gevestigd. In dit boekje - uitgegeven door uitgeverij E.J. Brill, waarvan de oprichter was getrouwd met een achterkleindochter van Plantijn - is opgenomen de Catalogvs Librorvm residvorvm Tabernae Raphelengianae, oftewel de veilingcatalogus uit 1619 van de boeken na opheffing van de uitgeverij/boekhandel, die na de dood van Franciscus van Raphelingen nog door zijn kinderen was voortgezet. Interessant is dat de boeken in de catalogus zijn gesorteerd op thema en daarbinnen op formaat. Zo is bijvoorbeeld de eerste categorie bij Theologie "In folio", het grootste formaat. En dan gaat het via quarto en octavo naar duodecimo/decimosexto. Vervolgens bij de juridische boeken hetzelfde. Het gevolg is bijvoorbeeld dat de theologische boeken van Franciscus Haraeus niet bij elkaar staan, maar deels bij folio en deels bij duodecimo. Voor catalogi uit die tijd trouwens geen ongebruikelijke manier van werken, maar ik heb liever een catalogus die is ingericht op thema en op auteur. Zelfs al is het zo’n lelijke uitvoering als de veilingcatalogus van de veiling van de boeken van Johan Polak.