Posts tonen met het label typografie. Alle posts tonen
Posts tonen met het label typografie. Alle posts tonen

24 mei, 2024

351 - Het Corvey model voor de uitgever

Ik kijk altijd graag in de bakken met 'kleine uitgaven' die je in antiquariaten en op boekenmarkten kan vinden. Vaak bakken die wat apart van de rest staan en waar over het algemeen de dunnere, maar toch veelal literaire, publicaties worden aangeboden. De gelegenheidsuitgaven, voorpublicaties, nieuwjaarsgeschenken en wat al niet meer. Vaak voor een vriendelijk prijsje mee te nemen. Er zijn verschillende soorten kleine uitgaven die je meer dan gemiddeld terugvindt in dat soort bakken. Uitgaven van de Wereldbibliotheek-vereniging bijvoorbeeld, waarvan in de loop van de tijd vele premie-uitgaven verschenen, of nieuwjaarsgeschenken van uitgeverijen. Maar ook publicitaire werkjes van diverse bedrijven uit de grafische sector. Denk aan Proost Prikkels (van papierhandel Proost en Brandt), of de serie reclame-uitgaven onder de titel Van Trio aan zijn zakenvrienden (van drukkerij Trio). Het zijn allemaal verzamelwaardige uitgaven en het liefst zou ik complete series van zowel de Wereldbibliotheek, als Proost Prikkels, als Trio in mijn bibliotheek willen hebben. Maar die heb ik niet, ik moet het doen met enkele losse uitgaven van elk. 

Een andere trouwe bewoner van de bakken en planken met 'kleine uitgaven’, en eentje waar ik altijd naar uitkijk, zijn de uitgaven van een serie die bekend staat als Het model voor de uitgever (later ook wel aangeduid als Een Corvey model). Het zijn werkjes van verschillende grootte en uitvoering, maar allemaal hebben ze een gemeenschappelijk doel. Dit onregelmatig verschenen tijdschrift werd uitgegeven door de Amsterdamse papiergroothandel C.G.A. Corvey en was bedoeld om de ontvangers te laten zien wat de mogelijkheden waren van het bij Corvey beschikbare papier. In zoverre verschilt dat doel niet veel van de uitgaven van Trio en Proost en Brandt.

Het Model voor den/de Uitgever

Wat deze serie interessant maakt is dat deze Modellen, zoals Huib van Krimpen zegt in zijn essay dat voorafgaat aan de chronologische bibliografie van deze uitgaven (zie afbeelding),

Een afspiegeling [zijn] geworden van de Nederlandse boektypografie in het midden van de twintigste eeuw in al haar verschillende aspecten.

Shoutout overigens bij deze naar de Maastrichtse boekenkelder, één van de grootste, de best gesorteerde en meest vriendelijke geprijsde tweedehands boekenwinkels waar ik ooit was. En waar ik afgelopen zaterdag deze uitgave vond, naast een Model dat ik nog niet had plus nog meer schatten (waarover een andere keer meer). 
Dat de serie Modellen de genoemde status heeft bereikt is te danken aan één man, Johan van Eikeren, die volgens wederom Van Krimpen kan worden gekenschetst als “een warm-voelend, breed ontwikkeld man van goede smaak.”  Van Eikeren werkte bijna zijn hele werkzame leven bij Corvey en bedacht als reclamechef deze Modellen. Hij was nauw betrokken bij de productie ervan: hij was redacteur van de serie, verzorgde meestal de typografie en was ook als auteur, illustrator  en vertaler nauw betrokken. Onder het pseudoniem A. Nonymus vinden we van Eikeren regelmatig terug in het colofon van de uitgaven. Kortom, Johan van Eikeren wás het Model voor de Uitgever en het was dan ook niet onlogisch dat de serie acuut stopte toen Van Eikeren in 1969 overleed. Overigens was Van Eikeren op meer gebieden actief dan alleen bij Corvey: hij verzorgde de typografie van enkele uitgaven van de Wereldbibliotheek, was betrokken bij kerstnummers van Grafisch Nederland en verzorgde tijdens de Tweede Wereldoorlog enkele clandestiene uitgaven
Foto afkomstig uit
Het model voor de uitgever
van Johan H. Van Eikeren
.

Het overlijden van Van Eikeren en het stoppen van de serie, was tevens het moment dat Corvey opging in Scaldia Papier. Daar is jaren later een soort opvolger van de Modellen ontwikkeld onder de titel Scaldia Model, waarvan slechts vijf nummers zijn verschenen. In de eerste nummer van Scaldia Model heeft Van Krimpen het essay geschreven wat ik hiervoor aanhaalde. Dit Scaldia Model 1 verscheen in 1983, bij gelegenheid van de tentoonstelling in museum Meermanno van de Corvey modellen. In museum Meermanno is een vrijwel complete collectie van de Corvey modellen beschikbaar. Er is ook een uitgebreide Wikipedia-pagina met de lijst van uitgaven, voor een belangrijk deel ontleend aan de lijst in het Scaldia Model.

Maar de toewijding en inzet van Van Eikeren leidden er dus toe dat deze verzameling van 157 Modellen uitgroeide tot een markante en veelzijdige reeks, waaraan tal van auteurs, ontwerpers en illustratoren hun medewerking verleenden. En trouwens ook drukkers, Van Krimpen gaat in zijn essay in op de drukkers die meewerkten aan deze uitgaven. Drukkers wilden graag meewerken omdat het belangrijke opdrachten waren die ook positief op hen afstraalden. Uiteindelijk werden 25 verschillende drukkerijen ingezet.

De uitgaven bestrijken vele onderwerpen, soms is het (vertaald) proza, soms zijn bijdragen over kunstenaars of over boekhistorische onderwerpen. Een interessante subcategorie zijn de uitgaven die ter gelegenheid van de Boekenweek werden gemaakt; jarenlang werd een speciale uitgave van het Model gemaakt passend bij het thema van de boekenweek of waarin bijvoorbeeld een tijdens het boekenbal uitgesproken tekst of gespeelde toneeltekst werd afgedrukt. Kortom, de uitspraak van Van Krimpen dat de Modellen een unieke weergave van een tijdperk zijn is in dat opzicht meer dan terecht. Voor mij betekent deze reeks ook een kennismaking met auteurs waar ik nog nooit van had gehoord. Zoals Luisa Treves, André Kuyten of Piet Apol. Aan de andere kant maken wereldberoemde auteurs deel uit van de serie, zoals Franz Kafka, Oscar Wilde of Truman Capote. En dan natuurlijk een aantal goede bekenden van wie ik al verschillende titels in mijn 'boeken over boeken'-collectie heb: Herman de la Fontaine Verwey, Gerrit Ovink en Wim Simons.   

Mijn collectie

Ik schreef hierboven dat de er 157 Modellen zijn. Dat is niet helemaal correct: de nummering loopt tot 157, maar er zijn tal van 'extra' uitgaven gesignaleerd. In de lijst van Van Krimpen of andere overzichten worden deze dan aangeduid met een extra letter. Soms is er een bijlage bij een Model die is 'gepromoveerd' tot separate uitgave en soms is er een gelegenheidsuitgave gemaakt, die tussendoor aan relaties van Corvey werd gestuurd. Bijvoorbeeld: in februari 1949 verscheen deeltje 58, een heruitgave van een tekst van Justus van Effen. Als 58a staat in de lijst een jubileumuitgave, verschenen bij het 12,5 jaar bestaan van de Modellen, eveneens in februari 1949. Deze was niet gepland door Corvey, maar verscheen op verzoek van een relatie die vond dat er toch aandacht aan zo'n jubileum moest worden besteed. Het ingelaste werkje kreeg de titel Van een niet zo belangrijk jubileum. Vervolgens verscheen in april 1949 deeltje 59. Een andere voorbeeld: deeltje 84 verscheen in juni 1953, een tekst van Thornton Wilder. Als 84a staat de bijlage bij deze uitgave genoemd, een zelfstandige tekst van Alberto Tallone. Deze bijlage bevat vervolgens weer een inlegvel, die niet apart wordt genummerd. Begrijpt u het nog? Al met al moet worden dus uitgegaan van circa 165 separate uitgaven en een onbekend aantal losse bijlagen.

Van de lijst met 157 /165 Modellen bezit ik er momenteel 41, ongeveer een kwart dus. Ik koop ze op boekenmarkten, in antiquariaten, soms in kringloopwinkels en via Marktplaats. De oudste uitgave van de serie in mijn collectie is uit 1946, het is nummer 40 in de reeks. Het is trouwens ook een uitgave met misschien wel de langste titel:

Pleidooi voor het schone boek, mitsgaders een oproep aan de Nederlandse uitgevers jaarlijks de vijftig bestverzorgde boeken weer bijeen te brengen en daarvan tentoonstellingen te doen houden, dit alles ter verbreiding en ter aanmoediging van de boekkunst in Nederland en tot profijt van allen werkzaam in de grafische vakken. Het was het tweede naoorlogse deeltje van “het herrezen model voor de uitgever”. Van Eikeren laat hierin zijn betrokkenheid bij het boekenvak zien en pleit voor hervatting van een jaarlijkse tentoonstelling die voor de oorlog een aantal keer had plaatsgevonden. Uiteindelijk zou vanaf 1949 onder auspiciën van de CPNB jaarlijks een selectie van de vijftig bestverzorgde boeken plaatsvinden (tegenwoordige zijn het er trouwens jaarlijks 33, die door een aparte stichting worden geselecteerd). 

Dit deeltje is dan misschien de oudste in mijn collectie, maar het is niet mijn oudste Corvey-gerelateerde werkje. Ik bezit één van de door Van Eikeren verzorgde clandestiene uitgaven, Het lied der minne van vroeger en nu uit 1944. Een andere Corvey-gerelateerde uitgave vind ik zelf wel heel bijzonder: gedateerd 5 mei 1945 verscheen een ‘bevrijdingsboodschap’, waarin Corvey de hoop uitspreekt dat de lezer “voor de rampen van de oorlog gespaard is gebleven”, en verder:

dat het een vreugde zal het ons zijn weer te mogen bijdragen in het maken van goed drukwerk en wij zien het als een prachtige taak de Hollandse geest, die niet te temmen bleek, in de schoonheid van ons vak tot uitdrukking te brengen

Of deze boodschap van de hand van Van Eikeren is, is niet te zeggen. De bevrijdingsboodschap start met een citaat uit de Nederlandtsche Gedenck-clanck van Adriaen Valerius uit 1626. Dit was niet voor niets gekozen: de Gedenck-clanck is een serie geuzenliederen die tijdens de Tweede Wereldoorlog populair was onder het verzet. Bovendien is de melodie waarop het Wilhelmus vandaag de dag wordt gezongen afkomstig uit dit boek, in plaats van de oorspronkelijke melodie uit 1570. Koningin Wilhelmina besloot in 1932 dat dit voortaan de officiële melodie van het Nederlandse volkslied zou zijn.

Van Krimpen merkt op dat na de oorlog de Modellen echte boekjes zijn geworden, de typografie gedurfder wordt en de Modellen veel meer worden dan de bedrukte papiermonsters die ze voor de oorlog waren. Dat is ook te zien in mijn collectie: er is zeker geen standaarduitvoering van de Modellen. Het presenteren van de mogelijkheden van Corvey-papier veronderstelt immers ook variëteit in de uitgaven. Ik heb dus kleine boekjes gedrukt op bijbelpapier (nr. 84, teksten van Thornton Wilder, 18x11,5cm), grote boekjes (nr. 118, De eerste bloei van de Noord-Nederlandse kunst, 27,5x20 cm), dwarse boekjes (nr. 104, Van de wijs van Remco Campert, 14x20 cm) - kortom, het gaat alle kanten op. 

Geruime tijd werd er echter wel degelijk gekozen voor een standaardformaat. Een antwoordkaartje in nr. 73 uit 1951 (D.H. Couvée, Van couranten en courantiers uit de 17de en 18de eeuw) legt uit hoe het zit. Dit kaartje blijkt een enquête te zijn over het gewenste formaat van de uitgaven.De tekst is namelijk: 

Op veler verzoek hebben wij voor "Het Model voor de Uitgever" tot het uniforme formaat moeten besluiten waarop het de laatste jaren verscheen. Deze voorkeur voor één formaat werd geuit door diegenen die de jaargangen laten binden of de boekjes in een uniforme serie willen verzamelen. Van hier en daar bereikte ons de laatste tijd echter de suggestie variatie in de afmeting te brengen en toepassingen te geven van de bekende boek-formaten.Wij staan hier nu tegenover twee wensen waarbij het ons moeilijk wordt gemaakt de keus te doen. Het lijkt ons daarom het beste dat onze lezers zelf die keuze bepalen en dat wij dan de meeste stemmen laten gelden.

Waarschijnlijk wees de stemming uit dat de lezers meer variëteit wilden, want vanaf 1952 is elk werkje niet alleen typografisch en inhoudelijk verrassend, maar ook voor wat betreft formaat. Naast de apart genummerde bijzonderheden die ik hiervoor noemde, blijkt uit de overzichten ook dat veel uitgaven een losse bijlage bevatten - een antwoordkaart, boekenlegger of andere tekst. Vaak ontbreken die helaas in de Modellen die nu tweedehands verkocht worden.

Ik bezit weliswaar niet de oudste Modellen, maar wel het laatste deeltje in de reeks, nummer 157: Gesprek met Hans de Cocq, grafisch ontwerper van de NOS, uiteraard van de hand A. Nonymus. Hierin zit gelukkig wel het bijbehorende losse briefje, dat in dit geval het einde van de reeks aankondigt: 

Het Corvey 'Model' dat wij U hierbij aanbieden, moet helaas de in een lange reeks van jaren met succes verschenen uitgave besluiten. Dit Laatste 'Model' - dat door allerlei omstandigheden verlaat van de pers is gekomen - bleek vrijwel persklaar te zijn op het moment van overlijden van de geestelijke vader van deze uitgave, Joh. H. van Eikeren. Een ieder, die het 'Model' kent, weet dat dit zo zeer het persoonlijk stempel van wijlen de Heer van Eikeren heeft gedragen, dat wij zeker in zijn geest handelen door niet te trachten op andere wijze het niveau van zijn uitgave te evenaren. Het is als hommage aan de helaas zo plotseling overleden Heer Van Eikeren dat wij U zijn laatste en ook van ons laatste 'Model' uitbrengen. 

De toekomst

Ik hou ervan om series te verzamelen, en langzaam toe te werken naar compleetheid. Of dat nu de Slibreeks is of de Literaire Juweeltjes, het maakt mij niet uit. Mijn collectie uitgaven van Stichting de Roos die inmiddels bijna 200 boeken en talloze efemera telt is een kwarteeuw geleden begonnen met één aankoop (De Joodse cel, van Bordewijk, uit 1981 - De Roos 118). Met deze reeks Modellen zal ik ook nog wel even bezig blijven. Ik verwacht niet dat de vooroorlogse uitgaven makkelijk te krijgen zullen zijn, maar de naoorlogse reeks - de nummers 39 t/m 157 - zou zeker moeten lukken. Nog maar 79 van de 119 te gaan. 

Naschrift:

Lees ook de volgende bijdragen over de Corvey Modellen met meer bijzondere vondsten: deel 2 en deel 3

11 januari, 2021

312 - Uit de nalatenschap van Adri Offenberg (5): Koppermaandag

In deze vijfde en laatste aflevering van vondsten in de bibliotheek van Adri Offenberg richt ik de schijnwerper op weer een ander type uitgaven. Ik merk bij mijzelf hoe leuk het is om in de verschillende soorten uitgaven te duiken en met achtergrondinformatie te presenteren. Zo blijkt maar weer dat over elk boek een mooi verhaal te vertellen is, en dat dit losstaat van de waarde van het boek. Voor mij is de waarde van een boek niet wat het op een veiling of bij een antiquariaat opbrengt, maar vanuit welke achtergrond het gemaakt is en wat het ons leert. Natuurlijk is over een kostbaar boek ook veel te vertellen, maar ik hou er nu eenmaal van om op onverwachte plekken betaalbare boeken te vinden en die in de spotlights te zetten.

Koppermaandaguitgaven

Deze keer staat een handvol koppermaandaguitgaven centraal. Koppermaandag is de eerste maandag na driekoningen en van oudsher een feestdag voor gilden, waarop de drank rijkelijk vloeide. De naam stamt waarschijnlijk van kopperen dat "feestvieren" of "smullen" betekent, via kop dat staat voor "beker". De enige gilde bij wie koppermaandag als speciale dag intact is gebleven, is het drukkersgilde. En bij dit blog, want deze bijdrage verschijnt op Koppermaandag 2021. Koppermaandaguitgaven zijn dan ook uitgaven met een lange historie: drukkers produceerden al in de 18e eeuw dergelijke uitgaven. Wikipedia verwoordt het als volgt: 

De gezellen van de drukkers drukten als proeve van vakbekwaamheid een speciale prent met een heilwens erop, de Koppermaandagprent, die zij op Koppermaandag aan de meesterdrukkers en de eigenaar van de drukkerij overhandigden. In de 19e eeuw werden koppermaandagprenten aan relaties gestuurd, als geschenk. In de loop van de 20e eeuw ging het ritueel vrijwel verloren, doordat men in plaats van Koppermaandagprenten, Kerst- en Nieuwjaarskaarten ging versturen. Na de Tweede Wereldoorlog werd het gebruik deels weer in ere hersteld. In 1948 gebeurde dat in Haarlem, de stad van Laurens Janszoon Coster, en in 's-Hertogenbosch, Arnhem en Gouda, daarna vanaf 1949 in Drenthe [door Henk Prakke], en later ook in Noord-Brabant, Zeeland en in Groningen. Verscheidene contribuanten van de Stichting Drukwerk in de Marge vervaardigen Kopperuitgaven. 

Een mooie studie van Paul Abels over Goudse koppermaandaguitgaven sinds de 19e eeuw staat hier. Abels schrijft: 

Dergelijke prenten waren oorspronkelijk bedoeld om bij wijze van Nieuwjaarswens door drukkergezellen te laten afgeven bij voorname burgers in de stad, in ruil waarvoor zij een klein bedrag kregen ten behoeve van een te organiseren feest. Een dergelijk gebruik was eind achttiende eeuw populair in veel bredere kring. In Gouda liet de schutterij rond de jaarwisseling bijvoorbeeld ook voor een soortgelijk doel steevast een fraaie prent met gedicht drukken, die langs de deuren verkocht werd.

Een overzicht van 421 koppermaandagprenten uit de periode 1700-1989, voorzien van een historische inleiding, geeft de publicatie van J. de Zoete & M. Versteeg: Koppermaandagprenten. Verkenning van een Nederlandse grafische traditie (1991).

De vijf koppermaandaguitgaven

Ik vond een vijftal koppermaandaguitgaven, alle geproduceerd door Uitgeverij de Buitenkant. Deze kleine collectie laat direct al mooi de diversiteit zien van dergelijke uitgaven. In het verleden hadden koppermaandaguitgaven al uiteenlopende verschijningsvormen: prenten, wandkalenders, kleine boekjes. maar ook deze vijf recente koppermaandaguitgaven van Uitgeverij de Buitenkant zijn heel verschillend.

De uitgave uit januari 2017 is een klein boekje met de titel Nou al uitgecopperd? waarin de koppermaandaguitgaven zelf het centrale thema vormen. Het is dan ook geschreven door Johan de Zoete, dezelfde als die ik hiervoor aanhaalde als auteur van het standaardwerk over koppermaandaguitgaven uit 1991. In dit werkje schrijft hij niet alleen over de geschiedenis van koppermaandaguitgaven, maar beschrijft hij ook zijn frustratie toen hij net na het verschijnen van zijn boek in de kelder van het Koninklijk Verbond van Grafische Ondernemingen (KVGO) een map vol onbekende koppermaandagprenten vond. De uitgave is voorzien van afbeeldingen van talloze koppermaandaguitgaven. De Zoete schrijft:

Het boek [de hiervoor genoemde uitgave uit 1991], met een opsomming van al die drukkerijen, was net uit, het KVGO zelf was medefinancier en -uitgever en nu kwamen deze prenten tevoorschijn! Voor een deel ook nog eens van andere drukkerijen dan we tijdens ons onderzoek hadden kunnen vinden. Het spreekt vanzelf dat ik 'not amused' was om het voorzichtig te zeggen. In het door mij aan het KVGO uitgebrachte rapport kon ik weinig anders dan voorstellen deze prenten onmiddellijk aan de UBA te schenken, maar dat vond men iets te kort door de bocht. Ze zouden ter veiling worden gebracht. Ik vond het een schande. (...) Het lukte de UBA gelukkig om op de veiling alle prenten die we nog niet hadden aan te kopen.

En even verder:

Maar ook het Drukkerijmuseum Meppel had nog een partijtje oude koppermaandagprenten liggen, zo bleek. Dat soort dingen blijkt altijd nadat er een boek over uitgekomen is, nooit daarvóór.

Al deze nieuwe vondsten werden toegevoegd aan de collectie in de UBA, dat daarmee de grootste collectie koppermaandaguitgaven in Nederland bezit. Met enige zelfspot haalt de auteur tot slot naar aanleiding van deze ervaringen zijn eigen standaardwerk aan:

En antiquaren: pas op! U kunt wel zeggen 'not in De Zoete/Versteeg', maar dat wil nog niet zeggen dat die ene prent niet toch al in de collectie van de UBA aanwezig is..

Ik heb deze aanduiding opgezocht en deze wordt inderdaad letterlijk een keer gebruikt door Bubb Kuyper, bij kavel 57 van de najaarsveiling 2018. En de waarschuwing van Johan de Zoete blijkt terecht, want de uitgave waar het over gaat (Hulde aan Laurens Jansz. Koster. Opgedragen aan de instellers van dit Eeuwfeest uit 1823) staat kennelijk niet in het boek van De Zoete, maar is wel degelijk aanwezig in de UBA en wellicht dus door De Zoete kort na publicatie opgevist uit de kelder van het KVGO of bij het Drukkerijmuseum.

De tweede koppermaandaguitgave is uit 2003 en heeft een hele andere vorm: het is de herdruk van het diploma van Lion Cachet uit 1892 op ware grootte. De achtergrond hiervan is de volgende. In 1892 was er een tentoonstelling voor het boekenvak in Amsterdam en aan Lion Cachet, Gerrit Dijsselhoff en Theo Nieuwenhuis was gevraagd een diploma in hout te snijden. De opdrachtgevers waren niet blij met het resultaat. "Alle nieuwe kunst wordt eerst niet begrepen", werd toen gezegd en dat is dan ook de titel van het boek dat Ernst Braches over deze diploma's schreef en dat in 2003 bij Uitgeverij de Buitenkant is verschenen. De titel verwijst naar de Nieuwe Kunst, oftewel de Nederlandse Art Nouveau, waarvan deze diploma's zo ongeveer aan de basis stonden. Deze koppermaanaguitgave schetst de achtergrond van het verschijnen van het boek van Braches op een vouwblad, en voegt daarbij dus de facsimile van het diploma van Cachet.

De derde uitgave is uit 2016 en ook deze is weer heel anders van opzet. Het is een hommage aan de typograaf en letterontwerper Bram de Does, die eind 2015 overleed. Op bijna transparant papier is een fraai ontwerp van Bram de Does gedrukt, vergezeld van een aanbiedingskaartje. Over Bram de Does is veel meer te vertellen dan ik in een paar terloopse zinnen zou kunnen doen. Belangrijk om te vermelden is dat hij de ontwerper is van de bekende letters Trinité (1982) en Lexicon (1992) die veelvuldig worden gebruikt in boeken, tijdschriften en kranten en geroemd worden om de gedetailleerde uitvoering. De Lexicon is bijvoorbeeld gebruikt als letter voor Van Dale's Groot woordenboek uit 1992.

Ook de vierde uitgave is gerelateerd aan Bram de Does. De uitgave Kaba-ornament uit 2005 is wederom een voorproefje van een later te verschijnen werk over het Kaba-ornament, waar De Does drie decennia mee had geëxperimenteerd. Deze uitgave bestaat grotendeels uit reproducties van de schetsen van experimenten van Bram de Does met één asymmetrisch ornament en zijn spiegelbeeld. De tekst in het boekje is uiteraard gezet in de door De Does ontwerpen letter Trinité.
De vijfde koppermaandaguitgave heeft ook typografie als onderwerp en bevat wederom een tekst van Johan de Zoete, net zoals de eerste uitgave die ik noemde. Deze tekst, uit 2014, is de inleiding op een herdruk van een aantal pagina's uit een letterproef van Frederic Nelson Phillips uit 1929. Dit boek (dat hier integraal door te bladeren is), toont niet alleen verschillende lettertypen van de drukkerij van Phillips maar ook de toepassing ervan in diverse teksten, advertenties, etc.. Het boek kwam in 2013 in het bezit van De Zoete. Het enthousiasme voor de kwaliteit van die uitgave leidde tot deze koppermaandaguitgave, waarbij vervolgens de lezer werd uitgedaagd om een eigen letterproef te maken van een favoriete letter. De Zoete schrijft:
Van de tien mooiste inzendingen maken wij de Koppermaandaguitgave 2015. Sluiting voor de inzending is 1 december 2014. De mooiste inzending komt in aanmerking voor de eerste Nelson Phillips Bokaal, die uiteraard uitgereikt zal worden op Koppermaandag 2015.
Het is mij niet bekend of deze bokaal ooit is uitgereikt. Naast deze vijf koppermaandaguitgaven vond ik geen andere bij Adri Offenberg dus helaas mis ik de uitgave van 2015. Ook online is hier geen vermelding van te vinden. 

Ik vind het mooi om te zien hoe de verschillende koppermaandaguitgaven van De Buitenkant het drukkersvak en typografie centraal zetten. Helemaal volgens de traditie van dergelijke uitgaven. 

Tot slot

Het was leuk om door het stapeltje boeken heen te graven dat ik mocht meenemen uit de nalatenschap van Adri Offenberg en de achtergrond ervan uit te lichten. Het is daarmee een kleine hommage geworden aan iemand die ik nooit persoonlijk heb gekend, maar van grote betekenis is geweest voor het boekenvak en een boekenverzameling achterliet die de oogst was van een leven lang verzamelen. Natuurlijk zijn deze uitgaven die ik in de afgelopen vijf blogs heb uitgelicht in het geheel niet representatief voor de bibliotheek zoals die oorspronkelijk was of voor de kwaliteit van boeken die er in stonden. Maar deze kleine selectie maakt wel duidelijk dat het een veelzijdige bibliotheek was. En voor mij vormen deze boeken hoe dan ook een waardevolle aanwinst van mijn bibliotheek. En ik hoop te hebben laten zien dat over werkelijk elk boek een verhaal te vertellen is omdat even graven tal van interessante feiten blootlegt over herkomst, context of betekenis van de boeken. En dat is wat verzamelen van boeken zo boeiend maakt.