Posts tonen met het label ephemera. Alle posts tonen
Posts tonen met het label ephemera. Alle posts tonen

03 september, 2021

322 - Klein toneelarchief op Marktplaats

Schreef ik eerder al over efemeer drukwerk dat ik opdook bij de voorjaarsveiling van Bubb Kuyper, deze keer een stukje over een nieuwe stapel efemere uitgaven. De stapel kwam dit keer niet van een veiling, maar gewoon van Marktplaats.

Scrollen door advertenties op Marktplaats vraagt veel geduld, maar levert bij tijd en wijle mooie dingen op. Zo viel mijn oog onlangs op een advertentie met de titel "klein archief Haagse Comedie" voor de verbluffende prijs van 1 euro. In de beschrijving werd aangegeven dat het ging om een soort van historisch archief van producties van de Haagse Comedie (en een paar andere gezelschappen). Ik schreef al eerder over de Haagse Comedie waar ik ooit een jaar op kantoor werkte, en daarna nog een tijd als verkoper van tekstboekjes tijdens voorstellingen. Ook vorige keer was sprake van een mooie Marktplaatsvondst. Vanuit jeugdsentiment blijf ik echter geïnteresseerd in dit historische gezelschap, en zo kwam het dat ik deze advertentie zag.

De deal met de aanbieder was supersnel gemaakt: ik hoefde uiteindelijk alleen maar de verzendkosten te betalen voor deze collectie, verder wilde ze er niks voor hebben. Niet eens de ene euro dus. Dit maakte mij natuurlijk wel nieuwsgierig: wat was het verhaal achter deze advertentie? Was dit afkomstig van een oud-medewerker van het gezelschap? Was er nog meer materiaal beschikbaar? En waarom voor zo'n laag bedrag op Marktplaats?

Het klein archief bleek afkomstig te zijn van een recent overleden familielid van de aanbieder. Dit familielid had altijd een passie voor theater gehad. Zij had de programmaboekjes en informatie over voorstellingen die zij bijwoonde al die jaren bewaard en dat werd zo een indrukwekkende stapel. Dat deze bezoeker een passie voor theater had bleek ook wel uit de enorme hoeveelheid folders en boekjes. Nadat ik het op jaar had gesorteerd, zag ik dat zij meerdere keren per seizoen een voorstelling bijwoonde. Dat was eenvoudig te achterhalen omdat op de programma’s vaak met pen de datum had geschreven waarop ze de voorstelling had bijgewoond. Op verschillende plekken waren krantenknipsels ingevoegd met de recensie van het stuk. Bij het opruimen van de boedel vonden de nabestaanden deze stapel en was het idee eerst om het weg te gooien. Maar de aanbieder vermoedde dat er nog wel iemand interesse in zou kunnen hebben, en dat was goed gedacht: ik ben blij dat deze programma’s nu bij mij in de kast staan.

Intermezzo: een Haagse verhalenbundel

Terwijl ik deze Haagse theaterherinneringen aan het sorteren was, herinnerde ik mij een passage uit het boek dat ik op dat moment aan het lezen was: Het verdriet van Eline van Jan Paul Bresser (een mooi gesigneerd exemplaar). Dit boek is een bundeling verhalen over levens van (oudere) mensen in de Haagse binnenstad en staat vol met verwijzingen naar kenmerkende Haagse plaatsen en gebeurtenissen. De verhalen zijn een feest van herkenning en bevatten allerlei terloopse opmerkingen die je alleen herkent als je uit Den Haag komt. Onvermijdelijk komen de hoofdpersonen dan natuurlijk ook in de mooiste schouwburg van Nederland, de Koninklijke Schouwburg. In het titelverhaal staat de volgende passage (p. 60):

Vlak na haar huwelijk op 9 mei 1960, op de dag dat ze twintig werd, had Eline met de grote liefde van haar leven, Karel van Nieuwenhuyzen, een mooi huis in de Juffrouw Idastraat betrokken. Ze waren jong en wilden in het oude centrum wonen, dicht bij het Lange Voorhout en de Hofvijver en de Koninklijke Schouwburg, waar ze alles van de Haagsche Comedie probeerden te zien en genoten hadden van De Kersentuin met die ontroerende Ida Wasserman en die prachtige Paul Steenbergen. Ze waren heimelijk verliefd op hun favorieten, de jeune premier Guido de Moor en de veelbelovende Anne Wil Blankers.

Het is niet helemaal duidelijk naar welke uitvoering van De Kersentuin Bresser verwijst. Uit de online theaterencyclopedie leer ik dat dit stuk met deze bezetting meerdere keren is opgevoerd in die periode: allereerst in 1953 (maar toen was de hoofdpersoon 13, dat lijkt mij onwaarschijnlijk gegeven het verhaal) en ook nog in 1960 en 1961. Die laatste uitvoeringen passen mooi in dit verhaal.

Programma’s uit de jaren ‘60 en ‘70

In het stapeltje programma’s dat ik kreeg zat helaas niet die van de Kersentuin uit begin jaren ‘60. Dat zou wel een heel mooi toeval zijn geweest: de aanwezigheid van deze toneelliefhebber bij dezelfde voorstelling als een fictief romanpersonage. Of misschien was ze er wel, maar bewaarde ze toen nog niet de programma’s van voorstellingen waar ze was geweest.

Het oudste exemplaar uit de stapel stamt uit het seizoen 1964/1965 en is van de voorstelling Er is een moord gepleegd van Jack Popplewell. Ook in dat stuk speelde Ida Wasserman, maar zonder Paul Steenbergen. De ‘jeune premier’ Guido de Moor en de ‘veelbelovende’ Anne-Wil Blankers speelden niet mee in die voorstelling zodat de verliefde Eline en Karel ze die avond hebben moeten missen. Hoewel Guido de Moor al vanaf 1962 aan de Haagsche Comedie was verbonden, kom ik hem voor het eerst tegen in het programma van de voorstelling Cactusbloem van Pierre Barillet en Jean-Pierre Grédy uit seizoen 1964/1965. Anne-Wil Blankers (door Bresser ten onrechte zonder koppelteken geschreven) kom ik voor het eerst tegen in het programma van het blijspel School voor vrouwen van Molière uit seizoen 1966/1967, Hoewel ook zij dan al een aantal jaar voor de Haagsche Comedie actief is.

In de eerste paar jaren van de stapel kende de Haagsche Comedie nog geen eigen programma’s. Het programma was een vouwblad in een algemeen programma van het seizoen van de Koninklijke Schouwburg, waar de gezelschappen in werden genoemd die dat seizoen in Den Haag te zien zouden zijn. In 1964/1965 waren dat naast de Haagsche Comedie onder meer de Nederlandse Comedie, Toneelgroep Ensemble en de Nieuwe Komedie. Daarnaast bevatte het boekje advertenties van typisch Haagse bedrijven, zoals voor de Elizabeth Arden-salon aan de Plaats in Den Haag (Le charme souverain d’une coiffure nouvelle!) en voor de modieuze bontmantels en stola’s van Reimer in de Annastraat (passend bij uw persoonlijkheid). Aan de advertenties is duidelijk te zien dat het beoogde publiek de Haagse notabelen zijn die geacht worden een goede en dure smaak te hebben als het gaat om eten, kleding en uiterlijke verzorging.

De programma’s veranderden in seizoen 1967/1968. In het programma voor Zo is het van Luigi Pirandello (ter gelegenheid van diens honderdste geboortedag) lees ik: 

Met ingang van het seizoen 1967/1968 gaat De Haagse Comedie haar programma’s zelf exploiteren. Het ligt in de bedoeling ons publiek via deze publikatie zo uitgebreid mogelijk te informeren omtrent de activiteiten van ons gezelschap, het repertoire en alles wat daarmee samenhangt.

Sowieso is dat seizoen er een van grote veranderingen. Er lijkt namelijk ook definitief afscheid te worden genomen van de ch in de naam (Haagsche wordt Haagse). In de jaren daarna verandert het programma regelmatig van vorm: eerst een langwerpig boekje, dan een paar jaar een nog langwerpiger (en erg onhandig) vouwblad en vervolgens nog een paar jaar een vierkant boekje. Het laatste programmaboekje in de stapel stamt uit 1977 en is van Carlo Goldoni’s De Waaier. In die 13 jaar zijn er programma’s van 51 voorstellingen aanwezig - gemiddeld zo’n 4 per seizoen. Grappig genoeg start mijn eigen collectie tekstboekjes van de Haagse Comedie in 1978, met het tekstboekje Julius Caeasar van Shakespeare. Zo sluiten beide collecties mooi op elkaar aan: van 1964-1977 programma's en van 1978-1988 tekstboekjes. Nog een grappig toeval: het laatste tekstboekje is ook weer van Carlo Goldoni, dit keer het stuk Wie trouwt de weduwe?. Dat was trouwens niet de laatste voorstelling van de Haagse Comedie. Het gezelschap sloot af met het stuk Happy End. En daarna werd het opgeheven en werd het stokje overgepakt door Het Nationale Toneel, dat nog steeds bestaat.

25 jaar Haagse Comedie

In de periode waar ik nu de programma's van heb, viel ook het 25-jarig jubileum van de Haagse Comedie - in 1972. Ik had het jubileumboek uit die periode al staan, maar nu heb ik ook het programma van de jubileumvoorstelling Ter ere van van David Storey. Niet alleen was dit het 25-jarig jubileum van het gezelschap, maar ook van de carrière van Ida Wasserman bij het gezelschap: een dubbel jubileum dus. Ida Wasserman speelde dan ook met Ko van Dijk de hoofdrollen in het stuk. In het stapeltje programma\s zaten ook nog twee folders met informatie over de beide hoofdrolspelers die waren uitgegeven ten tijde van deze jubileumvoorstelling.

Wie goed naar het omslag van het jubileumboek 25 jaar Haagse Comedie kijkt ziet daar het aanplakbiljet voor de voorstelling van Ter ere van. Bijzonder is ook dat Jan Paul Bresser - die in het citaat hierboven de hoofdpersonen in zijn verhaal naar voorstellingen van de Haagse Comedie liet gaan - een bijdrage aan dit jubileumboek heeft geleverd. Hij schreef een hoofdstuk over Carl van der Plas. Andere hoofdstukken in het jubileumboek zijn geschreven door Hella Haasse, Simon Carmiggelt en Pierre H. Dubois.

Volgens een aantekening op het programma ging de toneelliefhebster op 30 september 1972 naar de jubileumvoorstelling. Het was volgens het weerbericht een licht bewolkte maar droge dag geweest, met een temperatuur van zo'n 10 graden. Of het een fijne theateravond is geweest is niet helemaal zeker. Ik lees namelijk in het jubileumboek Haagse Comedie 40 jaar dat het niet zo'n beste uitvoering was (p. 70):

Met Ter ere van werd het vijfentwintigjarig bestaan van de Haagse Comedie gevierd. Sober. En ironisch. Het stuk ging ook over een jubileum - een veertigjarig huwelijk, maar werd het tegendeel van een feest. Bovendien viel de kwaliteit van het stuk - niet het peil van het spel, met Ida Wasserman en Ko van Dijk - tegen na de hoge verwachtingen die in 1971 zijn Mooi weer vandaag gewekt had.
Met die première werd ook gevierd dat Ida Wasserman behalve vijftig jaar aan het toneel, ook vijfentwintig jaar bij de Haage Comedie was. Zij kreeg de zilveren legpenning van Den Haag.

Overige voorstellingen

Programma van de voorstelling
Droom van een midzomernacht
Naast de programma’s van het vaste repertoire van Haagse Comedie zijn er nog wat folders van andere voorstellingen en gezelschappen aanwezig. Een dissonant tussen al deze toneelvoorstellingen is een uitstapje naar John Lanting’s Theater van de Lach. Dit lijkt qua genre helemaal niet te passen bij de rest van de bezochte voorstellingen. Maar de voorstelling was wel in de Koninklijke Schouwburg, dus misschien trok dat deze liefhebster over de streep. Verder is er een enkel programma van het Nieuw Rotterdams Toneel en Zuidelijk Toneel Globe. Deze liefhebster ging naar allerlei interessante stukken in de Koninklijke Schouwburg, zo lijkt het. Maar ook daarbuiten: er is ook een informatiemap uit 1974 van het stuk August, August, August van Pavel Kohout uit 1974, dat werd opgevoerd in het HOT in Den Haag. Een bijzonder programma is dat van de voorstelling Droom van een Midzomernacht dat op verzoek van het Haagse Gemeentebestuur werd geënsceneerd ter gelegenheid van de ondertrouw van Beatrix en Claus. Het stuk moest worden uitgevoerd door de jongere leden van de Haagsche Comedie, en uiteraard zitten daar Guido de Moor (als Lysander) en Anne-Wil Blankers (als Helena) bij. In het programma staat over deze voorstelling:

Een gelukkiger keuze kan men zich voor deze gelegenheid nauwelijks voorstellen: een feestelijk blijspel over jonge liefde, gespeeld door jonge mensen, ter ere van een jong paar.

Deze uitvoering ging in februari 1966 in première, een maand voordat het huwelijk tussen Beatrix en Claus werd gesloten. Bij de spelers staan een paar namen die later veel bekendheid kregen door TV-series: Manfred de Graaf (als Demetrius) kreeg later grote bekendheid door Zeg ‘ns AAA en Gaston van Erven (als Knus de schrijnwerker) had later rollen in de series als Medisch Centrum West en Vrienden voor het leven.

Bladerend door al deze programma’s blijkt nog maar eens wat een legendarisch toneelgezelschap de Haagse Comedie is geweest. Zoveel grote namen hebben daar gespeeld en zoveel talent is daar doorgebroken om later bij andere gezelschappen, in films en TV series te spelen. En zoveel klassiekers uit de theatergeschiedenis zijn door het gezelschap op de planken gebracht. Het fijne van al deze programma’s uit de pre-Wikipedia-periode is dat je niet alleen informatie krijgt over wie er speelt, maar ook achtergrondinformatie over de auteur en het stuk. Een vaste bezoeker van het theater kreeg zo door de jaren heen een behoorlijke hoeveelheid theatergeschiedenis mee. Niet verwonderlijk dus dat al deze programma’s bleven bewaard - als herinnering aan een mooie avond maar zeker ook als naslagwerk voor informatie over talloze auteurs, acteurs en toneelstukken.

25 juni, 2021

320 - Bibliofiele ephemera - blootgelegde publicatiegeschiedenis

Wie boeken verzamelt stuit onvermijdelijk van tijd tot tijd op efemeer drukwerk die gerelateerd is aan de verzameling. Efemeer drukwerk (ephemera) zijn publicaties die bedoeld zijn voor kortstondig gebruik of om kortstondig bewaard te blijven. Geen kernpublicaties dus, maar zaken als folders, flyers, reclamebrochures, strooibiljetten, toegangskaartjes, etc. Het begrip efemeer komt van het Grieks en betekent zoveel als 'bestemd voor een dag' of 'kort levend'. Soms vind je efemeer drukwerk in boeken - als boekenleggen. Soms wordt efemeer drukwerk ook apart verzameld en verhandeld (check de Ephemera Society in zowel Amerika en Engeland). Als ik op die sites kijk naar hoe efemeer drukwerk wordt beschreven en welke voorbeelden er van zijn, dan kan je je afvragen of het onderscheid tussen efemeer en niet-efemeer eigenlijk nog wel te maken is. Juist omdat efemeer drukwerk zo'n mooi beeld geeft van de tijd waarin het werd gepubliceerd: doordat het werd bedoeld voor alledaags gebruik, moet het ook precies aansluiten bij de cultuur van dat moment. Maar daardoor zijn het vaak prachtige drukwerken - en schaars, omdat ze per definitie snel werden weggegooid.

Het onderscheid tussen efemeer en niet-efemeer vind ik zelf bijvoorbeeld lastig bij catalogi van uitgeverijen te maken. Catalogi zijn in principe bedoeld als publicaties voor kortstondig gebruik, namelijk het fonds dat op dat moment beschikbaar is maar morgen niet meer - efemeer dus. Toch heb ik verschillende catalogi die meer bevatten dan een opsomming van beschikbare boeken van een uitgever. Neem bijvoorbeeld een catalogus van de Franse bibliotheek van Van Oorschot met een essay van Rudy Kousbroek. Of een uitgave van Athenaeum, Polak & Van Gennep over de Gouden Reeks waarin naast een lijst met beschikbare delen extra informatie over die reeks staat. Op zo'n moment wordt de inhoud voor mij tijdlozer, relevanter en dus als zelfstandige publicatie interessant. Trouwens, ik bewaar ook diverse catalogi van uitgeverijen die niet meer bevatten dan een opsomming van het fonds omdat ik het fonds zelf interessant genoeg vind. Net zoals ik twee verschillende folders heb met een opsomming van beschikbare titels in de Slibreeks, die ik liefdevol bij deze reeks bewaar. Het is zoals altijd weer een moeilijk te maken onderscheid en het gaat om: wat heeft toegevoegde waarde in je verzameling?

Een veilingkavel met efemeer drukwerk

Het gewonnen sigarendoosje
Bij de laatste veiling van Bubb Kuyper (voorjaar 2021) bood ik op een kavel dat vooral bestond uit nieuwjaarsgeschenken van Stichting de Roos en Chris Leeflang. Op zich is dat drukwerk dat ik zeker niet efemeer zou willen noemen, omdat het vaak zorgvuldig vormgegeven en gedrukte uitgaven zijn die het niveau van een gemiddelde kerstkaart ver overstijgen. Vaak bevatten deze nieuwjaarsgeschenken originele afbeeldingen of zijn ze typografisch interessant, zodat ze in feite als officieuze De Roos-uitgaven kunnen worden beschouwd. Toch zijn ze wel degelijk bedoeld voor kortstondig gebruik en om die reden nu misschien wel schaarser dan de reguliere uitgaven van De Roos. Deze nieuwjaarswensen zullen in veel gevallen toch weggegooid zijn, in tegenstelling tot de boekuitgaven van De Roos. Ik werd in elk geval enkele tientallen mooi vormgegeven nieuwjaarsgeschenken rijker: de ene keer een klein boekje, de andere keer een vouwblad of een kaart. Soms met alleen tekst, dan weer met een mooie houtsnede of anders geïllustreerd. 

Het fijne van veilingen is dat er in zo'n verzamelkavel ook nog wel een paar extra verrassingen kunnen zitten. In dit geval zaten de nieuwjaarsgeschenken in een oud sigarendoosje aangevuld met verwante uitgaven, die wel degelijk in de categorie 'ephemera' vallen: algemene brieven van het bestuur van Stichting de Roos aan de leden, aankondigingen van tentoonstellingen of de jaarlijkse lunch voor de leden van De Roos. O ja, en een dissonant waar ik blij van werd: de Stols uitgave Carole en Latin uit 1934, bij wijze van nieuwjaarsgeschenk gemaakt en voorzien van een mooie houtgravure van J. Buckland Wright. Dit moet tweedehands al snel zo'n €65 opbrengen.

De originele circulaire bij de oprichting van Stichting de Roos 

Eén van de voor mij meest spectaculaire en onverwachte vondsten in het sigarendoosje was de vier pagina's tellende circulaire of prospectus uit 1945 waarin het voornemen om "een kring van bibliofielen te stichten" door Chris Leeflang, Charles Nypels en Bep van Wees wordt verwoord. Daarmee is dit de eerste vermelding van de plannen voor wat de Stichting de Roos zou worden. Een idee dat was gerijpt in de oorlogsjaren en nu door de drie oprichters bekend werd gemaakt om te peilen of er belangstelling voor zou zijn. Deze circulaire wordt in de standaard introductieteksten van Stichting de Roos steevast aangehaald met vermelding dat deze later is afgedrukt in de catalogus 10 jaar De Roos (De Roos 37). Dit blijkt na vergelijking van beide teksten echter niet het geval: in de catalogus staan weliswaar een paar kerncitaten uit de circulaire, maar niet de integrale tekst ervan. Dat is jammer, want er zijn toch wel wat interessante verschillen tussen de oorspronkelijke plannen van de oprichters en de uiteindelijke uitvoering. Ik heb de integrale tekst ook nergens online kunnen vinden: je komt er alleen achter als je de circulaire zélf bezit. Je kunt je mijn enthousiasme dus wel voorstellen!

125 of 175 leden?

Zo blijkt uit de oorspronkelijke circulaire dat het doel was "een stichting, waarin zij maximum één honderd en vijf en twintig deelnemers willen vereenigen". Het aantal van 175 leden dat later is gekozen, ontstond door de grote belangstelling voor deelname aan deze "kring van bibliofielen". In de  uitgave 125 Rozen (De Roos 126) uit 1983 schrijft Chris Leeflang dat het maximum van 175 leden binnen enkele dagen na publicatie van de circulaire was bereikt, en dat er vervolgens nog een wachtlijst van circa 100 belangstellenden was. Ook in de jubileumuitgave In beperkte oplage (De Roos 166), gemaakt door Matthieu Lommen en Karen Polder bij het 60-jarig bestaan van De Roos wordt van een start met 175 leden gerept. Maar in eerste instantie was het blijkbaar helemaal niet de bedoeling om tot 175 leden te komen!

Wanneer de keuze is gemaakt om van 125 naar 175 leden  te gaan is voor mij niet meer te achterhalen en ik kan er geen publicaties over vinden. Een andere mooie vondst in het sigarendoosje gaf nog wel iets meer informatie. Ik vond een briefje van De Roos aan één van de gelukkigen die wél bij de eerste leden hoorde. Daarin wordt wat toelichting gegeven:

De belangstelling tot deelneming aan De Roos was zóó groot dat wij ons genoodzaakt hebben gezien het aantal leden onherroepelijk te bepalen op ten hoogste 175. Wij vertrouwen dat hiertegen Uwerzijds geen bezwaren gemaakt zullen worden terwijl u natuurlijk het recht heeft zich terug te trekken indien U tegen onze beslissing wel bezwaren mocht hebben.
In aansluiting op bovenstaande mededeeling kunnen wij U thans berichten dat wij U onder no. 4 ingeschreven hebben als lid van de Stichting De Roos.

In de circulaire stond al dat het aantal van 125 leden “onherroepelijk” was, maar dat bleek toch niet zo definitief te zijn als werd gesuggereerd. Uiteindelijk is het aantal leden van De Roos sindsdien altijd 175 gebleven, dus het tweede getal was in elk geval wel onherroepelijk. Gelet op de eerste reacties had het bestuur kennelijk ook voor een ander getal kunnen kiezen: 200 of 250 had makkelijk gekund. Maar dan was het lidmaatschap nog minder exclusief geweest dan het nu al is.

Het tijdschrift "De Harp"

De Harp I (1946) en II (1948)
In de circulaire wordt ambitieus gerept van de lancering van het tijdschrift De Harp dat driemaal per jaar zou verschijnen en zou worden gevuld met "zeer selectief uitgekozen, ongepubliceerde poëzie". De bedoeling was dat aan elk nummer "minstens één blad waardevolle, origineele grafiek" zou worden toegevoegd. Ook zouden in het tijdschrift mededelingen over de activiteiten van de Stichting worden gedaan. Elke jaargang van drie nummers zou door één typograaf worden verzorgd op één formaat, waarbij de leden werden geacht zelf elk jaar de drie nummers te laten inbinden. Elk volgend jaar zou het formaat verschillen, "om iedere kans op monotonie ten eenen male bewust en bedoeld te ontloopen". 

Het ambitieuze tijdschrift De Harp bleef uiteindelijk beperkt tot twee nummers die beide als uitgaven van De Roos zijn gepubliceerd, overigens in uniforme binding (De Roos 3 en 9). Dat er maar twee nummers waren was een grote teleurstelling van de redactieleden Jan Engelman, M. Nijhoff en A. Roland Holst. Maar zij waren sowieso al tamelijk gefrustreerd doordat de verschijning van het eerste nummer zo moeizaam plaatsvond, en de productie van het tweede nummer helemaal een lijdensweg was. Zodat men er daarna dab ook opgelucht de brui aan gaf. Lily Hunter schreef een lezenswaardig verslag van de opkomst en ondergang van De Harp op basis van briefwisselingen tussen de redactieleden en Chris Leeflang, in een artikel in het literaire tijdschrift Zacht Lawijd. De integrale tekst van dat artikel staat hier. De oplopende frustratie tussen de redactie en het bestuur van De Roos is hier goed te volgen.

Nooit gemaakte uitgaven

Naast koerswijzigingen op het gebied van het aantal leden en de continuïteit van het tijdschrift, zijn ook niet alle plannen voor de te verschijnen uitgaven uitgevoerd. Sowieso blijkt het starten met publicaties een uitdaging in de naoorloogse jaren, vanwege de enorme papiertekorten. Zie maar eens aan voldoende papier te komen om de gedroomde mooie boeken te kunnen maken. En ook nog betaalbaar: de leden was beloofd dat zij 100 gulden per jaar kwijt zouden zijn als lid van De Roos en dat budget mocht niet overschreden worden. Vandaar dat het tot 1946 duurde tot de eerste uitgaven verschenen. In de uitgave 125 Rozen vertelt Chris Leeflang nog een hilarisch verhaal over hoe Charles Nypels buiten medeweten van de andere bestuursleden om voor 20.000 gulden papier koopt, die uiteindelijk kon worden gefinancierd via Chris Leeflang als directeur van boekhandel Broese in Utrecht. Dit papier is later gebruikt voor de prachtige uitgave van Gorters Mei (De Roos 17) en voor het overige doorverkocht.

In de circulaire worden tal van uitgaven genoemd die nooit, of pas veel later zijn verschenen. Zo was het de bedoeling dat in 1946 de heruitgave van Discours de la méthode van Descartes zou plaatsvinden vanwege de 350e geboortedag van de auteur. Het verscheen  uiteindelijk in 1948. 

Als tweede uitgave stond een publicatie van de niet-gebundelde gedichten van Marsman gepland, Verspreide gedichten. Met een vertraging van 56 jaar verscheen uiteindelijk in 2002 een uitgave van deze gedichten.  

Er worden ook een paar uitgaven genoemd die nooit zijn verschenen. De plannen worden opgesomd per nationaliteit van auteurs: Nederlands, Frans, Duits, Engels en Russisch. Zo wordt bij de Nederlandse auteurs de heruitgave aangekondigd van Les Derniers Stuarts, impressions et pensées d’une reine, destijds anoniem verschenen maar van de hand van Koningin Sophie. Charles Nypels zou de typografie voor zijn rekening nemen, maar het kwam er niet. Ook wachten de leden van De Roos nog op de aangekondigde uitgave van De strofische gedichten van Hadewych en de Nederlandsche gedichten van Hugo de Groot, verzameld door Jan Willem Hofstra en typografisch verzorgd door A.A.M. Stols. Bij de Engelse auteurs wordt de uitgave van Arden of Feversham aangekondigd: "een anonym pre-Shakespeare-drama, dat zooal geen ontdekking toch, en zelfs in Engeland, alleen enkelen bekend zal zijn". Deze staat kennelijk nog in de coulissen, net zoals de uitgave van The silent voice. A play van Laurence Alma Tadema.

Uiteraard realiseren de initiatiefnemers zich ook dat ze best ambitieus waren en dat niet alle plannen zouden slagen. Daarom waarschuwen ze in de circulaire bij voorbaat de leden:

Men zal reeds begrepen hebben dat dit alles werk beteekent... voor jaren. Bovendien kan, door allerlei omstandigheden, velerlei van de lijst worden afgevoerd of eraan toegevoegd...

In het sigarendoosje vond ik nog een efemeer werkje, namelijk een gestencilde brief aan de leden uit 1947. Daarin schrijft het bestuur:

Toen wij in 1945 onze stichtingscirculaire opstelden, waren wij ons bewust van de vele moeilijkheden, die ons bij de verwezelijking van onze plannen zouden wachten. Dat deze moeilijkheden zoo groot en veelvuldig zouden zijn, wisten wij toen nog niet.

Uit een en ander blijkt, dat wij, ondanks alle moeilijkheden, ons programma ten uitvoer willen brengen, nl. een reeks fraaie uitgaven van bibliophiel karakter te maken, waarvoor wij het maximum bedrag van f 100,- per jaar  niet zullen overschrijden.

Vervolgens wordt in die brief aangekondigd welke publicaties op stapel staan en daarin herkennen we de lijst met De Roos-uitgaven in de periode tot 1950. De enige uitzondering hierop is de uitgave van de beste Nederlandse gedichten van Hugo de Groot, waarvan ook in deze brief uit 1947 wordt gezegd dat die "nog in bewerking" is. Anders dan de Marsman uitgave heeft deze het archief van De Roos nog steeds niet verlaten.  

Toch verschenen: De gedichten van Marsman 

Afbeelding afkomstig van www.stichtingderoos.nl
In de toelichting bij de Marsman-uitgave uit 2002 wordt overigens nog een interessant en uitvoerig kijkje in de De Roos-keuken gegeven als het gaat om de worsteling rond deze laat verschenen uitgave. Mogelijk staat deze publicatiegeschiedenis symbool voor de fraaie lijst met andere niet-verschenen uitgaven in de prospectus. Ton Entius - op dat moment voorzitter van de Stichting - schrijft:

Het archief van 'De Roos' bestaat onder andere uit van die mooie ouderwetse kantoormappen in van die niet echt uitgesproken kleuren blauw, geel en roze. Van vrijwel elke uitgave is er zo'n map met daarin alle gegevens over de productie, correspondentie over de rechten, over de illustraties, over de voortgang in het algemeen. Alles bij elkaar geven ze een goed beeld van wat er wel en ook wat er niet is gelukt.

Er zijn dus ook mappen die alleen met plannen zijn gevuld, met dromen die geen werkelijkheid zijn geworden. Een van die mappen hebben wij tevoorschijn gehaald om een plan, dat dateert van nog voordat 'De Roos' werd opgericht, nu eindelijk te verwezenlijken: het verzorgen van een  uitgave van gedichten van Hendrik Marsman.

(...) Hij [Leeflang] bleef aanhoudend zijn best doen om toestemming te verkrijgen de door hem verzamelde verzen in 'De Roos' uit te geven. Dat is hem ondanks vele pogingen niet gelukt. Al die pogingen vinden wij terug in de correspondentie uit de jaren veertig tot zeventig van de vorige eeuw. (...) Uit de brieven van Charles Nypels kunnen wij afleiden dat het manuscript al tijdens de bezetting gereed was. (...) Zij [de weduwe Marsman] bleef herhaalde verzoeken met telkens hetzelfde 'neen' beantwoorden. (...) Telkens opnieuw kwam het Marsman-dossier uit het archief. Leeflang bleef zoeken naar een mogelijkheid de bundel uit te geven.

Afbeelding afkomstig uit de De Roos-uitgave
De gedichten / de geschiedenis / de documenten
(De Roos, 160)
Uiteindelijk lukte het dus in 2002. In het onderdeel "de documenten" bij deze uitgave staan verschillende brieven aan Leeflang van de weduwe Marsman en anderen over de publicatie van de gedichten van Marsman afgedrukt (met dezelfde boodschap: "nee"). Het zou best een interessante publicatie zijn - een beetje zoals de jubileumuitgave van Matthieu Lommen en Karen Polder uit 2005 - als er over meer geplande, maar niet verschenen uitgaven zo'n toelichting zou verschijnen. Dat zal een fascinerend inkijkje zijn in na-oorlogs literair Nederland en de werkelijkheid van margedrukkers en bibliofiele uitgeverijen, waarbij de ene keer rechthebbenden een blokkade vormen maar een andere keer een uitgave wellicht struikelt over barrières bij drukkers, illustratoren of typografen. 

Alsnog incompleet

Hoewel de vondst van deze oer-circulaire van De Roos in combinatie met de bevestiging van lidmaatschap een mooi zicht geeft op de ontstaansgeschiedenis van deze bibliofiele uitgeverij, bleek de circulaire uiteindelijk toch nog iets te missen: het "ingevouwen inteekenblad" waarmee de ontvangers hun belangstelling voor lidmaatschap konden aangeven. Dat konden de aspirant leden doen samen met een reactie op het verzoek van het bestuur om adressen toe te sturen van andere belangstellenden, want het zou de oprichters "spijten indien ernstige gegadigden, door een ongewild verzuim onzerzijds, voor onbepaalden tijd op de wachtlijst geplaatst moesten worden". Ik vermoed dat degene uit wiens boedel het sigarenkistje kwam, het "inteekenblad" onmiddellijk geretourneerd heeft en zo beloond werd met lidnummer 4. Het is jammer dat het formulier daardoor nu ontbreekt, maar de circulaire zelf blijkt als efemeer werkje ruim 75 jaar later nog meer dan interessant te zijn!