donderdag, maart 09, 2006

Nescio-aanwinst


Het is nauwelijks voor te stellen dat er een serieuze liefhebber van Nescio bestaat, die ‘m nog niet heeft, maar in mijn geval was het écht zo. Ik had geen exemplaar van de door Lieneke Frerichs samengestelde bundel “Over Nescio. Beschouwingen en interviews”. Deze bundel, uit 1982, hetzelfde jaar waarin een Tiradespecial (nr. 276/277) over Nescio verscheen, is inmiddels een klassieker. En daarom behoort iedere serieuze liefhebber ‘m te hebben, en dat kan ik zeggen want ik heb mij inmiddels onder de bezitters geschaard.

Over Nescio verscheen als “Bzztôh literair archief”, dat wil zeggen dat het een bundel is die is samengesteld uit de belangrijkste publicaties over Nescio en het werk van Nescio die uit talloze bronnen zijn verzameld. Het boek is onderverdeeld in verschillende periodes:
  • Reacties bij het verschijnen van ‘Dichtertje’
  • Reacties tussen 1928 en 1960
  • Algemene studies en opinies over het werk vanaf 1961
  • Studies van afzonderlijke verhalen
  • Literair historische artikelen
  • Interviews en biografica, geschreven vóór juli 1961
  • Biografica geschreven na juli 1961
De indeling is logisch: eerst wat reacties na zijn debuut, vervolgens de periode tot Boven het Dal dat in 1961 verscheen en de periode daarna, dan twee delen die ingaan op de werken zelf en tot slot twee hoofdstukken over de schrijver Nescio voor zijn overlijden in juli 1961 en sinds zijn overlijden.

De bundel is een feest om te lezen. Ik weet eigenlijk niet wat het meest boeiend is. De reacties naar aanleiding van zijn debuut geven een mooi beeld van de tijdgeest en bovendien lees je dan werk van recensenten die nog geen idee hadden van wat er ging komen (al was dat niet veel in omvang). Maar algemeen vond men zijn werk toen al origineel, fris, op zichzelf staand, aantrekkelijk, grillig. Ik ben blij dat de meeste recensenten toen al zo’n goede smaak hadden. In de NRC van 1932 schrijft N.A. Donkersloot bijvoorbeeld: “Drie der beste boeken die in onze taal bestaan, en die men in de regel niet kende, zijn de laatste tijd herdrukt: (…) Lijmen van Willem Elsschot en De proeftijd van Hopman. Nu verschenen ook de novellen van Nescio opnieuw.” Je zou denken dat Donkersloot een goede kijk op de dingen heeft, als hij Elsschot en Nescio naar voren haalt. Maar ik heb werkelijk nog nooit gehoord van Hopman. Zou het een aanrader zijn om te gaan lezen? Als ik kijk naar een bijdrage van W.L.M.G. van Leeuwen uit 1934 waarschijnlijk wel. Hij is ook blij met de herdruk van Nescio’s werk en verzucht dat hij dolgraag een heruitgave van Hopman zou willen, in het bijzonder de verhalenbundel In het voorbijgaan. Hopman was toen kennelijk al een bijna vergeten schrijver die bij velen weemoed opriep.
Het is interessant te zien hoe andere schrijvers naar Nescio keken, in de bundel komen bijvoorbeeld Ter Braak, Hermans, Bloem, Du Perron, Coenen, K. Schippers, Vinkenoog, Boon en natuurlijk Carmiggelt (in meerdere Kronkels) aan het woord. Kees Fens blijkt geregeld over Nescio te hebben geschreven en van hoge kwaliteit.

Verbazingwekkend vind ik de literatuurwetenschappelijke bijdragen waarin de teksten van Nescio uit elkaar gerafeld en in systemen gestopt worden. Frank Maatje doet in 1970 iets heel ingewikkelds met grafieken en cirkels die met lijnen verbonden worden als analyse van Dichtertje. Wel knap, maar heeft hij nu echt genoten van de inhoud? Ook Enno Endt tovert het ene schema na het andere naar voren over het verhaal Pleziertrein. Veel mooier vind ik het stuk van Hans Plomp, die laat zien dat Nescio een zelfde soort omschrijving of situatie bij verschillende figuren in verschillende verhalen gebruikt, zonder dat het echt storend wordt.

Ik denk dat ik niet zo’n literatuurwetenschapper ben. Als J. de Gier constateert dat Nescio veel gebruik maakte van “parallelle cumulatie”, boeit mij dat op voorhand toch niet echt. Dan vind ik een stuk van Jan van Houts die op zoek gaat naar overeenkomsten in de opvattingen van Nescio en Frederik van Eeden aardiger. Niet alleen omdat Nescio ook zijn eigen kolonie had (Tames) in navolging van Van Eeden (de kolonie Walden, waar Nescio geweigerd werd), maar vooral omdat duidelijk wordt dat “de man die de Sarphatistraat de mooiste plek van Europa vond” Frederik van Eeden is. De debuutzin van Nescio in de Nederlandse literatuur - de beroemdste debuutzin ooit - verwijst naar Van Eeden, die in 1888 schreef: “Als den dag van gisteren heugt het mij hoe ik de Sarphatistraat de mooiste straat van Amsterdam vond.” Uit een stuk van Thijs Wierema uit 1971 blijkt trouwens dat er toen bij hem nog maar weinig over Tames bekend was, maar uit een stuk van Franco Groppo uit 1976 blijkt het om “het Tames”, onder Huizen, te gaan terwijl G. Jaspars in 1964 in Hollands Maandblad al wist te vertellen dat het om zes akkers (andere stukken zeggen: 1 ¾ bunder) bij Huizen ging, die fl. 600,- kostten, waar later nog voor fl. 200,- mest op moest. In 1971 wist Eelke de Jong al dat Tames was genoemd naar de boerderij die daar vroeger stond en dat de verloofde van Nescio - Adinda - de gordijntjes had gemaakt voor de hut die er stond. Voor wie de exacte locatie van Tames wil weten, kijk maar eens hier. Een schitterend project met o.a. de zoektocht naar de exacte locatie van Tames.

Het is mooi dat je in de loop van de bijdragen raadsels opgelost ziet worden: in Tirade 276/277 staat de vraag nog open waar de afkorting GOHV, de debatingclub waar Nescio deel van uitmaakte, voor stond. Maar bij de publicatie van dit boek blijkt het raadsel opgelost: Gedachtewisseling Ontwikkelt Het Verstand. De eerder genoemde Van Leeuwen haalt in zijn bespreking van Titaantjes het gedicht “Drie studentjes” van Piet Paaltjens aan, dat gaat over drie idealisten die zich voornemen huichelarij aan de kaak te stellen, maar die uiteindelijk opgeslokt worden door de samenleving en hun dromen moeten opgeven.

Vreselijk is dat het stuk van Nol Gregoor, “Een zwak voor Nescio”, er in staat, waarin hij beschrijft hoe hij op een gegeven moment drie exemplaren van de eerste druk van Dichtertje/De Uitvreter/Titaantjes in zijn bezit heeft. Het is vreselijk omdat ik niet één exemplaar van die eerste druk heb, hoewel ik wel de facsimile van de eerste druk bezit. En ik heb de afzonderlijke uitgave van dit verhaal van Gregoor, dat destijds in een oplage van 100 is verschenen. Dat is dan in elk geval nog iets… maar vreselijk blijft het om te lezen dat Gregoor drie oorspronkelijke uitgaves had.

Maar er zit ook veel herhaling in de stukken, onvermijdelijk. Juist omdat Nescio lang relatief onbekend is gebleven, begint elke auteur met een passage over de verschijningsdata van de verschillende teksten van Nescio, de onthulling van zijn pseudoniem, zijn directeurschap van de Holland-Bombay Trading Company, zijn uitgever De Bois, en nog wat van die zaken.

Het laatste deel van het boek bevat de teksten verschenen ná de dood van Nescio, in 1961. Die werpen een goed licht op de toenemende waardering voor Nescio’s werk. Eerst beschrijven ze een paar mooie reacties rond het overlijden van Nescio en in een enkel geval komt ook de weduwe van Nescio aan het woord. Veel letterkundigen proberen na diens dood een aantal raadsels over Nescio te ontrafelen. Veel was toen nog onduidelijk. Maar Lieneke Frerichs - van wie meerdere stukken in het boek staan - heeft in de afgelopen jaren veel goed gemaakt, met als hoogtepunt natuurlijk de verschijning van het Verzameld Werk.

Ik zou willen dat er weer een bundel als deze zou worden gepubliceerd. Uit de meest obscure hoeken komt dan informatie over Nescio bijeen, zou dat ook voor de afgelopen 25 niet geweldig zijn? Nescio is immers niet meer weg te denken uit het literaire spectrum van vandaag en we zitten nog maar vijf jaar voor de honderdste verjaardag van de publicatie van De Uitvreter (in De Gids, van januari 1911). Overigens is de honderste verjaardag van Venloër Grensbode, het ‘oerverhaal’ van Nescio dat eerst nog voor publicatie geweigerd werd, nog veel dichterbij: over minder dan een jaar, om precies te zijn op 24 januari 2007, is het zover.

Noteert u dat, allen?

Sneuper

Geen opmerkingen: